PREMIUM STUDIEGIDS & OEFENTOETS
De Schildklier-as &
Calciumhuishouding
30 Uitgebreide Meerkeuzevragen op HBO+ Niveau met Toelichting
Inleiding
Welkom bij deze professionele oefentoets over het endocriene regelsysteem van de hypothalamo-
hypofysaire schildklier-as en de bijschildklier. Deze gids is speciaal ontworpen voor studenten op HBO+
niveau (zoals Verloskunde, Geneeskunde en Biomedische Wetenschappen) om diepgaande kennis op te
bouwen en te toetsen.
De toets is opgebouwd rondom de belangrijkste leerdoelen van de fysiologie en kliniek van de
schildklier:
Fysiologie van de schildklier: De anatomie, synthese van T3/T4 in het colloïd, transport (TBG), en de
biologische effecten op het basaalmetabolisme en weefsels.
De hypothalamo-hypofysaire as: De regulatie en het negatieve feedbackmechanisme via TRH en
TSH.
Zwangerschap en de foetus: De drastische veranderingen in de maternale schildklierfysiologie (hCG,
oestrogenen, TBG), de selectieve placenta-passage en de ontwikkeling van de foetale schildklier.
De bijschildklier en calciumhomeostase: Het feedbackmechanisme van Parathormoon (PTH),
vitamine D (calcitriol) en calcitonine op bot-, nier- en darmniveau.
Klinische casuïstiek: Symptoomherkenning van hyperthyreoïdie en hypothyreoïdie en de
interpretatie van laboratoriumdiagnostiek.
Deel 1: Oefenvragen (30 MCQ)
Beantwoord de onderstaande 30 meerkeuzevragen. Er is telkens één juist antwoord mogelijk.
Premium Studiebegeleiding | Pagina 1
, Oefentoets: Schildklier-as & Calciumhuishouding — HBO+ Niveau
Vraag 1: Welk transporteiwit is specifiek verantwoordelijk voor het transport van jodide vanuit de
folliculaire cel (thyroocyt) over de apicale membraan naar het colloïd?
A) Pendrine
B) Natrium-Jodide Symporter (NIS)
C) Thyreoglobuline (Tg)
D) Schildklierperoxidase (TPO)
Vraag 2: Wat wordt er gevormd wanneer één jodiumatoom aan een tyrosine-aminozuur op het
thyreoglobuline wordt gekoppeld in het colloïd?
A) Dijodotyrosine (DIT)
B) Monojodotyrosine (MIT)
C) Trijoodthyronine (T3)
D) Thyroxine (T4)
Vraag 3: Hoe worden de biologisch actieve schildklierhormonen T3 (trijoodthyronine) en T4
(thyroxine) gevormd in het colloïd?
A) T3 wordt gevormd door de koppeling van twee MIT-moleculen; T4 door de koppeling van twee
DIT-moleculen.
B) T3 wordt gevormd door de koppeling van MIT + DIT; T4 door de koppeling van DIT + DIT.
C) T3 wordt gevormd door de koppeling van DIT + DIT; T4 door de koppeling van MIT + DIT.
D) T3 en T4 worden beide gevormd door de enzymatische splitsing van een groter thyreoglobuline-
polypeptide.
Vraag 4: Welk hormoon wordt geproduceerd door de C-cellen (parafollikelcellen) van de schildklier,
en wat is de voornaamste fysiologische werking hiervan bij de mens?
A) Parathormoon (PTH); verhoogt de calciumspiegel in het bloed door stimulatie van osteoclasten.
B) Calcitonine; verlaagt de calciumspiegel door remming van osteoclasten, hoewel de fysiologische
rol bij de mens beperkt is.
C) Calcitriol (actieve vitamine D); verhoogt de calciumopname in de darmen.
D) Thyreoglobuline; fungeert als transporteiwit voor schildklierhormonen in het bloed.
Vraag 5: In het bloed circuleert schildklierhormoon grotendeels gebonden aan transporteiwitten.
Welk transporteiwit bindt het grootste deel van de circulerende hormonen, en welk deel is biologisch
actief?
A) Albumine bindt het grootste deel; alleen het aan albumine gebonden deel is actief.
B) Transthyretine bindt het grootste deel; zowel het gebonden als het vrije deel is actief.
C) Thyroxine-Bindend Globuline (TBG) bindt het grootste deel; alleen het vrije schildklierhormoon
(fT4/fT3) is biologisch actief.
Premium Studiebegeleiding | Pagina 2
, Oefentoets: Schildklier-as & Calciumhuishouding — HBO+ Niveau
D) Globuline bindt het grootste deel; alleen het aan TBG gebonden hormoon kan de celkern
binnendringen.
Vraag 6: Hoe wordt de lokale biologische activiteit van schildklierhormoon in perifere weefsels
gereguleerd?
A) Door de lokale uitscheiding van TSH door de weefselcellen zelf.
B) Door de activiteit van enzymen genaamd dejodinasen, die T4 kunnen omzetten in het actieve T3
of het inactieve rT3 (reverse T3).
C) Door de lokale pH-waarde, die de binding van T4 aan TBG beïnvloedt.
D) Door de directe uitscheiding van extra jodium door de nieren op weefselniveau.
Vraag 7: Op welke wijze stimuleert het biologisch actieve schildklierhormoon T3 de basale
stofwisseling (BMR) op cellulair niveau?
A) T3 bindt aan receptoren in de celkern en stimuleert onder andere de zuurstofconsumptie,
warmteproductie en de activiteit van de Na+/K+-pomp.
B) T3 remt de mitochondriale ATP-synthese om warmte te genereren via rillingen.
C) T3 verlaagt de vetzuurafgifte vanuit vetcellen om energie te besparen.
D) T3 bindt aan membraanreceptoren en vertraagt de koolhydraatabsorptie in de dunne darm.
Vraag 8: Schildklierhormoon is essentieel voor een normale groei en weefselontwikkeling. Welke van
de onderstaande stellingen beschrijft de rol van T3 bij de groei correct?
A) T3 remt de afgifte van groeihormoon (GH) om overmatige lengtegroei te voorkomen.
B) T3 stimuleert de botombouw door uitsluitend osteoclasten te remmen.
C) T3 is vereist voor de normale productie van groeihormoon door de hypofysevoorkwab en heeft
directe effecten op de botgroei.
D) T3 vervangt de rol van groeihormoon volledig op volwassen leeftijd.
Vraag 9: Welke invloed heeft het actieve schildklierhormoon T3 op het hart- en vaatstelsel?
A) T3 verlaagt de gevoeligheid voor adrenaline, waardoor de hartslag en contractiliteit dalen om
energie te sparen.
B) T3 verhoogt het aantal bèta-receptoren in het hart en de gevoeligheid voor catecholamines, wat
leidt tot een stijging van de hartslag, contractiliteit en bloeddruk.
C) T3 blokkeert de calciumkanalen in het myocard, wat de bloeddruk fysiologisch verlaagt.
D) T3 heeft uitsluitend een indirect effect op het hart via de nieren door de vochtuitscheiding te
remmen.
Vraag 10: De hypothalamo-hypofysaire schildklier-as reguleert de hormoonproductie. Welke
beschrijving van de stimulerende stappen binnen deze as is juist?
Premium Studiebegeleiding | Pagina 3