Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 126 pagina's
Samenvatting

Samenvatting Sanctierecht | Historische achtergronden | EUR | 2025/26

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 126 pagina's

Studiemateriaal voor Sanctierecht aan Erasmus Universiteit Rotterdam, behandelend de historische en theoretische grondslagen van het Nederlandse sanctiestelsel. Het document bestrijkt de ontwikkeling van straffen vanaf 1800, de rol van generale preventie, de verschuiving van lijfstraffen naar vrijheidsbeneming, en belangrijke wetboeken zoals het Crimineel Wetboek van 1809 en het Wetboek van Strafrecht van 1886. Essentieel voor het begrijpen van de fundamenten van het hedendaagse strafrecht en ideaal voor voorbereiding op toetsen over sanctierecht en strafrechtsgeschiedenis.

Voorbeeld van de inhoud

Hoofdstuk 1: Historische en theoretische achtergronden van het
sanctiestelsel
Als je de bestraffing van de Nederlandse rechtsorde vergelijkt met vroeger, kom je
wezenlijke verschillen tegen. Er zijn ook overeenkomsten, zoals benadrukking van
generale preventie. Generale preventie houdt in dat met de bestraffing beoogd
wordt anderen dan de dader te weerhouden van het plegen van strafbare feiten.
Aspecten die een rol spelen in het verschil van bestraffing tussen vroeger en nu:

1. Maatstaven van de desbetreffende tijd; opvattingen over wat straf inhoudt
2. De verandering van voorwerp van de bestraffing. In de 18e eeuw was in
ernstige zaken (en uiteindelijk) het leven van de dader het voorwerp van de
bestraffing. In de 21e eeuw is dit veranderd naar de vrijheid van de dader
3. De beschrijving tenuitvoerlegging in het vonnis. Sinds 2003 volstaat de
rechter met het aangeven van de duur van de gevangenisstraf en wordt er
geen detailleerde wijze opgenomen zoals vroeger over de wijze waarop het
vonnis moet worden uitgevoerd
4. Spiegelend karakter van de straf: straf die een directe, symbolische relatie
heeft met de aard van het gepleegde misdrijf → rechterhand afhakken
waarmee je moordde.
5. Publiekelijk karakter

De verschillen vormen uiteindelijk een illustratie van de tijd- en cultuurgebondenheid
van het sanctierecht.

Ontwikkeling van het sanctiestelsel vanaf 1800
Becceria bracht in 1764 het traktaat ‘Dei delitti et delle pene’ uit. Hierin verzette hij
zich tegen de willekeur en wreedheid van de strafpraktijk onder het ‘Ancien Régimé’.
In het Ancien Régimé heerste er een schavocultuur, waarin er sprake was van een
openbaar schouwspel waarin het lichaam van de veroordeelde als object van het
straffen werd gebruikt. Door een gebrek aan straftoemetingsregels had de rechter
een grote mate van vrijheid de straf te bepalen. De vrijheid van de rechter hield
corruptie, bevoordeling van gegoede klassen en regionale ongelijkheid in. Het
traktaat was een pleidooi voor een strafrechtspleging gebaseerd op rationele
beginselen. Zijn ideeën werden uitgewerkt in wetboeken die tijdens de Verlichting tot
stand kwamen.

In Nederland kwam in 1809 het ‘Crimineel Wetboek voor het Koninkrijk Holland’ tot
stand. Dit wetboek werd ook geïnspireerd op de Verlichtingsidealen, maar heeft zijn
eigen karakteristieken. De Nederlandse wetgever had vertrouwen in de wijze waarop
de rechter van zijn discretionaire bevoegdheid gebruik zal maken. Dat reflecteerde
zich in een ruime mate van straftoemetingsvrijheid (wel met beperkingen). Het
Crimineel Wetboek kende naast de doodstraf ook vier schavostraffen: geseling en
brandmerken, alleen geselen zonder extra verminking, het zwaaien met zwaard
boven het hoofd en het pronk staan. Het wetboek bevatte daarnaast een voorziening
voor de gevangenisstraf van een bepaalde duur. Overige straffen waren
verbanning, geldboete, verklaring van eerloosheid, verklaring van onbekwaamheid
en de vervallenverklaring van ambten, posten of bediening.



