• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 47 pagina's
Arresten

Arresten Strafrecht | Bachelor jaar 3 | Maastricht University | 2025/26

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 47 pagina's

Deze jurisprudentiebundel bevat belangrijke arresten uit de Maastricht University Strafrecht, gericht op strafbare poging en voorbereiding (Week 1). Het document behandelt vier kernuitspraken van de Hoge Raad: de heroïnezaak (2001) over zelfstandig karakter van voorbereidingshandelingen, de hennepteeltpoging (2009) over begin van uitvoering, de bestemming-zaak (2018) over criminele intentie bij voorbereiding, en de cocaïneinvoer (2023) over concrete nabijheid tot voltooiing. Dit is essentieel studiemateriaal voor het begrijpen van de rechtsgrondslagen van poging en voorbereiding in het Nederlands strafrecht, met uitgewerkte rechtsregels en casusanalyses ideaal voor examenvoorbereiding.

Voorbeeld van de inhoud

Arresten c&v en systeem

Week 1; strafbare poging en voorbereiding

HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0494 (Inbeslaggenomen heroïne)

Verdachte in 1998 door het hof van Arnhem veroordeeld voor; het medeplegen (feit art 10 lid 4 Ow),
voorbereiden en bevorderen, en deelnemen aan een organisatie die als doel heeft; het plegen van
misdrijven. Hij werd vrijgesproken voor tenlastelegging; voorbereiden misdrijf  art 10 lid 3 en 4
Ow. Er was onvoldoende bewijs.

Rechtsregel; Het hof heeft blijk gegeven aan een te beperkte/onjuiste rechtsopvatting door te stellen
dat aan de voorbereidingshandelingen geen zelfstandig karakter toekomt nu het misdrijf waarop
deze voorbereidingshandelingen gericht waren niet meer voltooid kan worden.


• HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3566 (Poging hennepteelt)

Het arrest poging Hennepteelt gaat over het strafrechtelijk concept poging. In casu draait het om de
vraag of er sprake is van een strafbare poging tot hennepteelt.

Rechtsregel;
Er is pas sprake van een strafbare poging als een (samenstel van) gedragingen naar zijn/hun
uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het
misdrijf. Als de politie dus een woning binnenvalt, en daar een hennepkwekerij in opbouw aantreft,
zonder de aanwezigheid van planten, kan dit geen poging tot het kweken van hennep opleveren.
Alleen voorbereiding.

Inhoud;
De politie valt een woning binnen waar een ruimte wordt aangetroffen die volledig is ingericht voor
de kweek van hennepplanten. Zo zijn er onder andere een kweekbak, afzuiginstallatie, ventilator en
meerdere assimilatieplanten te vinden. In de woning is echter geen kweekmateriaal (“planten”)
gevonden.

Het hof stelt dat er geen sprake was van een begin van uitvoering van het telen, bereiden,
bewerken, verwerken en aanwezig hebben van hennep. Een ruimte die speciaal is ingericht voor
hennepteelt vormt op zichzelf niet een gedraging die naar haar uiterlijke verschijningsvorm gericht is
op de voltooiing van een misdrijf (in casu dus hennepteelt).

Volgens de Hoge Raad is er dus geen sprake van een onjuiste rechtsopvatting van het hof. In casu is
het voor handen hebben van een kweekruimte, waar verder geen activiteiten zijn gestart voor het
telen van hennep, onvoldoende voor een strafbare poging. Er zijn verder geen andere gedragingen
die gericht zijn op de voltooiing van hennepteelt. De Hoge Raad verwerpt derhalve het
cassatieberoep van de A-G.



• HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:328 (Bestemd tot) belangrijk

Feiten;
De zaak betrof iemand die in zijn kelder goederen had staan die bruikbaar zijn voor hennepkwekerij

,(zoals lampen, afzuigsysteem, potten met aarde). Er was geen daadwerkelijke hennep aangetroffen;
het ging om voorbereidingshandelingen. De rechter in lagere instantie had de verdachte veroordeeld
voor het hebben van die goederen met de opzet dat ze gebruikt zouden worden voor hennepteelt. In
cassatie stelde de verdediging dat de bewijsvoering omtrent de ‘bestemming’ van de goederen (dat
wil zeggen; dat ze bestemd waren voor hennepteelt) onvoldoende onderbouwd was.

