MD-K 2.15: Seksuologie en
Ver loskun de
Biopsychosociale aspecten van seksualiteit, responsmodellen en klinische begeleiding
voor en tijdens de zwangerschap
1. Het Bio-Psycho-Sociaal-Cultur eel Model van
Seksualiteit
Seksualiteit is een fundamenteel aspect van de kwaliteit van leven en de partnerrelatie. Binnen de
moderne verloskunde en seksuologie wordt seksualiteit niet louter benaderd als een mechanische of
reproductieve handeling, maar als een complex, dynamisch samenspel van biologische, psychologische
en sociale (inclusief culturele en relationele) dimensies. Dit wordt het Bio-Psycho-Sociaal-Cultureel
(BPSC) model genoemd. Het begrijpen van de onderlinge afhankelijkheid van deze vier dimensies stelt
de eerstelijns verloskundige in staat om seksuele klachten correct te diagnosticeren, te counselen en zo
nodig gericht te verwijzen.
Biologische aspecten: Dit omvat de anatomische structuren van de genitaliën en de bekkenbodem,
de complexe neurologische banen (prikkelverwerking via het ruggenmerg en de hersenen) en het
endocriene systeem. Hormonen zoals oestrogenen (essentieel voor de vaginale elasticiteit en
lubricatie), testosteron (belangrijk voor de libido, energie en opwindingsgevoeligheid) en oxytocine
(de regisseur van orgasmes en binding) vormen het biologische fundament. Tijdens de
zwangerschap verandert de seksuele fysiologie drastisch door een enorme bekkenhyperemie
(toegenomen doorbloeding).
Psychologische aspecten: Dit betreft de individuele cognitieve verwerking en emotionele
waardering van seksuele prikkels. Seksuele motivatie, gedachten (zoals faalangst, schuldgevoelens
of negatieve overtuigingen over wat 'hoort'), zelfvertrouwen, stemming (depressie of angst) en het
subjectieve lichaamsbeeld (body image) bepalen of een fysieke prikkel daadwerkelijk als opwindend
of juist als bedreigend wordt ervaren.
Sociale en relationele aspecten: De kwaliteit en stabiliteit van de partnerrelatie zijn de sterkste
voorspellers voor seksuele tevredenheid tijdens de zwangerschap en postpartum. Open seksuele
communicatie, gedeelde verwachtingen, affectie, intimiteit en het vermogen om de seksuele routine
aan te passen aan de veranderende fysieke omstandigheden zijn cruciaal. Ook de overgang van de
partnerrol naar de ouderrol introduceert existentiële relationele verschuivingen.
Culturele en religieuze aspecten: Socioculturele normen, religieuze dogma's en maatschappelijke
taboes bepalen in sterke mate hoe seksualiteit wordt beleefd. In sommige culturen wordt
geslachtsgemeenschap tijdens de zwangerschap als schadelijk of 'onrein' beschouwd. Cultuur
prebepaalt ook de mate van schaamte en de bereidheid van een cliënte om seksuele zorgen of
pijnklachten met een verloskundige te bespreken.
Pagina 1
, MD-K 2.15: Seksuologie in de Verloskundige Praktijk — Studiegids
Klinische Nuance: Het beantwoorden van de 'niet-gestelde vragen'
Onderzoek toont aan dat veel zwangere vrouwen en hun partners vragen en zorgen hebben over seksualiteit,
maar deze uit schaamte of angst voor veroordeling zelden uit zichzelf durven te stellen. Het is de professionele
verantwoordelijkheid van de verloskundige om de 'niet-gestelde vragen' proactief te beantwoorden. Door
seksualiteit als een normaal, fysiologisch onderwerp te bespreken (vergelijkbaar met voeding of slaap), wordt
het taboe doorbroken en krijgt de cliënte de ruimte om eventuele dysfuncties of zorgen tijdig te delen.
2. Seksuele Responscycli: Lineair ver sus het Cir culair e
Model van B asson
In de medische geschiedenis werd de seksuele reactie van de mens decennialang beschreven aan de
hand van het klassieke, lineaire model van Masters en Johnson (1966). Dit model veronderstelt een
vaste opeenvolging van opeenvolgende fasen: verlangen (desire), opwinding (excitement), plateau,
orgasme en herstel/relaxatie (resolution). Hoewel dit model fysiologisch correct is voor de mannelijke
respons en een deel van de vrouwen, schiet het tekort voor het verklaren van de vrouwelijke
seksualiteit, met name in stabiele relaties en tijdens levensfases zoals zwangerschap en lactatie.
Om deze beperkingen te overbruggen, introduceerde Rosemary Basson (2001) het Circulaire Seksuele-
Responsmodel aangevuld met het incentive motivation-model. Dit model stelt dat seksueel verlangen
niet altijd spontaan ontstaat, maar vaak het resultaat is van seksuele opwinding binnen een veilige en
belonende context. Het circulaire model verloopt via specifieke fysiologische en cognitieve stappen:
Seksueel Neutrale Uitgangssituatie: Een vrouw start vaak vanuit een neutrale gemoedstoestand,
waarin geen actieve of spontane zin in seks aanwezig is. Zij staat echter wel open (is ontvankelijk)
voor intimiteit en verbondenheid.
Seksuele Stimuli: De blootstelling aan adequate, kwalitatieve seksuele prikkels (fantasieën,
aanraking, strelingen, erotische sfeer) activeert het seksuele systeem.
Cognitieve Waardering en Verwerking: De hersenen moeten de prikkel actief interpreteren en als
seksueel opwindend valideren. Dit hangt sterk samen met een comfortabele context en de
afwezigheid van storende gedachten (zoals angst voor pijn of vermoeidheid).
Seksuele Opwinding en Verlangen: Door de positieve waardering ontstaat er lichamelijke
opwinding (zwelling, lubricatie) en valt dit samen met een bewust seksueel verlangen. Opwinding en
verlangen versterken elkaar in deze fase.
Emotionele en Fysieke Bevrediging (Leereffect): De ervaring leidt tot een positieve fysiologische en
emotionele beloning (orgasme, diepe intimiteit, verbondenheid). Dit versterkt de toekomstige
motivatie (incentive motivation) om opnieuw seksueel actief te zijn. Bij negatieve ervaringen (zoals
pijn door dyspareunie) treedt een negatief leereffect op, wat leidt tot een vicieuze cirkel van
vermijding.
Tabel 1: Vergelijking tussen de klassieke lineaire en de circulaire responscyclus
Pagina 2