1

,Na de inlijving van het Koninkrijk Holland (Nederland) bij het Franse Keizerrijk werd
de Franse Code Pénal ook in Nederland van kracht. De straftoemetingsvrijheid van
de rechter werd zo ingeperkt; de strafsoort werd per delict bepaald. In 1886 kwam er
in Nederland het Wetboek van Strafrecht tot stand. De algemene
verbeurdverklaring, het bijzonder politietoezicht en de levenslange dwangarbeid
werden in 1913 al geschrapt. In de loop van de 19e eeuw voltrokken zich
ontwikkelingen die voor de vormgeving van het huidige strafstelsel bepalend zijn
geweest. De lijfstraffen verdwenen als gevolg van voortgaande civilisatie en
vrijheidsstraffen werden daarmee belangrijker.

Vrijheidsbeneming als straf
In de loop van de 19e eeuw werd vrijheidsbeneming als straf belangrijker. De wijze
van tenuitvoerlegging was door de omstandigheden in de gevangenissen in Europa
wel een zorg tot de eerste helft van de 19e eeuw. Er ontstond geleidelijk een
voorkeur voor eenzame opsluiting (stelsel van Pennsylvania), aangezien
gezamenlijke opsluiting zorgde voor ziektes die werden doorgegeven, criminele
gewoonten, overvolle ruimtes, koude/stinkende/vochtige lokalen → Engelse filantroop
John Howard. Eenzame opsluiting zou ook bijdragen aan de behoefte van orde en
discipline in gevangenissen. Het zou een goede basis zijn voor zelfreflectie en inkeer
van de gedetineerde. Daarvoor was het noodzakelijk dat de gedetineerde niet
onderhevig zou zijn aan de kwalijke invloeden van medegedetineerden. Het stelsel
van Pennsylvania was de meest ingrijpende variant van eenzame opsluiting. Deze
hield in dat gedetineerden dag en nacht in afzondering verbleven. Bezoek en
communicatie binnen de inrichting waren uitgesloten en zelfs luchten geschiedde in
eenzaamheid → vanuit religieus perspectief, innerlijke ziel/mens.

In New York kwam er een alternatief stelsel tot stand, namelijk het Auburn-stelsel.
Deze kwam voort uit de gedachte dat volstrekt eenzame opsluiting inhumaan was.
Bovendien dachten voorstanders van dit stelsel dat zij hetzelfde konden bereiken op
een goedkopere manier. Gedetineerden werden in dit stelsel gedurende de nacht
afgezonderd, maar overdag samen aten, werkten en werden gelucht. Er was wel een
zwijgplicht.

Het derde gevangenisstelsel was het Ierse of progressieve gevangenisstelsel. Het
ging uit van een puntensysteem, waarin de gedetineerde meer graden van vrijheid
konden verdienen. De gedetineerde bracht eerst een aantal maanden in eenzame
opsluiting door, waarna hij werd geplaatst in een regime waarin hij overdag met
andere gedetineerden arbeid verrichtte.

In Nederland ontstond in 1840 de discussie over een cellulair stelsel, dat als
voordeel zou hebben dat het de criminele besmetting als gevolg van de
tenuitvoerlegging in de gemeenschap kon voorkomen en de veroordeelde tot
zelfinkeer zou kunnen brengen. In 1851 kwam de optie bij straffen van ten hoogste
1 jaar dat maximaal de helft van de gevangenisstraf in eenzame opsluiting
mocht gebeuren. Wel werd dit systeem in zoverre gematigd, dat de gedetineerde
ten minste zesmaal daags werden bezocht. Grenzen werden opgerekt, waardoor
eenzame opsluiting voor langere tijd mogelijk begon te worden. Deze vrijheidsstraf
werd in de loop van de 19e eeuw steeds minder ondergaan.



