Erytropoëse & Anemie
30 Meerkeuzevragen op HBO+ Niveau
Inclusief uitgebreide antwoorden, fysiologische toelichting en klinische verklaringen conform de
nieuwste landelijke richtlijnen.
Doelgroep: Studenten Verloskunde, Verpleegkunde (HBO-V), Geneeskunde & Verloskundige Professionals
Niveau: HBO+ / Bachelor-Master
Focus: Erytropoëse, fysiologische hemodilutie, diagnostische afkapwaarden, MCV-differentiatie, risicogroepen en
behandelrichtlijnen.
, Deel 1: Meerkeuzevragen
Beantwoord de onderstaande 30 vragen over de fysiologie van bloedvorming, hemodilutie en de
diagnostiek en behandeling van anemie. De toets is zo opgebouwd dat alle relevante aspecten van de
fysiologie en de klinische richtlijnen op HBO+ niveau worden getoetst.
Vraag 1: Waar vindt bij een volwassene en bij een foetus (vroeg in de zwangerschap) de aanmaak van
rode bloedcellen (erytropoëse) achtereenvolgens plaats?
A) Bij de volwassene in de milt; bij de foetus uitsluitend in de lever en het rode beenmerg.
B) Bij de volwassene in het rode beenmerg; bij de foetus achtereenvolgens in de dooierzak, de
lever/milt, en uiteindelijk het beenmerg.
C) Bij de volwassene in het gele beenmerg; bij de foetus in de placenta en de thymus.
D) Bij de volwassene in het rode beenmerg; bij de foetus uitsluitend in de lever en de placenta.
Vraag 2: Welke fysiologische factor is de belangrijkste regulator van de erytropoëse en waar wordt
deze hoofdzakelijk geproduceerd?
A) Progesteron geproduceerd door de placenta.
B) Erytropoëtine (EPO) hoofdzakelijk geproduceerd door de nieren.
C) Hepcidine hoofdzakelijk geproduceerd door de lever.
D) Transferrine geproduceerd door de milt.
Vraag 3: Welke specifieke stoffen zijn absoluut essentieel voor een gezonde aanmaak (DNA-vorming
en hemoglobinisering) van erytrocyten?
A) Calcium, vitamine D en ijzer.
B) IJzer, foliumzuur en vitamine B12.
C) IJzer, vitamine C en zink.
D) Erytropoëtine, transferrine en bilirubine.
Vraag 4: Wat is de gemiddelde levensduur van een gezonde erytrocyt in de circulatie, en waar vindt de
fysiologische afbraak hiervan plaats?
A) Ongeveer 90 dagen; afbraak vindt plaats in de nieren en de longen.
B) Ongeveer 120 dagen; afbraak vindt plaats in de milt en de lever.
C) Ongeveer 150 dagen; afbraak vindt plaats in het beenmerg.
D) Ongeveer 60 dagen; afbraak vindt plaats in de darmen en de nieren.