OEFENTOETS TRACTUS UROPOËTICUS
Fysiologie, Tensieregulatie en Veranderingen in Zwangerschap en Kraambed
Niveau: HBO+ (Verloskunde, HBO-Verpleegkunde en Biomedische Wetenschappen)
Aantal vragen: 30 Meerkeuzevragen (inclusief uitgebreide toelichtingen onderaan)
Vragen
1. Fysiologie van de tractus uropoëticus
Vraag 1: Wat zijn de drie hoofdfuncties van de nieren zoals beschreven in de fysiologische bronnen?
A) De filtratie van bloedcellen, de secretie van waterstofionen en de synthese van progesteron.
B) Een zuiverende functie (afvalstoffen), een regulerende functie (tensie, volume en elektrolyten)
en een endocriene functie (productie van renine en erytropoëtine).
C) De regulatie van de pH in het maag-darmkanaal, de exocriene secretie van urine en de
metabolisatie van glucose.
D) De uitscheiding van galzouten, de opslag van elektrolyten en de aanmaak van
immunoglobulines tegen urineweginfecties.
Vraag 2: Hoeveel functionele eenheden (nefronen) bevat een gezonde menselijke nier gemiddeld?
A) Ongeveer 100.000 tot 250.000 nefronen.
B) Ongeveer 300.000 tot 500.000 nefronen.
C) Ongeveer 600.000 tot 1 miljoen nefronen.
D) Ongeveer 2 tot 3 miljoen nefronen.
Vraag 3: Welke anatomische structuren vormen samen het lichaampje van Malpighi binnen het nefron?
A) De glomerulus en de proximale tubulus.
B) Het kapsel van Bowman en de glomerulus.
C) De Lis van Henle en de verzamelbuis.
D) De afferente en de efferente arteriole.
Vraag 4: Wat is onder normale fysiologische omstandigheden de gemiddelde Glomerular Filtration Rate
(GFR) bij een niet-zwangere volwassene?
A) Ongeveer 75 ml/minuut.
B) Ongeveer 100 ml/minuut.
C) Ongeveer 125 ml/minuut.
D) Ongeveer 150 ml/minuut.
Pagina 1
, Oefentoets Tractus Uropoëticus | HBO+ Niveau
Vraag 5: Welke bestanddelen van het bloed passeren onder normale omstandigheden de
semipermeabele membraan van de glomerulus NIET en blijven dus achter in de bloedbaan?
A) Water en opgeloste glucosemoleculen.
B) Elektrolyten zoals natrium en kalium.
C) Afvalstoffen zoals ureum en kreatinine.
D) Grote moleculen, waaronder bloedcellen en plasma-eiwitten.
Vraag 6: Welk percentage van de gefiltreerde glucose wordt onder normale fysiologische
omstandigheden teruggeresorbeerd in het tubulussysteem?
A) Ongeveer 50%, afhankelijk van de insulinespiegel.
B) Exact 80% via passieve diffusie in de verzamelbuis.
C) Ongeveer 95% via actief transport in de Lis van Henle.
D) 100% van de gefiltreerde glucose.
Vraag 7: Welk mechanisme in het tubulussysteem is essentieel voor het concentreren van de urine door
een hoge osmotische waarde in het niermerg te creëren?
A) Het tegenstroomprincipe in de Lis van Henle.
B) De actieve secretie van waterstofionen in de proximale tubulus.
C) De hydrostatische drukgradiënt in het kapsel van Bowman.
D) De passieve filtratie in de verzamelbuis.
Vraag 8: Welke stoffen worden onder normale fysiologische omstandigheden actief vanuit het bloed aan
de tubuli afgegeven via tubulaire secretie?
A) Rode bloedcellen, albumine en globuline.
B) Kalium, waterstofionen en bepaalde medicatie.
C) Glucose, aminozuren en bicarbonaat.
D) Renine, angiotensine I en aldosteron.
Vraag 9: Hoe heet het gladde spierweefsel in de blaaswand dat samentrekt tijdens de mictiereflex?
A) De musculus sphincter urethrae externus.
B) De detrusorspier (musculus detrusor vesicae).
C) De musculus trigonalis.
D) De musculus levator ani.
Vraag 10: Welk onderdeel van de mictie en de mictiereflex staat onder vrijwillige (bewuste) controle?
A) De activering van de rekreceptoren in de blaaswand.
B) De parasympathische reflexboog in het ruggenmerg.
C) De samentrekking van de detrusorspier.
D) Het aanspannen of ontspannen van de externe sluitspier.
Pagina 2
, Oefentoets Tractus Uropoëticus | HBO+ Niveau
2. Relatie tussen de nieren en tensieregulatie
Vraag 11: Welk hormoon of enzym produceren de nieren als directe reactie op een daling van de
bloeddruk, het plasmavolume of het natriumgehalte?
A) Erytropoëtine.
B) Aldosteron.
C) Renine.
D) Angiotensine II.
Vraag 12: Waar in het lichaam vindt de omzetting van angiotensine I naar de actieve en krachtige
vasoconstrictor angiotensine II primair plaats?
A) In de nieren, door het lokaal geproduceerde renine.
B) In de lever, onder invloed van angiotensinogeen.
C) In de longen, door het enzym ACE (Angiotensin Converting Enzyme).
D) In de bijnierschors, gelijktijdig met de afgifte van aldosteron.
Vraag 13: Wat is het directe fysiologische effect van aldosteron op de nieren binnen het RAAS?
A) Het zorgt voor vaatverwijding van de afferente arteriolen.
B) Het stimuleert de nieren om extra natrium (en daardoor water) te reabsorberen.
C) Het remt de GFR om het verlies van elektrolyten te voorkomen.
D) Het verhoogt de permeabiliteit van de glomerulus voor plasma-eiwitten.
Vraag 14: Welke prikkel leidt tot de afgifte van Antidiuretisch Hormoon (ADH / Vasopressine) en wat is
het effect op de nierfysiologie?
A) Een te laag plasmavolume gemeten door boezemreceptoren; het remt de reabsorptie van
natrium in de Lis van Henle.
B) Een te hoge osmotische waarde (watertekort) of lage bloeddruk; het maakt de verzamelbuizen
doorlaatbaar voor water, wat leidt tot waterretentie en geconcentreerde urine.
C) Een stijging van de bloeddruk gemeten door baroreceptoren; het stimuleert de uitscheiding
van extra water en natrium via de urine.
D) Een daling van de GFR; het activeert de omzetting van angiotensinogeen in de lever.
Vraag 15: Welk hormoon fungeert als de directe antagonist van het RAAS wanneer het bloedvolume te
hoog is?
A) Atriaal Natriuretisch Peptide (ANP).
B) Antidiuretisch Hormoon (ADH).
C) Erytropoëtine.
D) Calcitriol (actieve vitamine D).
Pagina 3