2

,Het sanctiestelsel van het Wetboek van Strafrecht van 1881
Het sanctiestelsel dat in 1886 in werking trad door de invoering van het Wetboek van
Strafrecht van 1881, kende de volgende karakteristieken:

1. Relatief mild: De wetgever koos voor een sober sanctiestelsel, dat ontdaan
was van uitwassen uit het verleden, zoals lijfstraffen. De strafwet kende
evenmin een onterende straffen →gematigd strafrechtelijk klimaat. Bepaalde
straffen, zoals lijfstraffen en de doodstraf, behoren niet in een beschaafd
strafstelsel thuis.

Volgens minister Modderman was de afschrikkende werking van de doodstraf
beperkt, was deze niet nodig voor het onschadelijk maken van misdadigers
vanwege het alternatief van de levenslange gevangenisstraf, werd met deze
straf de proportionaliteit uit het oog verloren, was deze onherstelbaar en
kon deze op theologische gronden niet worden ondersteund. Dit gold ook voor
deportatie (gedwongen uitzetten).

2. Overzichtelijk: Het beperken van het aantal straffen diende het doel de
onderlinge vergelijkbaarheid van straffen te bevorderen. Die vergelijkbaarheid
achtte de wetgever van belang voor het in acht nemen van een goede
verhouding tussen de opgelegde straf en ernst van het feit. Het strafstelsel
kende slechts drie hoofdstraffen ex art 9 lid 1 sub a Sr: gevangenisstraf (1
dag – 25 jaar) en hechtenis (1 dag – 1jaar) en geldboete (3 euro – categorie).
Naast hoofstraffen kon de rechter gecombineerd bijkomende straffen
opleggen, die dit beeld van ‘eenvoud en vergelijkbaarheid’ verstoorden. VB ex
art 9 lid 1 onder b Sr: ontzetting van bepaalde rechten, verbeurdverklaring,
openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

3. De vrijheidsstraf als centrale straf: Het vertrouwen in de vrijheidsstraf hing
samen met het geloof in het stelsel van de cellulaire uitvoering en centrale
strafsoort. Voortaan was afzondering gedurende de eerste 5 jaren
voorgeschreven. Uitzondering werd gemaakt voor jeugdigen onder de 14
jaar, ouderen boven de 60 jaar en gedetineerden die daarvoor na
geneeskundig onderzoek ongeschikt werden bevonden.

Als zwaarste straf koos de wetgever voor de levenslange gevangenisstraf, zij
het ‘met bloedend hart’, omdat de minister Modderman meende dat deze straf
in beginsel niet deugde. Uit het oogpunt van bescherming van de samenleving
kon zij echter volgens hem niet worden gemist, terwijl altijd de mogelijkheid
van gratie zou blijven bestaan.

Tegen de achtergrond van cellulaire opsluiting valt een modern element in het
strafstelsel op: de v.i. → doel was de moeilijke overgang van de detentie naar
vrijheid voor veroordeelden met een langdurige gevangenisstraf te verlichten
als zij driekwart en ten minste drie jaren van de straftijd had doorgebracht en
vanwege het maatschappelijk belang. Herroeping vond plaats bij slecht
gedrag of in strijd handelen met gestelde voorwaarden.




3

, 4. Een nadruk op straffen en niet op maatregelen (eensporig): In de kern
betrof het sanctiestelsel van 1881 een strafstelsel. De enige maatregel
destijds was de plaatsing in een krankzinnigengesticht. De keuze berustte op
doelmatigheidsoverwegingen → als de rechter toch over de zaak oordeelde,
dan was het ook praktisch dat hij de bevoegdheid kreeg om de plaatsing in
zo’n inrichting te gelasten.

5. Een belangrijke rol voor de strafrechter, onder meer tot uitdrukking
komend in de straftoemetingsvrijheid: Tot 1881 was sprake van een stelsel
waarbij de hoge minimumstraffen op bepaalde feiten waren gesteld, die
slechts in geval van verzachte omstandigheden dan wel d.m.v. gratie konden
worden verminderd. Het nieuwe wetboek kende de rechter een grote mate
van straftoemetingsvrijheid toe, waardoor – door het vertrouwen in het
rechterlijk oordeel – ‘peil der justitie’ zou toenemen. In de rechtspraktijk doen
zich immers grote verschillen voor in de ernst van de feiten en de mate van
schuld van de daders, ook al gaat het om dezelfde delictsomschrijving, die de
wetgever niet op voorhand allemaal kan overzien.

