vanaf nul
Deze samenvatting begint bij de basis. Elk begrip wordt eerst uitgelegd in gewone taal, daarna komt
een voorbeeld en pas daarna gebruiken we het. Lees het rustig door, het bouwt op.
Eerst even: hoe werkt het examen?
Het centraal examen aardrijkskunde gaat over vier domeinen:
• Domein B – Wereld: hoe de wereld in elkaar zit (rijke vs. arme landen, grote steden in de VS).
• Domein C – Aarde: hoe de aarde fysiek werkt (vulkanen, klimaat, landschappen) + het Middellandse
Zeegebied.
• Domein D – Zuid-Amerika: één continent dat je tot in detail moet kennen.
• Domein E – Nederland: water (overstromingen) en steden.
Daarnaast is er domein A (vaardigheden): kaarten lezen, redeneringen opbouwen, vraagstelling
herkennen. Dat verwerk je in elk antwoord.
Drie woorden die je veel zult tegenkomen:
• Schaalniveau = op welk niveau kijk je: lokaal (een wijk), regionaal (provincie), nationaal (land),
continentaal (werelddeel), mondiaal (hele wereld). Een goed antwoord schakelt vaak tussen niveaus.
• Dimensie = vanuit welke invalshoek kijk je: natuurlijk (klimaat, bodem), economisch (geld, werk),
politiek (macht, beleid), sociaal-cultureel (taal, religie, gewoonten), demografisch (bevolking).
• Ketenredenering = oorzaak → gevolg → gevolg → gevolg. De examinator wil dat je 'waardoor' en
'dus' meerdere keren in een rij gebruikt. Voorbeeld: 'Het wordt warmer → ijs smelt → zeespiegel
stijgt → laaggelegen kustgebieden lopen onder → mensen moeten verhuizen.'
Domein B – Wereld
B1. Wat is globalisering?
Globalisering (ook wel 'mondialisering') betekent: de wereld raakt steeds sterker met elkaar
verbonden. Spullen, geld, mensen, ideeën en informatie reizen makkelijker en sneller dan vroeger.
Daardoor lijkt de aarde een 'global village' — een wereldwijd dorp.
Stel je dit voor: jij draagt een T-shirt dat in Bangladesh is gemaakt, van katoen uit India, ontworpen in
Zweden, gekocht via een Amerikaanse webshop. Vroeger kwam je kleding gewoon uit het dorp. Dat
verschil is globalisering.
,De vier dimensies van globalisering (vier 'soorten' verbinding):
1. Economisch — Bedrijven werken wereldwijd. Een multinational (MNO) is een bedrijf dat in
meerdere landen actief is, bijvoorbeeld Apple of Shell. Geld stroomt over de hele wereld
(kapitaalstromen). De internationale arbeidsverdeling betekent: rijke landen doen het 'denkwerk'
(ontwerp, marketing), arme landen doen het 'maakwerk' (productie).
2. Cultureel — Cultuur verspreidt zich. Amerikanisering = Amerikaanse cultuur (McDonald's,
Hollywood, Netflix) overal ter wereld. Lingua franca = de taal die overal als gemeenschappelijke taal
wordt gebruikt — meestal Engels. Tegenreactie: mensen willen juist hun eigen regionale of nationale
identiteit beschermen.
3. Politiek — Landen werken samen in clubs zoals de EU, VN, WTO (Wereldhandelsorganisatie). De
staat verliest een beetje macht, omdat regels van bovenaf (EU) bepalen wat er in een land mag.
4. Demografisch — Mensen verplaatsen zich. Migratie zorgt dat rijke landen vergrijzen (veel ouderen)
terwijl arme landen juist veel jongeren hebben.
Belangrijk: deze dimensies beïnvloeden elkaar. Als bedrijven verhuizen (economisch), trekken er
mensen mee (demografisch), en die nemen hun cultuur mee (cultureel).
Tijdruimtecompressie — moeilijke woord, simpele betekenis:
Door betere techniek (vliegtuigen, internet, containerschepen) lijkt de wereld kleiner. New York ligt
nog steeds 5800 km van Amsterdam (absolute afstand = blijft gelijk), maar je belt of vliegt er sneller
heen (relatieve afstand = kleiner). Tijdruimtecompressie = de relatieve afstand wordt korter.