Rechtsregel;
De kernvraag was; wanneer kan iemand worden veroordeeld voor strafbare voorbereiding op basis
van art 11a Ow, met name of de ‘bestemming’ van de goederen voldoende bewezen kan worden
(dat deze bestemd waren voor crimineel gebruik). De HR oordeelt dat naast de aanwezigheid van
bruikbare goederen ook bewezen moet zijn dat de verdachte wist of minstens ernstig had te
vermoeden dat die goederen bestemd waren voor de illegale activiteit (hier; hennepteelt). Met
andere woorden; criminele intentie is een vereiste. Alleen het feit dat de goederen kenmerkend zijn
voor kwekerijen is op zichzelf niet voldoende; er moet een verband zijn tussen de handelingen en de
doelstelling die de verdachte voor ogen had.

Gevolg;
De HR vernietigde het oordeel van zover het betrekking had op de tenlastelegging van de
‘bestemming’ en de strafoplegging. Het arrest bevestigd dat voor strafbare voorbereiding (bij de Ow
of in algemene zin) niet alleen de objectieve handelingen tellen, maar ook de subjectieve zijde
(intentie/kennis van de dader). Het legt de lat voor veroordeling van voorbereidend handeler hoger;
bewijs van enkel de uiterlijke feiten is niet toereikend als de bedoeling niet overtuigend kan worden
vastgesteld.


• HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:479 (Poging invoer cocaine)

Verdachte en medeplichtige trachtten 550 kg cocaïne Nederland binnen te brengen. Er waren
contacten gelegd met leveranciers en transporteurs, betalingen gedaan, lading stond klaar in de
haven van Caucedo (dominicaanse republiek). De lading werd onderschept vóórdat de cocaïne
fysieke Nederland binnenkwam. In lagere instanties vond het hof dat er al een ‘begin van uitvoering’
was ten aanzien van de invoer, en de veroordeelde verdachte voor poging.

De hoofdvraag was of de feiten zodanig concreet en nabij de voltooiing lagen dat er sprake was van
een begin van uitvoering van het misdrijf (invoer van cocaïne). Met andere woorden; waren de
gedragingen niet slechts voorbereidend, maar als gericht op de feitelijke voltooiing van invoer?

Uitspraak HR;
De HR oordeelt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat al sprake was van een begin van
uitvoering van de invoer. Volgens de HR waren de gedragingen – hoewel ver gevorderd – nog niet
dicht genoeg in tijd, plaats en richting tot de daadwerkelijke inbreng in Nederland om van een
concreet begin van uitvoering te spreken. De uitspraak werd terugverwezen naar het hof voor
herbeoordeling, met inachtneming van deze eis.

Belang;
Dit arrest benadrukt dat niet elke voorbereiding al een strafbare poging is, de daderhandelingen
moeten concreter gerelateerd zijn aan de voltooiing van het delict. Voor strafbare poging is niet
voldoende dat de plannen ver waren uitgewerkt; er moet een objectieve drempel worden

,overschreden waarin de uitvoering feitelijk begint. In vergelijkbare zaken (invoer, smokkel) moet dus
strikt worden getoetst of de gedragingen het karakter dragen van uitvoering in plaats van
voorbereiding.

• ECLI:NL:HR:1978:AC6373 (Cito)

In dit arrest heft de HR het criterium geformuleerd om de grens aan te geven tussen een
voorbereidingshandeling en een begin van uitvoering bij het plegen van een misdrijf. Bedenk wel dat
ten tijde van dit arrest, voorbereidingshandelingen nog niet strafbaar waren gesteld in ons Wetboek
van Strafrecht. Tegenwoordig kennen we art 46 Sr, dat stelt dat het voorbereiden van een misdrijf,
waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, strafbaar is.

Rechtsregel;
De vraag die centraal stond; is er in casu sprake van een begin van uitvoering of slechts van een
voorbereidingshandeling? De HR oordeelde, net als de rechtbank in eerste aanleg en het Hof in
hoger beroep, dat er sprake was van een begin van uitvoering. De HR formuleerde een nieuw
criterium, namelijk dat er sprake is van een begin van uitvoering indien de gedragingen naar haar
uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het
misdrijf.

Inhoud;
In deze zaak beraamden twee mannen een overval op uitzendbureau Cito in Amsterdam. Ze bellen
aan bij het uitzendbureau, nadat ze er redelijk zeker van waren dat een geldwagen geld had
afgegeven bij het uitzendbureau. De mannen hadden zich moeilijk herkenbaar gemaakt door
bromfietshelmen en sjaals te dragen. Een van de mannen heeft een geladen vuurwapen (pistool) en
de andere man een lege weekendtas. Beide mannen liepen naar de ingang en een van hen belde
aan. De overval slaagde niet omdat het personeel de deur weigerde te openen. De overvallers
werden ter plekke aangehouden door de politie.

