STUDIEGIDS & EXAMENTRAINING
MD-K 2.7: Onthouden en Vergeten
Professionele Oefentoets op HBO+ Niveau
30 Meerkeuzevragen met Uitgebreide Verklaringen & Toepassingscasussen
Vak / Module: MD-K 2.7 (Onthouden en Doelgroep: HBO+ (Zorg, Psychologie,
vergeten) Verloskunde)
Aantal Vragen: 30 Meerkeuzevragen (A, B, C, Inhoud: Vragen + Uitgebreide Antwoortsleutel
D)
Introductie & Richtlijnen
Deze oefentoets is ontworpen voor studenten en professionals op HBO+ niveau die hun kennis over
het menselijk geheugen, leerstrategieën en vergeetprocessen willen toetsen en verdiepen. De focus
ligt op klinische en praktische toepassingen (met name binnen de verloskunde en de bredere
gezondheidszorg). De toets is opgedeeld in drie thematische delen van elk 10 vragen. Gebruik deze
toets als actieve leermethode (elaboratie) om uw cognitieve schema's te versterken. Veel succes!
__________________________________________________________________
DEEL 1: GEHEUGENSYSTEMEN EN COGNITIEVE PROCESSEN (VRAGEN 1-10)
Vraag 1: [Hoofdfasen van de informatieverwerking]
Het menselijk geheugen wordt beschreven als een complex informatieverwerkingssysteem dat
continu bezig is met het verwerken en opslaan van prikkels. Volgens welke opeenvolgende stappen
of hoofdfasen verloopt dit informatieverwerkingsproces?
A) Vasthouden (opslaan) -> Coderen (bewerken) -> Ophalen (terugvinden)
B) Coderen (bewerken) -> Vasthouden (opslaan) -> Ophalen (terugvinden)
C) Aandacht (selecteren) -> Coderen (bewerken) -> Herhalen (onthouden)
D) Sensorische opslag -> Werkgeheugen -> Langetermijngeheugen
Pagina 1
, Examentraining MD-K 2.7: Onthouden en Vergeten
Vraag 2: [Sensorisch geheugen - Tijdsduur en modaliteiten]
Welke van de onderstaande stellingen beschrijft een correct kenmerk van het sensorisch geheugen?
A) Het houdt informatie voor langere tijd vast (ongeveer een halve minuut) en heeft een
onbeperkte capaciteit.
B) Het slaat uitsluitend auditieve prikkels op, aangezien visuele prikkels direct doorstromen naar
de hippocampus.
C) Het houdt zintuiglijke indrukken slechts zeer kortstondig vast (minder dan één tot enkele
seconden), waarbij elk zintuig zijn eigen opslag heeft (zoals iconisch voor zien en echoïsch voor
horen).
D) Het fungeert als de processor van het geheugen, waarin actieve vergelijkingen met het
langetermijngeheugen plaatsvinden.
Vraag 3: [De overgang van sensorisch naar werkgeheugen]
Om informatie vanuit de zintuiglijke kanalen (sensorisch geheugen) succesvol over te dragen naar
het werkgeheugen, is een specifieke cognitieve voorwaarde noodzakelijk. Welke is dit?
A) Onmiddellijke uitgebreide elaboratie (elaborative rehearsal)
B) Het direct toepassen van chunking
C) Bewuste aandacht (selectieve perceptie) schenken aan de informatie
D) Het uitschakelen van emotionele prikkels via de amygdala
Vraag 4: [De capaciteit van het werkgeheugen]
In de traditionele psychologie werd vaak gesproken over de 'magische grens van 7 plus of min 2'
losse stukjes informatie voor het kortetermijngeheugen. Wat suggereert recenter wetenschappelijk
onderzoek over de effectieve capaciteit van ons werkgeheugen?
A) De capaciteit is vrijwel onbeperkt, mits we uitsluitend ons echoïsch geheugen gebruiken.
B) De capaciteit is in werkelijkheid nog beperkter en bedraagt waarschijnlijk slechts ongeveer 4
items.
C) De capaciteit kan door intensieve training permanent worden vergroot naar 15 tot 20 items.
D) De capaciteit is volledig variabel en hangt puur af van de emotionele lading die de amygdala
toevoegt.
Vraag 5: [De processorrol van het werkgeheugen]
Waarom wordt het werkgeheugen binnen de informatieverwerkingstheorie treffend omschreven als
de 'processor'?
A) Omdat het herinneringen permanent consolideert en opslaat over de hersenschors.
B) Omdat het fungeert als de plek waar het actieve 'denken' plaatsvindt: het bewerkt
binnenkomende prikkels en vergelijkt of verbindt deze met 'oude' informatie uit het
langetermijngeheugen.
Pagina 2
, Examentraining MD-K 2.7: Onthouden en Vergeten
C) Omdat het uitsluitend verantwoordelijk is voor de onbewuste automatische uitvoering van
motorische handelingen.
D) Omdat het fungeert als een passieve opslagplaats die herinneringen filtert op basis van de
vergeetcurve van Ebbinghaus.
Vraag 6: [Expliciet vs. impliciet langetermijngeheugen]
Wat is het fundamentele functionele onderscheid tussen het expliciete en het impliciete
langetermijngeheugen?
A) Het expliciete geheugen slaat uitsluitend traumatische ervaringen op; het impliciete geheugen is
voor algemene feiten.
B) Het expliciete geheugen omvat bewuste herinneringen en feiten die we actief kunnen ophalen;
het impliciete geheugen omvat herinneringen waarvan we ons niet bewust zijn, zoals vaardigheden
en conditionering.
C) Het expliciete geheugen heeft een capaciteit van maximaal enkele uren; het impliciete
geheugen slaat informatie levenslang op.
D) Het expliciete geheugen verloopt via de amygdala; het impliciete geheugen uitsluitend via de
hippocampus.
Vraag 7: [Subsystemen van het expliciete geheugen]
Onder welk specifiek geheugensysteem valt feitenkennis, zoals het onthouden van medische
definities, anatomische begrippen en wetenschappelijke theorieën?
A) Het episodisch geheugen
B) Het semantisch geheugen
C) Het procedureel geheugen
D) Het iconisch geheugen
Vraag 8: [Episodisch geheugen in de klinische context]
Een verloskundige herinnert zich nog levendig haar allereerste zelfstandige thuisbevalling: de
spanning, de specifieke inrichting van de slaapkamer van de cliënt en het precieze tijdstip waarop de
baby werd geboren. Onder welk geheugensysteem valt deze herinnering?
A) Het episodisch geheugen
B) Het semantisch geheugen
C) Het procedureel geheugen
D) Het impliciet geheugen
Pagina 3