STUDIEGIDS MD-K 2.12: MEDICATIE &
FARMACOLOGIE
Volledige Fysiologische en Klinische Samenvatting voor de Geboortezorg
Inclusief Farmacokinetiek, Zelfzorgmedicatie en Richtlijnen voor het Voorschrijven
Het toedienen van geneesmiddelen tijdens de zwangerschap en de kraamperiode vereist een uiterst
zorgvuldige afweging tussen het maternale behandelvoordeel en de foetale of neonatale risico's. De
zwangerschapsfysiologie introduceert ingrijpende farmacokinetische veranderingen die de
biologische beschikbaarheid, distributie en klaring van medicatie drastisch beïnvloeden. Deze
studiegids biedt een diepgaand academisch overzicht van de farmacologische principes, de meest
voorkomende zelfzorg- en receptgeneesmiddelen, en de wettelijke kaders voor het voorschrijven
van recepten binnen het verloskundig deskundigheidsgebied.
1. Algemene Farmacologische Principes
De farmacologie bestudeert de wisselwerking tussen geneesmiddelen en biologische systemen. Dit
vakgebied wordt fundamenteel onderverdeeld in twee disciplines:
Farmacokinetiek: Wat het lichaam doet met het geneesmiddel. Dit omvat de processen
absorptie, distributie, metabolisme (biotransformatie) en excretie (eliminatie), ook wel afgekort
als ADME. Het beschrijft de concentratieveranderingen van de actieve stof in de tijd.
Farmacodynamiek: Wat het geneesmiddel doet met het lichaam. Dit beschrijft het
werkingsmechanisme, de receptorbinding, de signaaltransductie cascades en de daaruit
voortvloeiende fysiologische en therapeutische effecten (of bijwerkingen).
1.1 De ADME-processen op Biochemisch Niveau
De ADME-processen bepalen de plasmaconcentratie van een geneesmiddel en zijn therapeutische
effectiviteit:
Absorptie (Opname): Het proces waarbij een geneesmiddel vanaf de plaats van toediening in
de systemische bloedsomloop terechtkomt. Voordat een vaste orale toedieningsvorm (zoals een
tablet) geabsorbeerd kan worden, moet deze eerst in kleinere deeltjes uiteenvallen
(desintegratie) en vervolgens oplossen in de gastro-intestinale vloeistoffen (dissolutie). Alleen
opgeloste moleculen kunnen de darmwand passeren.
Distributie (Verdeling): Het transport van het geabsorbeerde geneesmiddel via het bloed naar
de verschillende weefsels en organen. De verdeling is sterk afhankelijk van de mate van
eiwitbinding. In het plasma reizen veel geneesmiddelen gebonden aan plasma-eiwitten (vooral
albumine). Alleen de ongebonden fractie, de vrije fractie, is biologisch actief, kan membranen
passeren, de receptor bereiken en worden geklaard. De passage naar het centrale zenuwstelsel
wordt beschermd door de bloed-hersenbarrière, een barrière van hechte
endotheelverbindingen (tight junctions) die alleen passief passeerbaar is voor stoffen met een
Pagina 1
, MD-K 2.12: Farmacologie & Medicatie in de Zwangerschap
laag molecuulgewicht, een hoge vetoplosbaarheid en een gunstige zuurconstante (pKa)
(ongeladen vorm).
Metabolisme (Biotransformatie): De chemische omzetting van het geneesmiddel door
enzymen (vooral in de lever) met als primair doel de stof wateroplosbaarder (hydrofieler) te
maken zodat deze makkelijker door de nieren kan worden uitgescheiden. Biotransformatie
verloopt in twee fasen:
• Fase I-reacties (Functionalisering): Oxidatie, reductie of hydrolyse, hoofdzakelijk
gekatalyseerd door het cytochroom P450 (CYP450) enzymsysteem in het endoplasmatisch
reticulum van hepatocyten. Dit introduceert of onthult een polaire functionele groep (bijv. -OH, -
NH2, -COOH).
• Fase II-reacties (Conjugatie): Covalente koppeling van een endogeen hydrofiel molecuul
(zoals glucuronzuur, sulfaat of acetaat) aan de functionele groep, gekatalyseerd door
transferase-enzymen (bijv. UDP-glucuronosyltransferasen). Dit deactiveert het geneesmiddel
vrijwel altijd en maakt het extreem hydrofiel.
Excretie (Uitscheiding): De definitieve eliminatie van het geneesmiddel of zijn metabolieten uit
het lichaam. Dit vindt primair renaal plaats via glomerulaire filtratie, actieve tubulaire secretie en
passieve tubulaire reabsorptie, of biliair via de feces.
1.2 Toedieningsvormen en Systemische vs. Lokale Effecten
De toedieningsweg bepaalt de snelheid van de absorptie en de mate waarin een geneesmiddel de
rest van het lichaam bereikt:
Systemische toediening: Het geneesmiddel treedt de bloedbaan binnen en verdeelt zich over het
gehele lichaam. Dit kan via twee routes:
• Enteraal (via het maag-darmkanaal): Inclusief oraal (inslikken, waarbij de stof via de vena porta
de lever passeert en onderhevig is aan het first-pass-effect), sublinguaal (onder de tong; snelle
absorptie via het mondslijmvlies direct in de systemische circulatie, waardoor het first-pass-effect
volledig wordt omzeild) en rectaal (zetpil; deels via de onderste rectale aderen die de lever
omzeilen, nuttig bij misselijkheid en braken).
• Parenteraal (buiten het maag-darmkanaal om): Inclusief intraveneus (IV, directe 100%
biologische beschikbaarheid), intramusculair (IM, injectie in spierweefsel, snelle en stabiele
absorptie), subcutaan (SC, injectie onder de huid, tragere absorptie), nasaal (via het neusslijmvlies,
kan zowel systemisch als lokaal werken) en transdermaal (via de huid met een pleister, voor
continue en trage systemische afgifte).
Lokale toediening: Het geneesmiddel wordt direct aangebracht op de plek waar de werking
gewenst is (bijv. oogdruppels, inhalatie-astmamedicatie, of cutane crèmes). Dit minimaliseert de
systemische plasmaconcentratie en verlaagt daardoor de kans op systemische bijwerkingen bij
zowel moeder als foetus drastisch.
1.3 Kinetische Parameters en de Therapeutische Breedte
Voor een veilig en effectief medicatiebeleid moet de klinische werking worden geëvalueerd aan de
hand van specifieke parameters:
Biologische beschikbaarheid (F): De fractie van de toegediende dosis die onveranderd de
systemische circulatie bereikt. Bij IV-toediening is F = 1 (100%). Bij orale toediening is F vaak
veel lager door incomplete absorptie in de darm of metabolisering in de darmwand en de lever
tijdens de eerste passage (first pass-effect).
Pagina 2