500 - 1000
Leenstelsel
Het einde van de overheersing van de Romeinen betekende voor Europa: einde aan
veiligheid, einde aan onderhoud van steden en wegen en de geldeconomie hield
grotendeels op te bestaan. Hierdoor ontstonden er kleine gemeenschappen van boeren, die
zelfvoorzienend moesten zijn (autarkie). Er was sprake van een agrarische samenleving,
iedereen werkte op en leefde van het land, de steden waren grotendeels verdwenen.
Een autarkische samenleving is een gemeenschap die volledig zelfvoorzienend is en
daardoor nauwelijks of geen handel drijft. Een agrarische samenleving is een gemeenschap
waar bijna iedereen op het land werkte en van het land leefde.
Er ontwikkelde een nieuw politiek systeem, het leenstelsel. De koning kon niet overal in het
rijk tegelijk zijn, want de communicatie- en vervoersmogelijkheden waren zeer beperkt.
Daarom besteedde de koning het bestuur over een bepaald gebied uit aan een leenman. De
leenmannen kregen hiervoor in ruil bescherming en onderhoud van de koning. Het
leenstelsel wordt ook het feodaal stelsel genoemd.
De leenmannen (vazal) moesten de koning trouw zweren. Zij moesten hem bijstaan met
raad (advies) en daad (leger, soldaten). Voor de leenmannen waren deze gebieden vaak
ook te groot, waardoor hij zijn gebied opdeelde in kleinere gebieden. Deze gebieden gaf hij
in leen aan edelmannen. De lage edelmannen (de achterleenmannen) moesten weer trouw
zweren aan die hoge edelman.
Onder het beheer van het gebied vielen het beschermen tegen vijanden, de rechtspraak en
het innen van belasting. Een deel van die belasting moest naar de koning.
Voor de koning was het lastig om zijn gebied weer terug te nemen, omdat hij afhankelijk was
van de leenmannen om een groot leger op te bouwen. Leenmannen verklaarden het
geleende gebied vaak tot hun eigendom. Keizer Karel de Grote stelde speciale ambtenaren
op om de leenmannen te controleren, zendgraven.
, Het hofstelsel
Veel boeren kozen ervoor om zich aan een landheer te verbinden. Zij konden dan bij gevaar
bescherming zoeken binnen de verstevigde woning van de landheer. De landheer voorzag
de boeren van een stuk grond. In ruil moesten de boeren (de horigen) een deel van de
opbrengst aan de landheer afstaan en diensten verrichten, zoals bouw- en
reparatiewerkzaamheden. Horigheid was erfelijk, kinderen van een horige waren ook aan
hun landheer gebonden. Dit systeem van rechten en plichten heet het hofstelsel.
Het hofstelsel en het leenstelsel zijn wederkerige systemen (iets geven en iets krijgen). Een
belangrijk verschil is dat het leenstelsel alleen toegankelijk was voor de Europese adel. Het
hofstelsel was een economisch systeem waardoor niet iedereen zelf zijn eigen voedsel
hoefde te verbouwen.
Karel de Grote
Het Frankische Rijk is het duidelijkste voorbeeld van het leenstelsel. Het ontstond onder
Clovis (koning van 482 tot 511). Clovis bekeerde zich tot het christendom. (kerstening =
bekeren tot het christendom).
Nadat Clovis was gekerstend werd het christendom al snel in heel het Frankische rijk de
enige religie. Clovis kreeg daarbij steun van de kerk.
Onder Karel de Grote bereikte het Frankische Rijk zijn grootste omvang. Na 33 jaar hevige
oorlog veroverde hij oostelijke gebieden op de Saksen. Zij werden gedwongen om zich tot
het christendom te bekeren. Deed je dat niet, werd je omgebracht. Op deze manier droegen
de Franken bij aan het verspreiden van het christendom.
Om controle uit te oefenen op zijn leenmannen reisde hij veel door zijn rijk. Hij trok van palts
(een koninklijke verblijfplaats) naar palts. Karel de Grote was de eerste heerser sinds de
Romeinen die keizer werd. Hierdoor kon hij zijn macht verstevigen.
