Aantekeningen voor tentamen!
1455 eerste weeshuis Florence, 1491 in Nederland
In 19e eeuw kwam er omvorming tot kinderbeschermingstehuizen i.v.m. daling sterfte en kritiek.
1905 (1e belangrijke stap in de jeugdzorg!) invoer van de kinderwetten. Het idee ontstond dat
kinderen/jongeren die diefstal o.i.d. hadden gepleegd of in de criminaliteit zaten, heropgevoed
moesten worden i.p.v. hardhandig gestraft
Ook: kinderbeschermingsmaatregel > uithuis plaatsen kon nu, kinderen gingen vooral naar tehuizen.
1921: 1e ondertoezichtstelling (OTS) i.v.m. veel uithuisplaatsingen.
*Ergens tussen jaren ’70 en 1989 is er besloten om de jeugdzorg landelijk te organiseren*
1989: wet op de jeugdhulpverlening (zo-zo-zo beleid, niet meer landelijk) zo dicht mogelijk bij huis,
zo kort mogelijk en zo snel mogelijk hulp bieden).
2005: wet op de jeugdzorg (meer landelijke regie voor de zware vorm van hulpverlening).
2005: bureau jeugdzorg (voor de zware hulpverlening, jeugdbescherming etc.)
1790 ‘Instituut van doven en stommen’ in groningen Henri Guyot
1808 Instituut tot onderwijs van blinden.
1855 Idiotenschool
Dominee van Koetsveld was eind 19e eeuw de eerste die het handelen van kinderen met een
beperking of stoornis onderbouwde. (van de haagse idiotenschool)
Jan Klootsema (1867- 1926) grondlegger van de orthopedagogiek.
Hij schreef over “Misdeelde kinderen (1904) en beschrijft vier groepen ‘misdeelde’ kinderen:
1. idiote en achterlijke kinderen
2. misdadige kinderen
3. verwaarloosde kinderen
4. doofstomme, blinde en epileptische kinderen
Ontwikkelingstaken
Babytijd: regulering van biologische processen, veilige hechting
Peutertijd: regulering van affect, zelfbepaling
Voorschoolse leeftijd: zelfregulering, relaties buiten familie
Schoolse leeftijd: academische vaardigheden en sociale omgeving
Transactioneel model van Knorth: het geheel is een krachtenveld dat het kind als ware omhult en
alle mogelijke relaties, verbindingen en hun richtingen weergeeft. Dit wordt ingedeeld binnen-
gezinsfactoren, buiten-gezinsfactoren, schoolfactoren en kindfactoren.
1
,Balansmodel van Bakker over de risico en beschermende factoren op micro, meso en macro niveau.
Bronfenbrenner: gaat over de verschillende systemen: micro, meso, macro, exo, chrono
Systeemtheorie: gaat over alle leden in het gezin en alle relaties binnen het gezin en hoe deze elkaar
beïnvloeden.
Kok orthopedagogische vraagstelling
- assenstelsel, die gaat over de relatie die veel/weinig warmte biedt. Daarnaast de mate van
structuur en de mate waarin je je moet conformeren (waarin je jezelf kan zijn of niet). Van die drie
assen maakte hij een model van.
Neuropsychologisch denkmodel & psychopathology gaat ervan uit dat gedrag, emoties en
leerproblemen (deels) verklaard kunnen worden door de werking van de hersenen en cognitieve
processen.
Model van Pennington: kijkt naar de neurobiologische kant van ontwikkeling. Het model gaat dieper
in op de kind factoren en kijkt naar het individu. Etiologische factoren hebben invloed op de
hersenontwikkeling. De hersenontwikkeling heeft invloed op de neuropsychologie en dit heeft weer
invloed op gedrag. En dit weer op de omgeving, reactie van de omgeving weer op het kind, wat weer
invloed heeft op de hersenontwikkeling.
De vier niveaus voor het ontstaan van risicofactoren zijn: risicofactoren in de persoon, gezinsniveau,
schoolniveau en vrijetijdsniveau
Integraal VVE programma:
- piramide (kind begeleidend, vaak een overkoepelend thema centraal en daarmee moeten de
kinderen oriënteren, demonstreren, verbreden en verdiepen).
- startblokken van basisontwikkeling (kindvolgend leren) spel staat centraal
- speelplezier
- uk&puk
- Kameleon
- Bas in de klas
Aanvullende VVE programma’s: boekstart, boekenpret, tools of mind
Verschil talensensibilisering en translanguaging
Bij talensensibilisering worden er activiteiten gedaan om alle kinderen in contact te brengen met
verschillende talen en om een metalunguistisch bewustzijn te creëren. Bij translanguaging gaat het
meer om de houding van een leraar/de klas, om een klassenklimaat te creëren waarbij alle talen
welkom zijn in de klas.
Onderwijsachterstandenindicator = indicator berekent o.b.v. omgevingskenmerken het risico op
onderwijsachterstand per kind.
"Volgens Rispens ligt de focus van diagnostiek en onderzoek op de ontwikkeling van het kind. Dit
verschilt van Horst, die meer aandacht heeft voor de beleving van ouders rondom het kind.”
2
,Ziekte (oorzaak) > stoornis (afwijking in structuur of functie) > beperking (beperking in activiteit als
gevolg van een stoornis) > handicap (nadelige positie in de maatschappij)
Rationalisme en Empirisme
Rationalisme: deductief redeneren, algemene kennis toepassen op specifieke situatie
Empirisme: inductief redeneren, van waarnemingen naar algemene geldigheid
Hoorcollege 1: Jeugdzorg in Nederland (historie en introductie)
Krantenkoppen uit 1994 en 1995:
“Jeugdzorg is te versnipperd voor goede hulp.”