Theoretische achtergronden
In de loop van de 20e eeuw verandert het sanctiestelsel in verschillende opzichten
van karakter.

(Neo-)klassieke strafrechtvaardigingstheorieen
In de klassieke strafrechtvaardigingstheorieen wordt getracht een rationele grondslag
te vinden voor het straffen. Beccaria ging uit van het sociaal contract als basis voor
zijn theorie van het straffen. In deze theorie wordt de vrijheid van de individuele
burger tot uitgangspunt genomen. Burgers geven een deel van hun persoonlijke
vrijheid aan de gemeenschap in ruil voor bescherming door de gemeenschap tegen
inbreuken op hun rechten en vrijheden door anderen. Een middel daartoe is de straf,
die daarmee in dienst staat van het realiseren van een maximum aan geluk voor een
aantal mensen. Doel voor bestraffing is in het bijzonder de dader te beletten zijn
medeburger door strafbare feiten verder te benadelen en de medeburgers ervan af te
schrikken hetzelfde te doen als de dader. Daarmee staat de klassieke
strafrechtstheorie in het teken van preventie, ook wel de relatieve
strafrechtstheorie genoemd. De grondslag van en de rechtvaardiging voor het
straffen worden gezocht in het te verwachten toekomstig effect ervan. Het klassieke
denken over straffen komt vanuit het uitgangspunt dat een straf een middel kan zijn
tot beïnvloeding van het gedrag van burgers. De dominante benadering van het
straffen is de absolute strafrechtstheorie. Een representant van de zuivere
absolute theorie is Immanuel Kant. Daarbij worden de grondslag van en de
rechtvaardiging voor het straffen gezocht in het vergelden van de schuld. Er wordt
gestraft omdat er misdaan is.

In de 19e eeuw bouwden anderen, onder wie Hegel, voort op de gedachte van
vergelding als grondslag van de straf, maar lieten daarbij de theorie van het
maatschappelijk contract als grondslag los. Deze denkrichting is bekend als de
neoklassieke strafrechtstheorie. In de neoklassieke visie, waarin strafmaat wordt
bepaald aan de hand van proportionele schuldvergelding, is sprake van een
bovengrens van de straf: niet meer leed mag worden toegevoegd dan verantwoord is
in het licht van de ernst van het feit en de schuld van de dader.

