, 55 veel voorkomende tentamenvragen – alle antwoorden apart einde
15 open
Hoofdstuk 1 – Terreinverkenning
Vraag 1
Leg uit wat onder een rechtsregel wordt verstaan en waarom rechtsregels noodzakelijk zijn voor het
functioneren van de samenleving. Geef daarbij aan wat het verschil is tussen een rechtsregel en een
sociale norm.
Vraag 2
Beschrijf de belangrijkste rechtsbronnen van het Nederlandse recht. Leg uit welke rol wet, verdrag,
jurisprudentie en gewoonte spelen bij het vinden van het geldende recht.
Vraag 3
Leg het verschil uit tussen materieel recht en formeel recht. Geef van beide begrippen een concreet
voorbeeld en leg uit waarom het onderscheid juridisch relevant is.
Vraag 4
Wat is het verschil tussen dwingend recht en aanvullend recht? Leg uit waarom partijen bij aanvullend
recht wel van de wettelijke regeling mogen afwijken, maar bij dwingend recht niet zomaar.
Vraag 5
Leg het verschil uit tussen privaatrecht en publiekrecht. Bespreek vervolgens hoe je in een
praktijksituatie kunt bepalen welk van deze rechtsgebieden van toepassing is.
Hoofdstuk 2 – Verbintenissenrecht: de overeenkomst
Vraag 6
Leg uit wanneer juridisch sprake is van een overeenkomst. Bespreek de betekenis van aanbod en
aanvaarding en leg uit wanneer door deze handelingen een overeenkomst tot stand komt.
Vraag 7
Een consument zegt tijdens een gesprek tegen een verkoper: "Als je die auto voor € 8.000 wilt
verkopen, koop ik hem." De verkoper reageert: "Akkoord." Leg uit welke juridische vragen moeten
worden onderzocht om te bepalen of een geldige overeenkomst tot stand is gekomen.
Vraag 8
Leg uit wat wordt bedoeld met een wilsgebrek. Bespreek vervolgens het verschil tussen een situatie
waarin de wil niet overeenkomt met de verklaring en een situatie waarin de wil gebrekkig tot stand is
gekomen.
Vraag 9
Leg uit welke rol redelijkheid en billijkheid kunnen spelen bij de inhoud en uitvoering van een
overeenkomst. Waarom is de tekst van een overeenkomst niet altijd het enige waarmee rekening
wordt gehouden?