De geestelijke macht (de kerk) en de wereldlijke macht (de koning) werkten samen en
profiteerden hiervan.
,Na zijn dood werd zijn zoon Lodewijk koning (814). Lodewijk verdeelde zijn rijk onder zijn 3
zoons. Deze zoons raakten in oorlog met elkaar om grondbezit. In 843 sloten zij een
vredesverdrag af: Het Verdrag van Verdun. Hiermee raakte het Rijk verdeeld in 3 delen:
West-Francië, Midden-Francië en Oost-Francië. Midden-Francië werd kort daarop verdeeld
in het Duitse Rijk en het Franse Rijk.
Vikingen
Een van de vijanden van Karel de Grote waren de Vikingen. In de periode van 800 - 1000
vielen zij herhaaldelijk steden, kloosters en andere gemeenschappen aan. Ze hadden snelle
schepen (drakenschepen) waarmee ze verrassingsaanvallen pleegden, waarna ze snel
verdwenen met de buit. Ze plunderden voornamelijk kloosters en handelssteden, omdat hier
veel kostbare goederen waren.
Vikingen is een verzamelnaam voor verschillende volken uit Noorwegen, Zweden en
Denemarken. Een andere naam voor deze mannen is Noormannen. Sommigen vestigden
zich in Europa en gingen daar over op een agrarische wijze. De streek Normandië was zo’n
gebied en is naar de Noormannen vernoemd.
Over de Vikingen en waarom zij over gingen tot plunderen is weinig bekend. Mogelijk was er
te weinig vruchtbare grond in Scandinavië of waren de tochten een ritueel voor jonge
mannen om zich te bewijzen.
Verspreiding van het christendom
Na de val van het Romeinse Rijk bleef de christelijke kerk bestaan. Nadat het Romeinse
bestuur verdwenen was, namen in veel steden bisschoppen de rol van bestuurder op zich.
Zij organiseerden bijvoorbeeld de armenzorg. De kerk werd aangestuurd vanuit Rome, door
de hoogste bisschop van Europa: de paus.
Vanuit Rome kwam de oproep om het christelijke geloof te verspreiden onder volken met
heidense geloven, zoals de Germanen. De monniken die deze opdracht op zich namen
werden missionarissen genoemd. Het verspreiden van het christelijk geloof noemen we ook
wel kerstening.
, Missionarissen
Missionarissen die het geloof in de lage landen verspreidden kwamen vaak uit Engeland of
Ierland. Bekende namen zijn Willibrord en Bonifatius. Zij waren rond 700 actief.
Op de meeste afbeeldingen zien we missionarissen omringd door de lokale bevolking die
naar hun preken luisterde. Uit onderzoek is gebleken dat via deze manier weinig mensen
bekeerden. In veel gevallen werd het christendom met geweld verspreid.
De eigen godsdienstige tradities moesten opgegeven worden. Om de tegenstand te
verminderen werden Germaanse feesten gecombineerd met vieringen uit het christendom.
Vandaar dat wij de geboorte van Jezus in december vieren. Dezelfde dag als het feest van
de zonnewende.
Op zijn 7e werd Willibrord geschonken aan een klooster door zijn ouders. Hij maakte
afspraken met de Frankische koning over zijn bescherming en ondersteuning van zijn
missie.
Utrecht, op de grens van de christelijke Franken en heidense Friezen, werd het
hoofdkwartier van de bekeringsmissie in de Nederlanden. Utrecht werd daarom aangewezen
als bisdom door de paus. Een gebied bestuurd door een bisschop.
Bonifatius trok via Utrecht naar het noorden om de Friezen te bekeren. Hij liet meerdere
Germaanse heiligdommen vernietigen. In 754 werd hij in Dokkum door Friese boeren
vermoord.
Kloosters
Een klooster was een gemeenschap van monniken onder leiding van een abt of nonnen
onder leiding van een abdis. Het waren christenen die zich afzonderden van de
samenleving. Om zich in eenzaamheid op God te richten.
De hele gemeenschap leefde volgens een kloosterregel. Daarin stond welke rechten en
plichten de monniken hadden, welke werkzaamheden ze moesten verrichten en hoe vaak ze
moesten bidden.