Hoofdstuk 3, onderzoek doen
Paragraaf 3, experimenteren: transport door celmembranen
Bij alle cellen is de buitenste laag, het celmembraan, opgebouwd uit een dubbele laag fosfolipiden
met eiwitten. Fosfolipiden zijn vetachtige stoffen met een fosfaatgroep en twee vetzuren. O 2 en CO2-
moleculen kunnen ongehinderd door het celmembraan, dit heet diffusie. Diffusie is het bewegen van
deeltjes van een hoge concentratie naar een lage concentratie, totdat de deeltjes gelijk verdeeld zijn.
Diffusie kost de cel geen energie, het is passief transport. Bij diffusie via een membraan is er netto
transport van een hoge naar een lage concentratie.
Diffusie
In de membranen vormen verschillende eiwitten transportkanaaltjes voor stoffen die niet vetachtig
zijn. Voor elk type molecuul is er een apart kanaaltje. Watermoleculen gaan ook via eiwitkanaaltjes,
zogenaamde ‘waterkanaaltjes’, de cel in en uit. Ook hierbij is sprake van een netto transport naar
een lage concentratie. Deze diffusie van watermoleculen door een membraan heen heet osmose. De
netto verplaatsing van lage concentratie opgeloste stoffen naar een oplossing met een hoge
concentratie opgeloste stoffen. Osmose is ook passief transport: het kost de cel geen energie.
Osmose
Ionen zijn elektrisch geladen moleculen. Ze hebben eigen transportkanaaltjes in het celmembraan.
Gaan ionen of moleculen van een hoge naar een lage concentratie door een membraan, dan is ook
dit passief transport. Is de transportrichting echter tegen de concentratie in, dan kost de cel dit
energie: actief transport. Sommige moleculen of deeltjes zijn te groot om via een transportkanaaltje
het celmembraan te passeren. De cel gebruikt dan een stukje van het celmembraan als ‘verpakking’
om het molecuul of deeltje naar binnen te krijgen. In het membraan ontstaan insnoeringen die het
molecuul of deeltjes steeds meer omsluiten. Het stukje membraan laat los van de rest van het
celmembraan, vormt een transportblaasje en brengt op die manier het molecuul of deeltje in het
cytoplasma. Dit heet endocytose.
Betreft het moleculen of deeltjes die de cel gaan verteren, dan heet het transportblaasje een
voedselvacuole. Vertering van de moleculen of deeltjes begint nadat een voedselvacuole
samensmelt met een transportblaasje met verteringsenzymen: een lysosoom. De
verteringsproducten komen via transportkanaaltjes in het cytoplasma. Cellen kunnen ook producten
afgeven aan hun omgeving. Dat gebeurt met behulp van andere transportblaasjes, gevormd door het
golgisysteem. Versmelten deze transportblaasjes met het celmembraan, dan komen de producten
vrij in de omgeving. Dit het exocytose. (Bron10)
- Gaat de stof de cel IN dan nomen we het endocytose.
- Gaat de stof de cel UIT dan noemen we het exocytose.