Goederenrecht
Casus 1
Maart 2024: Pico Bello gaat zakelijke krediet aan bij NL-Bank. Hierbij beschikking over een
doorlopend rekening-courantkrediet met een limiet van 50.000 euro. Voor zekerheid zijn er
stille pandrechten gevestigd op alle bestaande en toekomstige handelsvorderingen
gevestigd.
4 maart 2024: opgemaakte onderhandse pandakte geregistreerd bij Belastingdienst.
Sinds 2022 sluit PB ieder jaar op de eerste maandag van december een
leverantieovereenkomst voor het nieuwe kalenderjaar met Groothandel Molengraaff. Dit is
op 4 december 2022 en 5 december 2023. Afspraak hierbij: 1x per maand, op de laatste
werkdag van die maand, worden de bestellingen uitgeleverd en gefactureerd
(betalingstermijn 30 dagen).
31 juli 2024: PC M factuur 15.000 euro.
a) Heeft NL-Bank op 1 augustus 2024 een pandrecht op de vordering die PC op M heeft voor
juli 2024 (15.000 euro)?
Volgens de schakelbepaling in art. 3:98 BW gelden voor de vestiging van beperkte rechten
dezelfde eisen als voor overdracht van een goed. Om te kijken of de pandrecht geldig tot
stand is gekomen op de vordering juli 2024 moet gekeken worden naar art. 3:98 jo. Art. 3:84
lid 1 BW:
1. Geldige titel. Dit is de rechtsverhouding die de verpanding rechtvaardigt. De reden
voor de vestiging van het pandrecht is omdat PB samen met NL bank een
kredietovereenkomst heeft gesloten en daarin is een verpandingsbeding opgenomen.
Hierbij is PB gehouden om pand te vestigen op al haar bestaande en toekomstige
handelsvorderingen. De GT is dus de kredietovereenkomst met daarin het
verpandingsbeding. Kredietovereenkomst op zichzelf is niet voldoende, dus
verpandingsbeding/clausule in kredietovereenkomst. Ze hebben afspraken gemaakt
over verpanding.
2. Vestiging: Openbaar pandrecht op vorderingen is n.v.t. want dit moet volgens art.
3:236 lid 2 jo. 3:94 BW. In casu gaat het om de vestiging van een stil pandrecht op
vorderingen volgens art. 3:239 lid 1 BW. Hieruit volgen twee dingen, namelijk
Er moet voldaan zijn aan het handelingsvereiste: authentieke akte opgesteld
bij de notaris of geregistreerde onderhandse akte tussen partijen en
geregistreerd bij de Belastingdienst. In casu is er op 4 maart 2024 een
onderhandse akte geregistreerd bij Belastingdienst. Aan dit vereiste is dus
voldaan.
De vordering waar het om gaat moet vatbaar zijn voor stille verpanding. Een
stil pandrecht kan enkel gevestigd worden op bestaande of relatief
toekomstige vorderingen en niet op absoluut toekomstige vorderingen.
Hiervoor kijken naar het schema: