,Oefentoets NCOI Toegepaste Psychologie 2026
Alle antwoorden apart einde
15 open vragen
Hoofdstuk 1 – Basis van de toegepaste psychologie
Vraag 1
Leg uit wat onder toegepaste psychologie wordt verstaan. Beschrijf daarnaast het verschil tussen
toegepaste psychologie en theoretische psychologie.
Vraag 2
Leg uit wat het verschil is tussen gedrag, cognitie en emotie. Geef van ieder begrip een concreet
voorbeeld uit een dagelijkse of professionele situatie.
Vraag 3
Wat wordt bedoeld met het nature-nurturedebat? Leg uit waarom hedendaagse psychologen meestal
uitgaan van een wisselwerking tussen erfelijke aanleg en omgeving.
Vraag 4
Leg het verschil uit tussen een onafhankelijke variabele en een afhankelijke variabele in
psychologisch onderzoek. Geef hierbij een voorbeeld van een onderzoek naar stress en prestaties.
Vraag 5
Beschrijf het verschil tussen betrouwbaarheid en validiteit van een psychologische meting. Waarom
zijn beide belangrijk wanneer een psycholoog conclusies trekt uit onderzoeksgegevens?
Hoofdstuk 2 – Ontwikkelingspsychologie en sociaal gedrag
Vraag 6
Beschrijf de belangrijkste kenmerken van de cognitieve ontwikkeling volgens Piaget. Noem de vier
ontwikkelingsstadia en geef per stadium een belangrijk kenmerk.
Vraag 7
Leg uit wat Erikson bedoelt met psychosociale ontwikkeling. Kies twee levensfasen en beschrijf welke
psychosociale ontwikkelingstaak volgens Erikson centraal staat.
Vraag 8
Wat wordt verstaan onder hechting? Leg het verschil uit tussen veilige en onveilige hechting en
beschrijf mogelijke gevolgen voor het latere sociale functioneren.
Vraag 9
Leg uit wat sociale beïnvloeding betekent. Bespreek het verschil tussen conformiteit en
gehoorzaamheid en geef van beide een voorbeeld.
Vraag 10
Een student merkt dat hij tijdens een groepsopdracht nauwelijks zijn mening geeft omdat de andere
groepsleden allemaal een andere mening hebben. Leg met behulp van een psychologisch begrip uit
waarom dit gedrag kan ontstaan.
, Hoofdstuk 3 – Persoonlijkheid, motivatie en toepassing
Vraag 11
Leg uit wat onder persoonlijkheid wordt verstaan. Beschrijf daarnaast de vijf
persoonlijkheidsdimensies van het Big Five-model.
Vraag 12
Wat is motivatie? Leg het verschil uit tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie en geef van beide een
voorbeeld uit een werksituatie.
Vraag 13
Een medewerker stelt belangrijke taken steeds uit, ondanks het feit dat hij weet dat de taken
noodzakelijk zijn. Beschrijf twee mogelijke psychologische verklaringen voor dit gedrag en leg uit hoe
de medewerker hiermee zou kunnen omgaan.
Vraag 14
Leg uit wat cognitieve dissonantie betekent. Geef een concreet voorbeeld en beschrijf hoe iemand de
spanning die door cognitieve dissonantie ontstaat kan verminderen.
Vraag 15
Een leidinggevende merkt dat een medewerker zich de laatste maanden terugtrekt, minder initiatief
toont en slechter presteert. Beschrijf hoe je vanuit de toegepaste psychologie systematisch zou
kunnen onderzoeken welke factoren hierbij een rol spelen. Maak onderscheid tussen individuele
factoren en omgevingsfactoren.