Inhoudsopgave
Stappenplan roerend of onroerend (art. 3:3 BW jo. 5:20 BW).........................................................................2
Weg 1: Portacabin-arrest: Directe (verticale) natrekking (natrekking met de grond) Art. 3:3 lid 1 BW jo. 5:20
lid 1 sub e BW................................................................................................................................................ 3
Weg 2 + 3: Indirecte (horizontale) natrekking Depex + UBT/Glencore: art. 3:4 BW jo. 5:20 lid 1 sub e BW.......4
Bestanddeelvorming & natrekking onroerende zaken:.......................................................................................4
Stappenplan natrekking roerende zaken (art. 5:14 BW jo. 3:4 BW).................................................................6
Stappenplan eigenlijke-vermenging 5:15 BW jo. 5:14 lid 3 BW........................................................................7
Stappenplan zaaksvorming 5:16 BW jo. 5:14 BW............................................................................................9
Stappenplan oneigenlijke vermenging 3:109 BW jo. art. 3:119 BW...............................................................11
Inhoud van beperkte rechten (beslisschema) WG week 3............................................................................12
Burenrecht (m.s. misbruik van recht ex art. 3:13 lid 2 BW)............................................................................14
Burenrecht (5:42 BW bomen in de verboden zone)..........................................................................................15
Wanneer is sprake van hinder (art. 5:37 BW)....................................................................................................15
Appartementsrecht (5:106 BW).................................................................................................................... 16
Afdeling van gemeenschap.......................................................................................................................... 18
Overdracht van een onverdeeld aandeel van de deelgenoot zelf..................................................................18
Beheersregeling........................................................................................................................................... 18
Verdeling art. 3:182 BW............................................................................................................................... 19
Mandeligheid............................................................................................................................................... 20
Stappelen.................................................................................................................................................... 22
Overdracht.................................................................................................................................................. 22
Uitleg bij registergoederen................................................................................................................................25
Onoverdraagbaarheidsbeding bij vorderingsrechten:.......................................................................................26
Middellijke vertegenwoordiging (week 5: zelfstudie opdr 2).........................................................................27
Verkrijging via een tussenpersoon (week 5 opdr. 2 C)...................................................................................28
Levering bij voorbaat 3:97 BW (ziet niet op vestiging (stil)pandrecht!)..........................................................29
Eigendomsvoorbehoud ex art. 3:91 jo. 3:92 BW........................................................................................... 31
Voorwaardelijke overdracht (zie uitwerking apart document)......................................................................33
, Groninger akte...................................................................................................................................................35
Derdenbescherming..................................................................................................................................... 35
Art. 3:84 lid 3 fiduciaverbod......................................................................................................................... 39
Verjaring...................................................................................................................................................... 41
Leverancierskrediet..................................................................................................................................... 46
2. Eigendomsvoorbehoud...................................................................................................................................46
3. (Stil)pandrecht (voorbehouden & bij voorbaat) ex art. 3:231 BW.................................................................50
4. Recht van Reclame ex art. 7:39 lid 1 BW.......................................................................................................53
Prioriteitsregel............................................................................................................................................. 55
Verhaal en retentie...................................................................................................................................... 55
Blokkerende werking art. 453a Rv................................................................................................................ 58
Zuivering art. 3:273 BW................................................................................................................................ 59
Vorderingsrecht........................................................................................................................................... 60
Retentierecht ex art. 3:290 BW.................................................................................................................... 61
Gelden van notaris op een kwaliteitsrekening.............................................................................................. 63
Overgangsrecht........................................................................................................................................... 63
Uitwinning zekerheden................................................................................................................................ 64
Fiscus:.......................................................................................................................................................... 66
Samenloop.................................................................................................................................................. 68
Art. 3:3 en art. 3:4 BW ga je kijken of het roerend of onroerend is
Art. 5:20 lid 1 sub e BW geeft uitkomst en wie is eigenaar van het goed
Als er wordt gevraagd wie eigenaar is van het goed hoef je niet eerst uit te werken of het gaat in een roerende of
onroerende zaak. Je kijkt dan gelijk naar 5:20 lid 1 sub e BW en welke vorm van natrekking aan de orde is.
Stappenplan roerend of onroerend (art. 3:3 BW jo. 5:20 BW)
Is iets onroerend volgens art. 3:3 BW dan automatisch ook eigenaar volgens 5:20 BW.
