MD-K Academ ische Toetsenr eeks
MD-K 1.13: De (gele) neonaat
Klinische Oefentoets op HBO+ (Bachelor/Master) Niveau | Inclusief Uitgebreide
Antwoordsleutel
__________________________________________________________________
1. Intr odu ctie & Toetsinstr u cties
Deze academische oefentoets is samengesteld voor studenten Verloskunde op HBO+ en academisch
niveau. De toets richt zich op het kritisch klinisch redeneren, de diepgaande fysiologie, biochemie en de
actuele landelijke richtlijnen (KNOV, NVOG, NHG, RIVM). De toets bestaat uit exact 30
meerkeuzevragen, opgebouwd uit zowel theoretische kennisvragen als complexe klinische casuïstiek
(vignetten).
2. Oefenvr agen (30 Vr agen)
Vr aag 1. [K ennisvraag]
Wat is de fysiologische ademhalingstolerantie (frequentie in rust) van een gezonde, voldragen
neonaat na de initiële overgangsfase?
A) 12 tot 20 ademteugen per minuut, met een diepe en regelmatige thoracale ademhaling.
B) 30 tot 60 ademteugen per minuut, gekenmerkt door een voornamelijk abdominale, onregelmatige
ademhaling met korte apneufases (< 15 seconden).
C) 60 tot 80 ademteugen per minuut, met actieve neusvleugels en intercostale intrekkingen.
D) Exact 20 tot 25 ademteugen per minuut, waarbij elke afwijking wijst op neonataal RDS.
Vr aag 2. [K ennisvraag]
Wat is de normale fysiologische hartfrequentie (in rust) van een gezonde, voldragen neonaat?
A) 60 tot 100 slagen per minuut, synchroon met de maternale pols.
B) 110 tot 160 slagen per minuut, gekenmerkt door een hoge fysiologische variabiliteit en
sinusaantasting bij activiteit.
C) 160 tot 200 slagen per minuut in diepe slaap.
D) Constant 100 slagen per minuut, onafhankelijk van huilen of slapen.
Pagina 1
, MD-K HBO+ Academische Toetsenreeks | MD-K 1.13: De (gele) neonaat
Vr aag 3. [K ennisvraag]
Wat is de pathofysiologische verklaring van het goedaardige huidverschijnsel Erythema toxicum
neonatorum (ETN)?
A) Een acute bacteriële stafylokokkeninfectie van de oppervlakkige epidermis.
B) Een milde, steriele inflammatoire dermatose gekenmerkt door de infiltratie van eosinofiele
granulocyten rondom de haarfollikels.
C) Een blokkade van de eccriene zweetklieren door onrijpheid van de zweetporiën.
D) Een schimmelallergie veroorzaakt door vroege kolonisatie met Candida albicans.
Vr aag 4. [K linisch e Casu s]
Tijdens het onderzoek van de pasgeborene op dag 2 bemerkt u een zachte, fluctuerende zwelling
op het linker wandbot (os parietale). De zwelling is scherp begrensd en overschrijdt de sutura
sagittalis en sutura lambdoidea absoluut niet. Waarop wijst dit klinische beeld?
A) Een caput succedaneum veroorzaakt door oedeem in de subcutis.
B) Een cefaal hematoom, berustend op een subperiostale bloeding die begrensd is door de suturen
omdat het periost daar strak aan het bot vastzit.
C) Een subgaleale bloeding, die direct levensbedreigend is wegens het grote volumeverlies.
D) Een normale fysiologische moulage van de schedelbeenderen.
Vr aag 5. [K ennisvraag]
Welk enzym is specifiek verantwoordelijk voor de initiële omzetting van de haemgroep
(afkomstig uit afgebroken erytrocyten) naar biliverdine in het reticulo-endotheliale systeem
(RES)?
A) Biliverdine-reductase
B) Haem-oxygenase
C) Uridine-difosfaat-glucuronyltransferase (UDPGT)
D) Bèta-glucuronidase
Vr aag 6. [K ennisvraag]
Welk enzym is vervolgens verantwoordelijk voor de snelle omzetting van het groene biliverdine
naar de lipofiele vorm van ongeconjugeerd bilirubine?
A) Haem-oxygenase
B) Biliverdine-reductase
C) Glucuronidase
D) Ligandine-synthase
Pagina 2
, MD-K HBO+ Academische Toetsenreeks | MD-K 1.13: De (gele) neonaat
Vr aag 7. [K ennisvraag]
Welke chemische eigenschappen bezit ongeconjugeerd (indirect) bilirubine, en wat is de
klinische betekenis hiervan voor de neonaat?
A) Het is hydrofiel en niet-toxisch, waardoor het direct door de nieren in de urine kan worden
uitgescheiden.
B) Het is lipofiel en hydrofoob; het kan celmembranen en de bloed-hersenbarrière passeren en is in vrije
vorm neurotoxisch.
C) Het lost uitsluitend op in waterige oplossingen en kan de bloed-hersenbarrière nooit passeren.
D) Het bindt uitsluitend aan globulinen en veroorzaakt directe leverschade.
Vr aag 8. [K ennisvraag]
Welk plasma-eiwit is in de bloedbaan fysiologisch verantwoordelijk voor het transport van het
toxische ongeconjugeerde bilirubine naar de lever?
A) Alfa-fetoproteïne
B) Albumine
C) Globuline
D) Ligandine
Vr aag 9. [K ennisvraag]
Hoe wordt het ongeconjugeerde bilirubine, na loskoppeling van het albumine, de hepatocyt
(levercel) binnengeloodst?
A) Via actieve endocytose door de membraan van de galwegen.
B) Door intracellulaire transporteiwitten genaamd ligandines (het Y- en Z-eiwit).
C) Via directe passieve diffusie zonder tussenkomst van eiwitten.
D) Gekoppeld aan bèta-glucuronidase.
Vr aag 10. [K ennisvraag]
Welk specifiek enzym in het glad endoplasmatisch reticulum van de hepatocyt is
verantwoordelijk voor de conjugatie van bilirubine?
A) Haem-oxygenase
B) Bèta-glucuronidase
C) Uridine-difosfaat-glucuronyltransferase (UDPGT)
D) Transaminase
Vr aag 11. [K ennisvraag]
Wat zijn de fysiologische en chemische eigenschappen van geconjugeerd (direct) bilirubine na
de leverpassage?
A) Het is lipofiel en uiterst neurotoxisch.
B) Het is hydrofiel (wateroplosbaar), fysiologisch niet-toxisch, en kan actief via de galwegen in het
darmkanaal worden uitgescheiden.
Pagina 3