week 1
Algemeen
Kwetsbaarheid
Kwetsbaarheid bij ouderen is een proces van het opeenstapelen van
lichamelijke, psychische en/of sociale tekorten in het functioneren dat de
kans vergroot op negatieve gezondheidsuitkomsten (functiebeperkingen,
opname, overlijden). Andere kwetsbare groepen in de samenleving zijn
mensen met laaggeletterdheid en beperkte gezondheidsvaardigheden.
De risicofactoren voor sociale kwetsbaarheid zijn: werk en inkomen, gezin
en relatie, gezondheid, veiligheid, woonsituatie, genotmiddelen,
(basis)vaardigheden en een combinatie van ernstige problemen.
De rol van de verpleegkundige is het signaleren van risicogroepen en het
organiseren van zorg. De “Tilburg Frailty Indicator” is een meetinstrument
die gebruikt wordt om kwetsbaarheid te meten. Hier wordt gekeken naar
het lichamelijke, psychische en sociale domein. Bij een score van 5 of
hoger is er sprake van kwetsbaarheid.
Als verpleegkundige kun je daarnaast een passende methodiek kiezen,
zelfregie stimuleren, de communicatie aanpassen en samen doelen
opstellen. De overige aandachtspunten zijn: het bereiken van de
doelgroep, de inzet van sleutelfiguren en het verklaren van
gezondheidsgedrag.
,Kwetsbare groepen met een verhoogd armoederisico zijn mensen met
een lage sociaaleconomische status.
Armoede vanuit het economisch perspectief ontstaat wanneer mensen
onvoldoende inkomen hebben om te voorzien in basisbehoeften zoals
wonen, voeding en zorg. Dit is vaak een gevolg van werkloosheid, lage
inkomens, flexibele contracten en schulden. Het is niet alleen een
individueel probleem, maar ook een structureel probleem. Namelijk door
ongelijkheid op de arbeidsmarkt en beperkte kansen.
Vanuit het historisch perspectief is armoede verschoven van absolute
armoede (niet kunnen voorzien in basisbehoeften) naar relatieve armoede
(niet kunnen meedoen met de maatschappelijke standaard). In de
moderne verzorgingsstaat gaat armoede vooral over het niet kunnen
deelnemen aan de samenleving en het behouden van een acceptabel
leefniveau.
Armoede leidt tot beperkte maatschappelijke participatie doordat
mensen minder kunnen meedoen aan werk, onderwijs, vrije tijd en sociale
contacten. Dit veroorzaakt een vicieuze cirkel waarin geldproblemen stress
veroorzaken, stress het functioneren vermindert en financiële problemen
daardoor verder toenemen.
Tot slot leidt armoede ook tot sociale uitsluiting doordat mensen minder
sociale contacten hebben, minder toegang tot voorzieningen en zich
buitengesloten voelen. Beperkte gezondheidsvaardigheden en weinig
sociale steun versterken dit, waardoor zelfstandigheid en participatie
sneller afnemen.
,Algemeen
Collectieve preventie
Cultuursensitief werken gaat over bewustwording, kennis, gevoeligheid en
competentie. Hierbij kun je gebruik maken van vier stappen, namelijk:
1. Wees je bewust van je eigen normen en waarden.
2. Doe geen aannames.
3. Vraag door naar de betekenis van klachten.
4. Sluit aan bij de leefwereld en overtuigingen van de cliënt.
Cultuur beïnvloedt hoe mensen gezondheid, ziekte en zorg begrijpen en
ervaren. In de biomedische visie wordt ziekte gezien als een lichamelijke
of psychische oorzaak. In andere culturen wordt ziekte ook verklaard door
stress, spiritualiteit, sociale balans of religie.
Belangrijke verschillen per cultuur: klachten kunnen anders worden geuit
(bijv. lichamelijke klachten bij psychische stress), niet iedereen herkent of
benoemt psychische problemen direct en hulp zoeken gebeurt vaak eerst
via familie of religie (coping).
Bij methodisch opsporen van personen en groepen bij wie de leefstijl een
risico vormt voor de gezondheid en maatschappelijke participatie, kijkt je
niet willekeurig. Je gebruikt een vaste volgorde (soort WijkOPSE):
1. Signaleren -> wat zie ik?
Je kijkt naar data, observaties en leefstijl
2. Risico herkennen -> voor wie is dit een probleem?
Je herkent groepen met risico
3. Analyseren -> wat veroorzaakt het?
4. Actie ondernemen -> wat ga ik doen?
Je kijk onder andere dus ook naar leefstijlfactoren. Leefstijlfactoren zijn
de bewuste keuzes en gewoontes die een gunstige of ongunstige invloed
hebben op de fysieke en mentale gezondheid. De zes belangrijkste, vaak
aangeduid als de BRAVO-factoren, zijn:
B Beweging
R Roken
A Alcohol en drugs
V Voeding
O Ontspanning (en slaap)
? Verbinding/seksualiteit
Collectieve gezondheidsbevorderingen/preventie richten zich op het
verbeteren van de gezondheid van de gehele bevolking of specifieke
groepen, vaak aangestuurd door de overheid en GGD’en.
, Bemoeizorg is een vorm van hulpverlening die zich richt op zorgmijders:
mensen die de stap naar de reguliere hulpverlening nog niet kunnen of
niet meer willen maken.
Het model van Lalonde stelt dat gezondheid wordt bepaald door vier
determinanten: