SAMENVATTING: PRAKTISCHE VERLOSKUNDE
Hoofdstuk 6: De Ongecompliceerde Baring
Deze kernsamenvatting behandelt de volledige fysiologie en anatomie van de ongecompliceerde
baring op basis van Hoofdstuk 6 van Praktische Verloskunde. Aan bod komen het baringskanaal
(beenderig en week), de foetale schedel en vervorming, de vier vlakken van Hodge, de hormonale
cascade van de baring, de spiraalvormige spilbewegingen, de vier tijdperken van de baring, en de
niet-farmacologische en farmacologische pijnbestrijding.
💡 TENTAMENTIP: HET MEEST GEVRAAGDE BARINGSONDERWERP
Op tentamens draait bijna 50% van de vragen over Hoofdstuk 6 om drie vaste onderdelen:
1. De exacte volgorde van de spilbewegingen (Inflexie -> Flexie -> Inwendige spilbuiging -> Deflexie ->
Uitwendige spilbuiging -> Expulsie).
2. De Vlakken van Hodge (vooral H3 = spinae ischiadicae = station 0 = ingedaald!).
3. De vier tijdperken en de grenzen van de normale duur (uitdrijvingsduur nullipara vs. multipara &
actief beleid 3e tijdperk).
Inhoudsopgave
1. Anatomie van het Baringskanaal & de Foetale Schedel
1.1 Het Beenderige en Weke Baringskanaal
Het baringskanaal bestaat uit een beenderig deel (het vrouwelijke bekken) en een weke delen kanaal.
Tijdens de zwangerschap zorgen zwangerschapshormonen (met name relaxine en oestrogenen) voor
verslapping van de bekkenbanden en kraakbeenverbindingen (symfyse en articulatio sacroiliaca),
waardoor de bekkencapaciteit enigszins toeneemt.
Bekkeninlaat (Apertura pelvis superior): Begrensd door promontorium, linea terminalis en
bovenrand symfyse. Vormt een dwars-ovale opening. De dwarsdiameter is hier het grootst (ca. 13
cm).
Bekkenholte (Cavum pelvis): Ruimste gedeelte van het bekken met een ronde vorm (diameters ca.
12 cm). Begrensd door de achterzijde van de symfyse en de holte van het os sacrum.
Bekkenengte (Angustia pelvis): Nauwste doorgang van het beenderige bekken, ter hoogte van de
spinae ischiadicae en de onderrand van de symfyse. Vormt een langsovale doorgang (diameters ca. 11
cm).
Bekkenuitlaat (Apertura pelvis inferior): Begrensd door onderrand symfyse, tubera ischiadica en
de punt van het os coccygis. Is langsovaal en versoepelt doordat het os coccygis tijdens de
uitdrijvingsfase 1–2 cm naar achteren kan worden weggedrukt.
Het Weke Baringskanaal: Bestaat uit het onderste uterussegment (OUS), de cervix uteri, de vagina
en de bekkenbodemspieren (m. levator ani). Onder druk van de foetale voorliggende weke delen
wordt de m. levator ani gerekend en omgevormd tot een goot die de foetale spilbuiging leidt.
Samenvatting — Pagina 1
, Praktische Verloskunde | Hoofdstuk 6: De Ongecompliceerde Baring
1.2 De Foetale Schedel, Suturen, Fontanellen & Molderen
De foetale schedel moet zich aanpassen aan de doorgang door het beenderige bekken. Omdat de
schedelbeenderen nog niet aan elkaar zijn gegroeid, kunnen ze ten opzichte van elkaar verschuiven
en overlappen. Dit proces heet molderen (vervorming van de schedel).
Schedelbeenderen: Twee os frontale (voorhoofdsbeenderen), twee os parietale (wandbeenderen),
één os occipitale (achterhoofdsbeen) en twee os temporale (slaapbeenderen).
Suturen (Naden): Sutura sagittalis (pijlnaad tussen wandbeenderen), Sutura coronaria (kroonnaad
tussen wand- en voorhoofdsbeenderen), Sutura lambdoidea (lambdanaad tussen wand- en
achterhoofdsbeen) en Sutura frontalis (voorhoofdsnaad).
Grote Fontanel (Fontanella anterior / Grote naadkommel): Ruitvormig, begrensd door 4
naadlijnen (sutura frontalis, coronaria [2x] en sagittalis). Sluit pas rond 12–18 maanden post partum.
Kleine Fontanel (Fontanella posterior / Kleine naadkommel): Driehoekig, begrensd door 3
naadlijnen (sutura sagittalis en sutura lambdoidea [2x]). Vormt het belangrijkste oriëntatiepunt bij
inwendig onderzoek voor de stand van het achterhoofd!
Molderen (Molding): Overlapping van de schedelbeenderen langs de suturen om de
schedeldiameters met enkele millimeters tot meer dan een centimeter te verkleinen. Fysiologisch
molderen herstelt spontaan binnen enkele dagen na de geboorte.
1.3 De Vier Vlakken van Hodge (Hoogte van Indaling)
Om de hoogte van het foetale hoofd in het bekken nauwkeurig te beschrijven, gebruikt men de
denkbeeldige parallelle Vlakken van Hodge (H1 t/m H4):
Vlak van Anatomische Begrenzing Klinische Betekenis / Indaling Status
Hodge Station
Hodge 1 (H1) Bovenrand symfyse tot Bovenste bekkenvlak. Komt Beweeglijk / Boven
promontorium (bekkeninlaat) overeen met de bekkeninlaat
bekkeninlaat. (CBBI/IBI)
Hodge 2 (H2) Onderrand symfyse, evenwijdig Passeert de onderrand van Vast in bekkeninlaat
aan H1 de symfyse. (VBI)
Hodge 3 (H3) Ter hoogte van de spinae Station 0! Grootste omtrek Ingedaald (H3 =
ischiadicae (evenwijdig H1/H2) van het hoofd gepasseerd. Ingedaald!)
Hodge 4 (H4) Ter hoogte van de punt van het os Bekkenbodem / Diep ingedaald /
coccygis Bekkenuitlaat. Hoofd staat Onbekkenbodem
op de bekkenbodem.
💡 TENTAMENTIP: HODGE 3 IS STATION 0
Hodge 3 (ter hoogte van de spinae ischiadicae) is de cruciale grens op het examen!
• Als het dichts bijzijnde deel van de foetale schedel H3 bereikt, is de grootste omtrek van het hoofdje
(diameter biparietalis) de bekkeninlaat gepasseerd.
• In het Amerikaanse stationssysteem geldt: H3 = Station 0. Boven H3 is negatief (-1, -2, -3 cm), onder H3
is positief (+1, +2, +3 cm op de bekkenbodem).
Samenvatting — Pagina 2