4

Inhoudsopgave

  1. 01 Wat is een hongerstaking? 25
  2. 02 Fases en medische gevolgen 25
  3. 03 Dwangvoeding: juridisch en ethisch perspectief 25
  4. 04 Autonomie en informed consent 25
  5. 05 Autonomie en informed consent 26
    1. Het beginsel van informed consent is fundamenteel in de medische ethiek, maar kent uitzonderingen, zoals in noodsituaties waarin onmiddellijk medisch ingrijpen vereist is om onherstelbare schade te voorkomen. Een ander concept is het therapeutisch privilege, waarbij een arts bepaalde informatie mag achterhouden als deze de patiënt schade zou berokkenen, hoewel dit controversieel is. In de context van hongerstakingen komt de persoonlijke autonomie, die geen absoluut karakter heeft en afgewogen moet worden tegen andere morele principes, op gespannen voet te staan met paternalistische praktijken. Paternalisme houdt in dat een staat of individu ingrijpt in iemands leven tegen diens wil, met de bedoeling schade te voorkomen en het welzijn te bevorderen, zelfs als die schade aan zichzelf wordt toegebracht. De tekst benadrukt terecht dat volwassen personen wilsbekwaam zijn totdat het tegendeel bewezen is, een gedachte die is gebaseerd op respect voor persoonlijke autonomie, vergelijkbaar met het uitgangspunt van toerekenbaarheid in het strafrecht. 26
  6. 06 Argumenten pro en contra dwangvoeding De discussie over dwangvoeding van hongerstakers is complex en kent sterke argumenten aan beide zijden. Als contra-argumenten worden genoemd: de inbreuk op het recht op zelfbeschikking, de kwalificatie als een vorm van foltering of onmenselijke/vernederde behandeling, strijdigheid met medische ethiek, schending van de vrijheid van meningsuiting, en het feit dat hongerstaking een vorm van geweldloos protest is dat getolereerd zou moeten worden. De uitspraak Yankov v. Bulgaria (EHRM 11 december 2003) onderstreept het belang van de vrijheid van meningsuiting, zelfs voor kwetsbare gedetineerden, en stelt dat straffen voor vermeende valse beschuldigingen een zeer solide rechtvaardiging vereisen onder artikel 10 EVRM. 27
  7. 07 Internationale regels en rechtspraak 28
    1. Internationale Documenten en Jurisprudentie Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) fungeert als een cruciaal vangnet ter bescherming tegen medische dwangbehandeling en waarborgt de geestelijke en fysieke integriteit van personen. Hoewel het Europees Comité ter voorkoming van Foltering en Onmenselijke of Onterende Behandeling of Bestraffing (CPT) minimumstandaarden heeft ontwikkeld, betekent dit niet dat het dwangvoeding van hongerstakende gedetineerden expliciet steunt. Er bestaat een fundamenteel verschil in perspectief tussen juristen en medici met betrekking tot dwangvoeding: juristen streven naar algemene regels en rechtszekerheid, terwijl artsen primair de zorg voor de patiënt vooropstellen, wat leidt tot een inherente spanning tussen deze twee benaderingen. 29
    2. Ingrijpende Beslissingen Behoren aan de Rechter Pauline Jacobs' analyse van dwangvoeding bij hongerstakingen is diepgaand en combineert juridische scherpte met ethische overwegingen. Haar studie is helder en logisch opgebouwd, en documenteert het complexe fenomeen van hongerstakingen met veel bronnen en jurisprudentie. De belangrijkste conclusie van Jacobs is dat ingrijpende beslissingen met betrekking tot dwangvoeding moeten worden overgelaten aan de rechter, en niet aan de gevangenisdirecteur of de arts. De rechter is de meest geschikte instantie om alle relevante rechten en belangen in een concreet geval tegen elkaar af te wegen, gezien zijn onafhankelijke positie. De gevangenisdirecteur behartigt primair de belangen van de gevangenis, en de arts die van de individuele gezondheid. De voortschrijdende aard van een hongerstaking vereist een snelle rechterlijke beslissing, waarin de ernst van de motieven van de betrokkene en de belangen van derden zorgvuldig moeten worden gewogen. Dit betekent dat, ondanks de stelligheid van de Verklaring van Tokio, de rechter in bepaalde gevallen een interventie in een hongerstaking toelaatbaar kan verklaren. 30
  8. 08 Belangrijkste punten 31
  9. 09 1. Kantiaanse deontologie (plichtethiek) – Immanuel Kant 32
  10. 10 2. Utilisme (gevolgenethiek) – Jeremy Bentham 32
  11. 11 3. Aristotelische deugdethiek (karakterethiek) – Aristoteles 33
  12. 12 Vrijheidsbeperkende maatregel (VBM) 98
  13. 13 Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GBM) 98

Gekoppeld boek
 image
Uitgever: Onbekend ISBN: 9789013164961 Druk: Onbekend

Documentinformatie

Heel boek samengevat?
Nee
Wat is er van het boek samengevat?
Hoofdstuk 1,2,5,6,7,8,9 en 10
Geüpload op
5 september 2026
Aantal pagina's
126
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
€16,48

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
1
Volgers
0
Items
6
Laatst verkocht
2 weken geleden

Echte notities, van echte studenten
Elk document op Stuvia is geschreven door een medestudent die hetzelfde vak deed. Zo leer je van iemand die het al heeft gehaald.



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen