MD-K Academische Toetsenreeks
MD-K 1.14: De kraamvrouw
Klinische Oefentoets op HBO+ (Bachelor/Master) Niveau | Inclusief Uitgebreide Antwoordsleutel
__________________________________________________________________
1. Introductie & Toetsinstructies
Deze academische oefentoets is samengesteld voor studenten Verloskunde op HBO+ en academisch
niveau. De toets richt zich op het kritisch klinisch redeneren, de diepgaande fysiologie, biochemie en de
actuele landelijke richtlijnen (KNOV, NVOG, NHG, RIVM). De toets bestaat uit exact 30
meerkeuzevragen, opgebouwd uit zowel theoretische kennisvragen als complexe klinische casuïstiek
(vignetten).
2. Oefenvragen (30 Vragen)
Vraag 1. [Kennisvraag]
Wat is het normale, fysiologische verloop en tempo van de involutie (inkrimping) van de uterus in de
eerste week van het kraambed?
A) De uterus daalt met circa 5 centimeter per 24 uur en bevindt zich op dag 3 al achter de symfyse.
B) De uterus bevindt zich direct post partum halverwege de symfyse en navel, stijgt op dag 1 tot
navelniveau (N), en daalt vervolgens fysiologisch met ongeveer één vingerbreedte (~1 tot 1,5 cm) per
dag.
C) De uterus blijft gedurende de eerste 10 dagen op exact dezelfde hoogte (navelhoogte) palpeerbaar.
D) De uterus krimpt uitsluitend tijdens de uitdrijvingsfase en verandert daarna niet meer van grootte.
Vraag 2. [Kennisvraag]
Hoe bewerkstelligen de 'living ligatures' (fysiologische ligaturen) van het myometrium de primaire
hemostase (bloedstelping) direct na het loslaten van de placenta?
A) Door een massale en acute aggregatie van trombocyten die alle bloedvaten mechanisch verstopt.
B) De achtvormige en kriskras geweven gladde spiervezels van het myometrium knijpen bij
samentrekking (contractie) en retractie de doorsnijdende spiraalarteriën als mechanische klemmen
dicht.
C) Door een systemische vasoconstrictie die overal in het lichaam de arteriële bloeddruk verlaagt.
D) Via de acute afscheiding van collageen door de baarmoederwand.
Pagina 1
, MD-K HBO+ Academische Toetsenreeks | MD-K 1.14: De kraamvrouw
Vraag 3. [Kennisvraag]
Wat is het normale fysiologische verloop, de kleur en de timing van de lochia (vloeien) tijdens het
fysiologische kraambed?
A) Lochia serosa (wit-geel, dag 1-3) -> Lochia rubra (rood, dag 4-10) -> Lochia alba (bruin, dag 11+).
B) Lochia rubra (helderrood, dag 1-3) -> Lochia serosa (bruin-roze/seroureus, dag 4-10) -> Lochia alba
(geel-wit, dag 11 tot circa 3-6 weken).
C) Het lochiaverloop hoort gedurende de gehele 6 weken post partum helderrood en overvloedig met
grote stolsels te blijven.
D) Lochia alba (geel, dag 1-5) -> Lochia rubra (helderrood, dag 6+).
Vraag 4. [Kennisvraag]
Welk fysiologisch mechanisme verklaart waarom multiparae (meerbarenden) doorgaans veel pijnlijkere
naweeën ervaren tijdens het kraambed dan nulliparae (eerstbarenden)?
A) Omdat de uterus van een multipara fysiologisch veel gevoeliger is voor adrenaline.
B) Nulliparae hebben een uitstekende basale spiertonus, waardoor hun uterus direct na de baring in een
constante, tonische contractie blijft. Multiparae hebben minder basale tonus, waardoor hun uterus
herhaaldelijk intermitterend krachtig moet samentrekken en weer ontspannen om te involueren.
