MD-K 2.14: Bloedgroep, Rhesus en IEA
Erytrocytenimmunisatie en het Beleid binnen het PSIE-Programma
1. Het AB0-Bloedgroepsysteem en Overerving
Het bekendste bloedgroepsysteem is het AB0-systeem, ontdekt door Karl Landsteiner. Dit systeem
is gebaseerd op de aanwezigheid of afwezigheid van specifieke glycolipide-ketens op het
plasmamembraan van de erytrocyt: de antigenen A en B. Het al dan niet tot expressie brengen van
deze antigenen bepaalt de bloedgroep (A, B, AB of 0).
De overerving van het AB0-systeem verloopt via co-dominante en recessieve allelen op één enkel
gen (het ABO-gen op locus 9q34). Het allel A (IA) en het allel B (IB) zijn co-dominant ten opzichte
van elkaar, terwijl het allel 0 (i) volledig recessief is. Dit resulteert in de volgende fysiologische
combinaties:
Bloedgroep A: Genotypen IAIA (homozygoot) of IAi (heterozygoot). Bezit antigeen A op de
erytrocyten.
Bloedgroep B: Genotypen IBIB (homozygoot) of IBi (heterozygoot). Bezit antigeen B op de
erytrocyten.
Bloedgroep AB: Genotype IAIB (heterozygoot). Bezit zowel antigeen A als antigeen B op de
erytrocyten.
Bloedgroep 0: Genotype ii (homozygoot recessief). Bezit noch antigeen A, noch antigeen B op
de erytrocyten.
Een uniek kenmerk van het AB0-systeem is de aanwezigheid van regulaire erytrocyten
antistoffen. Dit zijn natuurlijke antistoffen die gedurende de eerste levensmaanden spontaan in het
plasma worden gevormd tegen de antigenen die het individu zélf mist (door blootstelling aan
omgevingsbacteriën met gelijkaardige suikergroepen). Iemand met bloedgroep A heeft anti-B
antistoffen; iemand met bloedgroep 0 heeft zowel anti-A als anti-B antistoffen.
2. Antistoffen in de Hematologie: IgG versus IgM
Bij bloedgroepantagonisme en erytrocytenimmunisatie is het onderscheid tussen de verschillende
immunoglobulineklassen (IgG en IgM) van cruciaal fysiologisch belang:
● IgM-antistoffen: Dit zijn grote, pentamere macromoleculen (opgebouwd uit 5 basiseenheden). De
natuurlijke regulaire AB0-antistoffen (zoals anti-A en anti-B) behoren primair tot de IgM-klasse.
Vanwege hun enorme omvang kunnen IgM-antistoffen de placentabarrière niet passeren.
Hierdoor leidt AB0-incompatibiliteit tussen moeder en foetus (bijvoorbeeld een moeder met
bloedgroep A en een foetus met bloedgroep B) fysiologisch zelden tot intra-uteriene hemolyse of
foetale anemie.
● IgG-antistoffen: Dit zijn relatief kleine, monomere immunoglobulinen. Antistoffen gevormd na
actieve immunisatie tegen vreemde bloedgroepantigenen (zoals Rhesus of Kell) behoren tot de IgG-
klasse. IgG-antistoffen worden vanaf circa week 16 actief getransporteerd over de placenta met
behulp van specifieke neonatale Fc-receptoren (FcRn) in de syncytiotrofoblast. Zij kunnen derhalve
Pagina 1
, MD-K 2.14: Bloedgroep, rhesus en IEA — Academische Samenvatting
rechtstreeks de foetale circulatie binnendringen, binden aan de foetale erytrocyten en deze
afbreken.
Eigenschap IgG (Monomer) IgM (Pentamer)
Structuur & Formaat Monomeer (~150 kDa); klein Pentameer (~900 kDa); zeer
groot
Placentapassage Ja (actief transport via FcRn) Nee (te groot om te passeren)
Oorsprong in Bloed Na actieve Natuurlijke regulaire AB0-
bloedgroepimmunisatie antistoffen
Klinisch Risico Foetus Zeer hoog (veroorzaakt Verwaarloosbaar (geen foetale
IEA/hemolyse) afbraak)
3. Irregulaire Erytrocyten Antistoffen (IEA) en
Bloedgroepantagonisme
Naast de natuurlijke regulaire AB0-antistoffen kunnen in het plasma Irregulaire Erytrocyten
Antistoffen (IEA) aanwezig zijn. Dit zijn antistoffen die uitsluitend worden gevormd na een eerdere
blootstelling aan niet-eigen bloedgroepantigenen. Dit proces van antistofvorming heet
bloedgroepimmunisatie of sensibilisatie en vindt fysiologisch plaats via twee routes:
1. Bloedtransfusie: Transfusie met antigeen-incompatibel bloed (klinisch geminimaliseerd door
screening vooraf).
2. Foetomaternale Transfusie (FMT): Het oversteken van foetale erytrocyten over de
placentabarrière in de moederlijke bloedsomloop. Dit gebeurt met name tijdens de baring, maar kan
ook optreden na een miskraam, trauma, invasieve diagnostiek (vlokkentest/vruchtwaterpunctie) of
een versie bij stuitligging.
Wanneer een antigeen-negatieve moeder (bijv. RhD-negatief) foetale antigeen-positieve cellen
(RhD-positief) ontmoet, herkent haar immuunsysteem deze vreemde eiwitten en start een
immuunrespons. Bij de eerste blootstelling (meestal tijdens de baring van de eerste
zwangerschap) is deze respons traag (voornamelijk IgM). Bij een volgende zwangerschap van een
antigeen-positief kind treedt er echter een krachtige, secundaire IgG-respons op. De maternale IgG-
antistoffen passeren de placenta en breken de foetale erytrocyten af: dit is de definitie van
bloedgroepantagonisme of de foetale/neonatale hemolytische ziekte (HZKP).
★ DE BIJZONDERE STATUS VAN KELL (ANTI-K)
Immunogeniteit is de mate waarin een specifiek vreemd antigeen in staat is een immuunrespons op
te wekken. De antigenen Kell (K) en Rhesus D (D) bezitten de hoogste immunogeniteit.
Anti-Kell (anti-K) is klinisch extreem berucht: in tegenstelling tot andere IEA breekt anti-K niet alleen
Pagina 2