De twee verdachten verweerden zich voor de rechter door te stellen dat hun daden bedoeld waren
als oefening voor een overval op een later tijdstip. Zij deden dit waarschijnlijk, omdat toen deze zaak
speelde, voorbereidingshandelingen niet strafbaar waren gesteld

De raadsman van een van de verdachten voerde aan dat zijn cliënt enkel het misdrijf had voorbereid
en niet begonnen was aan de uitvoering ervan. De Hoge Raad zag dit anders:

“(…) dat wanneer – zoals ten laste van req. bewezen is verklaard – iemand het voornemen heeft
opgevat om in een kantoor het misdrijf voorzien bij art. 312, eerste lid, Sr. te plegen, en teneinde tot
uitvoering daarvan te geraken, aan dat kantoor aanbelt met gedeeltelijk afgedekt gelaat, een
schietklaar vuurwapen en lege weekendtas, deze gedragingen zijn aan te merken als een begin van
uitvoering van het voorgenomen misdrijf, daar zij naar haar uiterlijke verschijningsvorm moeten
worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf.”

, Verdenkings- en opsporingsbegrip;

• HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2190 (CIE-info)

Feiten;
In deze zaak werd de woning én auto van de moeder van de verdachte doorzocht, mede op basis van
anonieme informtie (CIE-melding). Bij de doorzoeking werden onder meer een geluiddemper,
vlindermes, scherpe volmantelpatronen (kaliber 6,35 mm) en circa 10,08 gram cocaïne ontdekt en in
beslag genomen. De verdachte stelde dat de informatie waarop de doorzoeking was gebaseerd
onbetrouwbaar was en dat de gevonden bewijsstukken uitgesloten moesten worden.

Kernvraag;
Kan een verdenking tot een overtreding van de Wet wapens en munitie (WWM) worden
aangenomen op basis van anonieme informatie alleen? Met name; is de anonieme CIE-melding
voldoende concreet en specifiek om in te grijpen (zoals een doorzoeking) zonder – of voorafgaande –
verificatie?

De HR stelt dat het in beginsel mogelijk is om een verdenking van een overtreding van de WWM te
baseren op anoniem verstrekte informatie, mits die informatie voldoende concreet en specifiek is om
het vermoeden op te leveren dat in art 49 WWM is bedoeld. Wel moet worden gekeken of verificatie
van de informatie mogelijk is of niet. De rechter moet beoordelen of nader onderzoek naar
betrouwbaarheid mogelijk was of dat, gelet op urgentie of andere omstandigheden, van verdere
verificatie kon worden afgezien. In de onderhavige zaak vond de HR het oordeel van het hof – dat de
CIE-melding in haar concrete inhoud voldoende specifiek was – niet onbegrijpelijk. Daarmee was de
basis gelegd voor bevoegdheid tot binnentreden/doorzoeking o grond van art 49 WWM. De klacht
dat de doorzoeking onrechtmatig was en dat bewijs moest worden uitgesloten wordt verworpen,
omdat de veroordeling niet berust op een onbegrijpelijke overweging omtrent die anonieme
informatie.

Rechtsregel;
Anonieme informatie kan onder omstandigheden voldoende zijn als basis voor verdenking én
opsporingsbevoegdheden zoals doorzoeking; op voorwaarde dat de informatie concreet en specifiek
is en dat nader onderzoek (verificatie) redelijkerwijs niet mogelijk of te vertragen is. Dit arrest is
belangrijk omdat het aangeeft dat anonimiteit op zich geen absoluut bezwaar is tegen gebruik van
informatie in strafvorderlijke context, maar dat de kwaliteit en aard van die informatie én de
mogelijkheid tot verificatie centraal staan.


• HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3537 (Warmtemeting)

De politie kreeg een warmtemeting binnen die wees op een extreme warmtebron op de zolder van
een woning. De verbalisant wist uit ervaring dat voor een hennepkwekerij een tropisch klimaat is
vereist. Op basis van deze warmtebeelden is de politie de woning binnengetreden zonder
toestemming van de bewoner. Daar werd inderdaad een hennepkwekerij aangetroffen en tevens
illegale aftap van elektriciteit. De verdachte werd veroordeeld voor; opzettelijk telen van hennep (art
3 Ow) en diefstal van elektriciteit (art 310 Sr).

De verdediging voerde aan dat; de politie onrechtmatig was binnengetreden, het enkele gebruik van
een warmtebeeldcamera onvoldoende grond bood voor ‘een redelijke vermoeden van schuld’ als

Documentinformatie

Geüpload op
4 september 2026
Aantal pagina's
47
Geschreven in
2025/2026
Type
Arresten
€8,96

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
3
Volgers
0
Items
6
Laatst verkocht
1 maand geleden

Echte notities, van echte studenten
Elk document op Stuvia is geschreven door een medestudent die hetzelfde vak deed. Zo leer je van iemand die het al heeft gehaald.



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen