Oefentoets Tensieregulatie
30 Meerkeuzevragen op HBO+ Niveau (Inclusief Uitgebreide Antwoordsleutel)
Fysiologie buiten en tijdens de zwangerschap
1. Meerkeuzevragen (1 t/m 30)
Vraag 1: Wat is de juiste basisformule voor de Mean Arterial Pressure (MAP)?
A) MAP = Cardiac Output (CO) / Totale perifere vaatweerstand (SVR)
B) MAP = Cardiac Output (CO) x Totale perifere vaatweerstand (SVR)
C) MAP = Slagvolume (SV) x Hartfrequentie (HR)
D) MAP = Slagvolume (SV) / Totale perifere vaatweerstand (SVR)
Vraag 2: Hoe wordt de Cardiac Output (CO), oftewel het hartminuutvolume, fysiologisch gedefinieerd?
A) De hoeveelheid bloed die per hartslag wordt rondgepompt.
B) Het slagvolume gedeeld door de hartfrequentie.
C) Het slagvolume vermenigvuldigd met de hartfrequentie.
D) De totale perifere vaatweerstand vermenigvuldigd met het slagvolume.
Vraag 3: Welk effect heeft stimulatie van het sympathisch zenuwstelsel via (nor)adrenaline op het
hart?
A) Een verhoging van de hartfrequentie en verlaging van de contractiliteit.
B) Een verhoging van de hartfrequentie en een stijging van het slagvolume door verhoogde
contractiliteit.
C) Een verlaging van de hartfrequentie en systemische vasodilatatie.
D) Een selectieve daling van het slagvolume met behoud van de vaatweerstand.
Vraag 4: Via welke zenuw en neurotransmitter beïnvloedt het parasympathisch zenuwstelsel het
hartminuutvolume?
A) Via de nervus vagus en acetylcholine, wat de hartfrequentie verlaagt.
B) Via de nervus vagus en noradrenaline, wat de hartfrequentie verhoogt.
C) Via de nervus phrenicus en acetylcholine, wat het slagvolume verlaagt.
D) Via de nervus sympathicus en adrenaline, wat de contractiliteit verlaagt.
Pagina 1
, Oefentoets Tensieregulatie (HBO+ Niveau) — Fysiologie & Zwangerschap
Vraag 5: Volgens de Wet van Poiseuille wordt de weerstand in de bloedvaten passief bepaald door de
lengte en diameter van het vat en de bloedviscositeit. Welk effect heeft een kleine afname van de
vaatdiameter op de weerstand?
A) Een verwaarloosbaar effect, omdat de vaatlengte de dominante factor is.
B) Een lineaire afname van de totale perifere weerstand.
C) Een exponentieel grote toename van de perifere vaatweerstand.
D) Een tijdelijke daling van de bloeddruk door een daling van de viscositeit.
Vraag 6: Waar bevinden zich de baroreceptoren die rek in de bloedvaten registreren voor de korte
termijn bloeddrukregulatie?
A) In de wand van de nieren en de bijnieren.
B) In de wand van het linkerventrikel en het rechteratrium.
C) In de wand van de aortaboog and de sinus carotis (arteria carotis).
D) In de wand van de vena cava en de pulmonaalarterie.
Vraag 7: Wat gebeurt er met de vuurfrequentie van de baroreceptoren bij een plotselinge
bloeddrukdaling (bijv. door acuut bloedverlies), en wat is de daaropvolgende reflex?
A) De receptoren vuren meer signalen af; de parasympathicus wordt geactiveerd.
B) De receptoren vuren minder signalen af; dit leidt tot activering van de sympathicus en remming
van de parasympathicus.
C) De receptoren vuren minder signalen af; de sympathicus wordt geremd en de parasympathicus
geactiveerd.
D) De vuurfrequentie blijft gelijk, maar het cardiovasculaire centrum activeert direct de nieren tot
waterretentie.
Vraag 8: Wat is de belangrijkste fysiologische factor voor de lange termijn regulatie van de bloeddruk,
en welk orgaan is hier primair voor verantwoordelijk?
A) De vaatdiameter, gereguleerd door de hersenstam.
B) De hartfrequentie, gereguleerd door de sinusknoop.
C) Het totale bloedvolume, gereguleerd door de nieren via osmoregulatie en hormonale
systemen.
D) De baroreceptorreflex, gereguleerd door de sinus carotis.
Vraag 9: Welk hormoon/enzym wordt bij een lage bloeddruk of laag bloedvolume door de nieren
afgegeven om de RAAS-cascade te starten?
A) Angiotensine I
B) Aldosteron
C) Renine
D) Angiotensinogeen
Pagina 2