C) Omdat multiparae na de baring geen oxytocine meer aanmaken.
D) Omdat de vagina van een multipara nauwer is geworden door eerdere bevallingen.
Vraag 5. [Kennisvraag]
Waarom komt de overvloedige melkproductie (Lactogenese II) tijdens de zwangerschap fysiologisch nog
niet op gang, ondanks de reeds hoge circulerende prolactinespiegels?
A) Omdat de melkklieren (alveoli) pas na de geboorte worden gevormd.
B) De extreem hoge circulerende progesteronspiegels (afkomstig van de placenta) blokkeren de werking
van prolactine op de prolactine-receptoren van de lactocyten.
C) Omdat er in de zwangerschap nog geen oxytocine aanwezig is.
D) Omdat de nieren van de foetus de melkaanmaak hormonaal onderdrukken.
Vraag 6. [Kennisvraag]
Wat is de directe endocrinologische trigger voor het op gang komen van de overvloedige melkproductie
(Lactogenese II / 'de melkvloed') rond dag 2 tot 4 post partum?
A) Het directe huid-op-huidcontact in het eerste uur na de baring.
B) De abrupte en massale daling van de circulerende progesteron- (en oestrogeen)spiegels na de
geboorte en verwijdering van de placenta.
C) Een acute stijging van het zwangerschapshormoon HCG.
D) Het herstel van het basaalmetabolisme van de schildklier.
Pagina 2
, MD-K HBO+ Academische Toetsenreeks | MD-K 1.14: De kraamvrouw
Vraag 7. [Kennisvraag]
Hoe wordt de melkproductie tijdens de stabiele lactatiefase (Lactogenese III / galactopoese) fysiologisch
gereguleerd?
A) Volledig endocrien, uitsluitend gestuurd door oestrogenen uit de ovaria.
B) Lokaal en autocrien (vraag-gestuurd); de mate van lediging van de borst bepaalt de melkaanmaak.
Indien melk achterblijft, remt het eiwit FIL (Feedback Inhibitor of Lactation) de verdere melksynthese.
C) Door de dagelijkse inname van extra suikers en vetten door de moeder.
D) Gestuurd door de hypothalamus die de temperatuur van de borst meet.
Vraag 8. [Kennisvraag]
Wat is de primaire fysiologische rol van het hormoon prolactine tijdens de lactatie?
A) Het samentrekken van de uterus om naweeën op te wekken.
B) Het stimuleren van de lactocyten (melkkliercellen) in de alveoli tot de synthese (aanmaak) van
melkcomponenten.
C) Het induceren van de toeschietreflex tijdens het voeden.
D) Het verhogen van de vetopslag in het bekken.
Vraag 9. [Kennisvraag]
Welk hormoon is direct verantwoordelijk voor de toeschietreflex (milk ejection reflex) door het
samentrekken van de myo-epitheliale cellen rondom de alveoli?
A) Prolactine
B) Oxytocine
C) Oestradiol
D) Progesteron
Vraag 10. [Kennisvraag]
Welk fysiologisch mechanisme verklaart waarom acute stress, kou of hevige angst de toeschietreflex bij
de kraamvrouw kan remmen of blokkeren?
A) Stress verhoogt de afbraak van prolactine in de lever.
B) Activatie van het sympathische zenuwstelsel (stress) leidt tot de afgifte van adrenaline, wat
vasoconstrictie in het borstweefsel veroorzaakt waardoor circulerend oxytocine de myo-epitheliale cellen
niet kan bereiken.
C) Angst vermindert de opname van vloeistoffen in de darm.
D) Stress stimuleert de directe omzetting van melk in colostrum.
Vraag 11. [Kennisvraag]
Wat zijn de belangrijkste nutritionele en immunologische eigenschappen van colostrum in vergelijking
met rijpe moedermelk?
A) Colostrum bevat aanzienlijk meer vetten en lactose, maar is arm aan eiwitten.
Pagina 3