OEFENTENTAMEN DWO
1. Het proces van opstellen Programma van Eisen kent een aantal fasen. In
welk antwoord staan de fasen in de juiste volgorde:
A. Relatiediagram / Wandenplan / Vlekkenplan / Inrichtingsplan / Meubileringplan
B. Relatiediagram / Vlekkenplan / Wandenplan / Inrichtingsplan /
Meubileringplan
C. Relatiediagram / Vlekkenplan / Wandenplan / Meubileringplan / Inrichtingsplan
D. Vlekkenplan / Wandenplan / Relatiediagram / Inrichtingsplan / Meubileringplan
2. Het Taylorisme ziet de werknemer met name als:
A. Losse eenlingen die slechts in actie komen wanneer je precies vertelt wat
ze moeten doen
B. Egoïsten die slechts handelen uit eigen belang
C. Een groep, die op zoek is naar veiligheid, zelfverwerkelijking en zelfontplooiing
D. Sociale wezens die beter presteren naarmate zij meer worden gewaardeerd
3. Het cellenkantoor als inrichtingsconcept heeft een aantal kenmerken.
Welk kenmerk is ONJUIST?
A. De werkplek is geschikt voor formele communicatie
B. De werkplek is statusgevoelig
C. De beïnvloedbaarheid van de werkplek is groot
D. De indelingsvrijheid van werkplekken is groot
4. In een Programma van Eisen ten behoeve een nieuwbouwproject worden
onder andere de volgende zaken vastgelegd:
A. In een PvE staan de eisen die aan het projectplan worden gesteld
B. In een PvE zijn de eisen van de toekomstige gebruiker vastgelegd
C. Een PvE geeft duidelijkheid over het toekomstige primaire proces
D. Het inrichtingsplan is een onderdeel van het PvE
5. Stelling 1.
In een vlekkenplan wordt globaal vastgelegd hoeveel ruimte een afdeling
krijgt toegewezen
Stelling 2.
Een meubileringsplan bevat losse inventaris zoals vuilnisbakken,
planten en kunst
A. Stelling 1 is juist, stelling 2 is onjuist
B. Stelling 2 is juist, stelling 1 is onjuist
C. Beide stellingen zijn juist
D. Beide stellingen zijn onjuist
6. Het Nieuwe Werken levert voor- en nadelen op. Het Nieuwe Werken heeft
als voordeel:
A. Er zijn meer notebooks
B. Er zijn minder afspraken nodig voor onderling overleg
C. Minder m2 per persoon nodig
D. Er is meer verantwoordelijkheid bij leidinggevenden
, 7. De bezettingsgraad geeft inzicht in:
A. Inzicht in piekbezetting
B. Inzicht in ruimtegebruik
C. Inzicht in de gemiddelde bezetting
D. Alle antwoorden zijn goed
Bestudeer onderstaande figuur (de volgende vraag heeft betrekking op deze
figuur):
VELD 3 VELD 4
toenemende interactie
VELD 1 VELD 2
toenemende autonomie
8. Hoe kunnen werkzaamheden die kunnen worden ondergebracht in VELD
4 worden getypeerd:
A. Transactioneel kenniswerk
B. Individuele processen
C. Geconcentreerd werk
D. Groepsprocessen
9. Er zijn veel verschillende redenen voor organisaties om Het Nieuwe
Werken in te voeren. Welk antwoord is ONJUIST?
A. Er wordt meer in projecten gewerkt
B. Toenemende welvaart maakt balans tussen werk en privé belangrijk
C. Betrokkenheid van medewerkers verbeteren
D. Overvloed van aanbod op de arbeidsmarkt
10. Hoe wordt de verticale basisvariant voor zonering van dynamische en
rustige gebieden in kantoorgebouwen genoemd?
A. De Engelse drop-variant
B. De suikerspin-variant
C. Dynamisch zoneringsvariant
D. Activity based zonering
1. Het proces van opstellen Programma van Eisen kent een aantal fasen. In
welk antwoord staan de fasen in de juiste volgorde:
A. Relatiediagram / Wandenplan / Vlekkenplan / Inrichtingsplan / Meubileringplan
B. Relatiediagram / Vlekkenplan / Wandenplan / Inrichtingsplan /
Meubileringplan
C. Relatiediagram / Vlekkenplan / Wandenplan / Meubileringplan / Inrichtingsplan
D. Vlekkenplan / Wandenplan / Relatiediagram / Inrichtingsplan / Meubileringplan
2. Het Taylorisme ziet de werknemer met name als:
A. Losse eenlingen die slechts in actie komen wanneer je precies vertelt wat
ze moeten doen
B. Egoïsten die slechts handelen uit eigen belang
C. Een groep, die op zoek is naar veiligheid, zelfverwerkelijking en zelfontplooiing
D. Sociale wezens die beter presteren naarmate zij meer worden gewaardeerd
3. Het cellenkantoor als inrichtingsconcept heeft een aantal kenmerken.
Welk kenmerk is ONJUIST?
A. De werkplek is geschikt voor formele communicatie
B. De werkplek is statusgevoelig
C. De beïnvloedbaarheid van de werkplek is groot
D. De indelingsvrijheid van werkplekken is groot
4. In een Programma van Eisen ten behoeve een nieuwbouwproject worden
onder andere de volgende zaken vastgelegd:
A. In een PvE staan de eisen die aan het projectplan worden gesteld
B. In een PvE zijn de eisen van de toekomstige gebruiker vastgelegd
C. Een PvE geeft duidelijkheid over het toekomstige primaire proces
D. Het inrichtingsplan is een onderdeel van het PvE
5. Stelling 1.
In een vlekkenplan wordt globaal vastgelegd hoeveel ruimte een afdeling
krijgt toegewezen
Stelling 2.
Een meubileringsplan bevat losse inventaris zoals vuilnisbakken,
planten en kunst
A. Stelling 1 is juist, stelling 2 is onjuist
B. Stelling 2 is juist, stelling 1 is onjuist
C. Beide stellingen zijn juist
D. Beide stellingen zijn onjuist
6. Het Nieuwe Werken levert voor- en nadelen op. Het Nieuwe Werken heeft
als voordeel:
A. Er zijn meer notebooks
B. Er zijn minder afspraken nodig voor onderling overleg
C. Minder m2 per persoon nodig
D. Er is meer verantwoordelijkheid bij leidinggevenden
, 7. De bezettingsgraad geeft inzicht in:
A. Inzicht in piekbezetting
B. Inzicht in ruimtegebruik
C. Inzicht in de gemiddelde bezetting
D. Alle antwoorden zijn goed
Bestudeer onderstaande figuur (de volgende vraag heeft betrekking op deze
figuur):
VELD 3 VELD 4
toenemende interactie
VELD 1 VELD 2
toenemende autonomie
8. Hoe kunnen werkzaamheden die kunnen worden ondergebracht in VELD
4 worden getypeerd:
A. Transactioneel kenniswerk
B. Individuele processen
C. Geconcentreerd werk
D. Groepsprocessen
9. Er zijn veel verschillende redenen voor organisaties om Het Nieuwe
Werken in te voeren. Welk antwoord is ONJUIST?
A. Er wordt meer in projecten gewerkt
B. Toenemende welvaart maakt balans tussen werk en privé belangrijk
C. Betrokkenheid van medewerkers verbeteren
D. Overvloed van aanbod op de arbeidsmarkt
10. Hoe wordt de verticale basisvariant voor zonering van dynamische en
rustige gebieden in kantoorgebouwen genoemd?
A. De Engelse drop-variant
B. De suikerspin-variant
C. Dynamisch zoneringsvariant
D. Activity based zonering