“Den-Haag heeft geen oog voor jeugdzorg.”
Recentere krantenkoppen:
“Commissie: reperatieplan voor de jeugdzorg is te mager.”
“Hervorming jeugdhulp vastgelopen, gemeenten zien kosten alleen maar oplopen.”
“Vernederd en verwaarloosd”: rapport gesloten jeugdzorg schetst grimmig beeld.”
Negatieve berichtgeving over de jeugdzorg bestaat dus al decennia!
Weeshuizen waren in eerste instantie bedoeld voor wezen/vondelingen, maar later ook voor arme
kinderen. Weeshuizen werden “de kraamkamers van de jeugdzorg” genoemd.
Het eerste weeshuis ter wereld: 1455 is Florence.
In Nederland 1491 en in de 16e eeuw in elke stad.
Weeshuizen waren 1e georganiseerde vorm van het bieden van zorg voor kinderen (er waren veel
sterftes, ziektes, armoede in die tijd, waardoor er veel wezen waren, omdat er veel ouders die hun
kind niks konden bieden en dus de ouders hun kind ter vondeling legden).
Later werd de functie van die weeshuizen dus uitgebreid, bijvoorbeeld ook voor kinderen waarvan
de ouders in de gevangenis zaten, of echt in extreme armoede opgroeide, de doelgroep breidde zich
langzaam uit.
Weeshuizen waren geén prettige plek om op te groeien
Voorbeelden strafmaatregels:
- gestrafte kinderen moesten in de 18e eeuw een blok aan het been, om te kunnen voortbewegen
moesten ze het blok met de handen dragen. Op zondag moesten ze met het blok aan hun been mee
naar de kerk.
- De schrobbelbank van het weeshuis in de 18e eeuw: voor straf moesten de jongeren
voorovergebogen op de bank liggen om met een geslagen te worden
Afname weeshuizen
In de 19e eeuw kwam er steeds meer kritiek: gebrek aan persoonlijke aandacht in de weeshuizen,
harde discipline in de weeshuizen, “verhaal van Oliver twist”
Naast de kritiek, verminderde ook het aantal weeskinderen door de daling van de sterftekansen door
verbeterde medische zorg, minder ziektes, wat minder armoede. Minder ouders stierven hierdoor
voortijdig.
3
, Er kwam een omvorming van weeshuizen tot kinderbeschermingstehuizen
Ontstaan kinderbescherming
Eerste belangrijke stap: in 1905 werden kinderwetten ingevoerd.
Het idee ontstond dat kinderen/jongeren die diefstal o.i.d. hadden gepleegd of in de criminaliteit
zaten, heropgevoed moesten worden i.p.v. hardhandig gestraft, zoals het eerder werd gedaan.
Met die kinderwetten ontstond dus dat jongeren niet alleen gestraft werden. Maar juist ook
leerden wat ze wel moeten doen
Ook: kinderbeschermingsmaatregel werd ingevoerd, waardoor kinderen uit huis geplaatst konden
worden (vooral in tehuizen). Er was eerst geen tussenoptie, maar gewoon gelijk uit huis. Dit zorgde
voor een enorme toename in het aantal uithuisplaatsingen
1921: eerste ondertoezichtinstelling (OTS). Soort tussenvariant omdat er heel veel uithuisplaatsingen
waren gekomen. Kinderen konden onder toezicht van de staat geplaatst worden, zonder dat ze direct
uit huis geplaatst moesten worden. (Eigenlijk zoals het nu ook is)
Dus: de kinderwetten uit 1905 en de OTS uit 1921 (twee wetswijzigingen), zorgden voor directe
mogelijkheid voor overheid om in te grijpen en resulteerde in meer uithuisplaatsingen. Kinderen die
uit huis geplaatst werden kwamen vooral terecht in tehuizen, dat vond de staat het best, want “hoe is
het zo zeker dat pleegouders goede ouders zouden zijn.”
Drie groepen kinderen bij uithuisplaatsingen:
1. Verwaarloosde/mishandelde kinderen
2. Kinderen in criminaliteit (nieteens hele zware delicten)
3. Kinderen uit gedepriveerde gezinssituatie (wezen, grote armoede, ouders met
fysieke/psychologische beperking etc.)
Na-oorlogse ontwikkelingen (De laatste 70/75 jaar)
Jaren ‘50/’60:
Opkomst gedragswetenschappen als discipline
Van opvang/verzorging > hulpverlening/behandeling (in plaats van het kind alleen ergens
anders op te vangen en verzorgen, schoof de balans meer naar het idee dat ze ook
pedagogisch werk moesten gaan leveren, zoals kinderen helpen/behandelen)
Integratie tehuizen met samenleving (de tehuizen waren eerst een beetje afgezonderd,
waardoor die kinderen buiten de samenleving opgroeiden)
Jaren ’70:
Jeugdzorg niet eenduidig georganiseerd (er kwamen steeds meer organisaties/stichtingen die
bedoeld waren om kinderen/jongeren/ouders/gezinnen te helpen. Alleen dit was niet goed
georganiseerd (ook veel verschillende stromingen, de hulp van dorp A scheelde erg van dorp
B) – hier kwam kritiek op, zou verbeterd moeten worden, zodat er minder willekeur ontstaat
in de behandeling van kinderen.
Verzuild/verkokerd
Inhoudelijk lag de nadruk van de zorg steeds meer op het gezin/ belang van het opgroeien
van een kind in een gezin/ hulp aan ouders.
4