Afstandsverval = hoe verder iets weg is, hoe minder invloed. Vroeger was dat sterk: nieuws uit Azië
deed maanden over een reis naar Europa. Nu is afstandsverval veel zwakker geworden.
Wereldsysteem van Wallerstein — een manier om de wereld in 3 groepen te delen:
• Centrum = de rijke, machtige landen. Doen 'hoogwaardig' werk (ontwerp, banken, technologie).
Voorbeelden: VS, West-Europa, Japan.
• Semi-periferie = landen die op weg zijn naar rijk. Vooral industrie, beginnende dienstensector. BRICS
= Brazilië, Rusland, India, China, Zuid-Afrika. Daar komt soms MIST bij: Mexico, Indonesië, Zuid-Korea
(South Korea), Turkije.
• Periferie = arme landen. Vooral landbouw en grondstoffen (mijnbouw, olie). Afhankelijk van het
centrum dat hun grondstoffen koopt.
Hoe het centrum invloed heeft op de periferie:
• Diffusie = verspreiding. Innovaties (auto's, smartphones) ontstaan eerst in het centrum en
verspreiden zich daarna naar buiten.
• Spread-effect = welvaart sijpelt door naar de omgeving. Een groeiende stad zorgt dat dorpen
eromheen ook profiteren.
• Backwash-effect = het tegenovergestelde. De grote stad trekt juist mensen, geld en bedrijven wég
uit de omgeving, waardoor het platteland leegloopt.
, Geschiedenis in 1 alinea:
Tot ~1970: Europa overheerste de wereld (kolonialisme, imperialisme). Daarna kwamen koloniën vrij
(dekolonisatie). Vanaf ~1970: de Triade (VS, EU, Japan) was de motor. Industrie verhuisde naar
lagelonenlanden — dat heet de nieuwe internationale arbeidsverdeling of global shift. Vanaf ~1980
ging globalisering in een stroomversnelling. Nu zijn de BRICS-landen sterk in opkomst en wordt de
wereld 'multipolair' (meerdere machtscentra in plaats van alleen het Westen).
Ketenredenering globalisering (voorbeeldje voor het examen):
Lage lonen in Bangladesh → westerse multinationals verhuizen kledingfabrieken daarheen →
werkgelegenheid en inkomens in Bangladesh groeien een beetje (semi-periferie kenmerk) → tegelijk
verliezen West-Europese textielarbeiders hun baan (deïndustrialisatie) → die regio's krijgen
werkloosheid, maar in steden groeit juist de kenniseconomie (banken, IT). Conclusie: globalisering
verdeelt winst en verlies ongelijk over de ruimte.
Voor- en nadelen:
+ Goedkopere producten, kennisdeling, ontwikkeling van semi-periferie, mondiale samenwerking,
snellere verspreiding van technologie.
− Toenemende ongelijkheid (binnen én tussen landen), kwetsbaarheid voor crises (corona stopte de
wereldhandel even helemaal), milieuschade door lange productieketens, race to the bottom (landen
onderbieden elkaar met lonen en milieuregels), verlies van regionale identiteit.
Tegenkrachten: protectionisme (handelsbarrières, bv. VS-China), reshoring (productie terughalen),
regionalisering (handelsblokken zoals EU, Mercosur, ASEAN), de-globalisering na corona en de oorlog
in Oekraïne.
B2. Hoe meet je hoe 'ontwikkeld' een land is?
Een indicator is een meetlat: een getal waarmee je landen kunt vergelijken. Niet één getal vertelt het
hele verhaal, dus je gebruikt er meerdere.
Soorten indicatoren:
• Demografisch (over de bevolking): bevolkingsdichtheid (mensen per km²), geboortecijfer,
sterftecijfer, kindersterfte, vruchtbaarheid (gemiddeld aantal kinderen per vrouw), leeftijdsopbouw.
• Economisch: BBP (Bruto Binnenlands Product, totaal verdiend in een land), inkomen per persoon,
koopkracht (wat je voor je geld kunt kopen), beroepsbevolking — hoe verdeeld over primair
(landbouw), secundair (industrie) en tertiair (diensten) werk.
• Sociaal: analfabetisme (% mensen dat niet kan lezen/schrijven), verstedelijkingsgraad (% in steden),
verstedelijkingstempo (hoe snel dat groeit).
• Politiek: democratisch gehalte, mensenrechten, lid van internationale organisaties.
• Cultureel: taal, religie, leefstijl.
Samengestelde indicator: HDI