Wegen die je kan toepassen bij natrekking:
1. Weg 1: Portacabin-arrest Art. 3:3 lid 1 BW jo. 5:20 lid 1 sub e BW
2. Weg 2: Depex arrest + Pro rail/Rijswijk Art. 3:4 lid 1 BW jo. art. 5:3 BW
(verkeersopvattingen)
3. Weg 3 UTB/Glencore Zalco II Art. 3:4 lid 2 BW jo. art. 5:3 BW (fysieke
verbondenheid)
Als het op één (of meer) van de drie manieren wordt nagetrokken, is het onroerend (denk aan Zalco)
Indien de vraag gaat over roerend of onroerend gaat moet je onderstaande stappen volgen:
2
,De hoofdvraag is of (naam) roerend of onroerend is. Deze vraag moet ik beantwoorden aan de hand
van art. 3:3 BW jo. 5:20 BW. Het gaat er dus om of een gebouw of werk is dat duurzaam met de grond
is verenigd. Iets is roerend als zij:
Niet verticaal natrekken van de grond;
Niet natrekken aan het gebouw;
Als ze geen bestanddeel vormen van het gebouw
Natrekking Onroerende zaak
Weg 1: Portacabin-arrest: Directe (verticale) natrekking (natrekking met de grond)
Art. 3:3 lid 1 BW jo. 5:20 lid 1 sub e BW
Natrekking onroerende zaken art. 3:3 lid 1 BW: Let op art. 3:3 lid 1 BW gaat specifiek over
onroerende zaken. De vraag zal moeten worden beantwoord a.h.v. art. 3:3 jo. 5:20 lid 1 sub e BW.
Stap 1: Is er sprake van een gebouw of werk?
Gebouw: een ommuurde ruimte die overdekt is.
Werk: een door de mens gemaakte zaak (zoals een muur).
Stap 2: Is er sprake van vereniging met de grond?
HR Woonark: De vereniging kan niet enkel worden aangenomen op grond van een verbinding door
middel van kabels en de aansluiting op nutsleidingen en riolering. Er zat een stuk tussen de grond en
de woonark, nl het water. Er was geen verbinding met woonark en tussenliggende grond. Het is ten
miste vereist dat er contact is tussen het object en de grond. Geen onroerende zaak.
HR Havenkranen: Voor vereniging is vereist dat het in feitelijk in voortdurende verbinding moet staan
met de grond. m.a.w. als het de grond voortdurend aanraakt is het feitelijk verbonden met de grond.
Het feit dat het elke keer heen en weer gaat maakt niet uit!
Stap 3: Zo ja, is die vereniging duurzaam?
HR Portacabin:
1. Een gebouw kan duurzaam met de grond verenigd zijn in de zin van art. 3:3, doordat het naar aard
en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. De technische mogelijkheid om het
bouwsel te verplaatsen is niet van belang + De afspraken van partijen doen er niet toe en mogen dan
ook niet worden meegenomen in de beoordeling
2. Bij beantwoording van de vraag of een gebouw of werk bestemd is om duurzaam ter plaatse te
blijven moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten kenbaar is. De
uiterlijke kenmerken van het gebouw of werk zijn hierbij dus doorslaggevend. Is het voor een
voorbijganger bijvoorbeeld duidelijk of het werk of het gebouw, gelet op de uiterlijke kenmerken, er
niet tijdelijk staat?
3. De verkeersopvatting vormt geen zelfstandige beoordelingsmaatstaf voor de beoordeling van de
vraag of een zaak roerend of onroerend is. Wel kunnen zij worden gebruikt om de termen ‘duurzaam’,
‘verenigd’, ‘bestemming’ en naar ‘buiten kenbaar’ in te vullen
Stap 4: De vaststelling dat het gebouw of werk onroerend is in de zin van art. 3:3 lid 1, leidt ertoe dat
het (in beginsel) behoort tot de eigendom van de grond (art. 5:20 lid 1 sub e). De grondeigenaar is
echter niet altijd eigenaar van alles wat zich op of in zijn grondstuk bevindt. Sprake een lid 2 -geval,
een van wettelijke afwijkingen waaraan de aanhef van art. 5:20 lid 1 refereert (bijv. opstalrecht art.
5:101 BW) of bestanddeelvorming (art. 5:20 lid 1 sub e jo. art. 3:4 lid 1)
Stap 5: Formuleer conclusie + arresten + wetsartikelen
Als aan 1 van de 2 niet is voldaan, kom je er niet aan. Dan is de onroerende zaak niet nagetrokken en
kom je er niet aan.
Bovenstaande gaat over verticale natrekking.
3
, Let op een onroerende zaak moet altijd duurzaam (Portacabin) zijn + duurzaam verenigd met de
grond (Woonark + Havenkranen).
Het moet duurzaam aanwezig zijn + voortdurende feitelijke verbinding (duurzame vereniging). Als
aan 1 van de 2 niet is voldaan, kom je er niet aan. Is de onroerende zaak niet nagetrokken en kom je
er niet aan
Weg 2 + 3: Indirecte (horizontale) natrekking Depex + UBT/Glencore: art. 3:4 BW jo.
5:20 lid 1 sub e BW
Bestanddeelvorming & natrekking onroerende zaken:
Bestanddelen zijn geen zaken, omdat zij geen zelfstandig leiden. Of een zaak bestanddeel van een
andere zaak is, wordt bepaald door art. 3:4 BW). Het is van belang om te weten of iets wel of geen
bestanddeel is, want op grond van art. 5:3 BW is de eigenaar van de hoofzaak ook eigenaar van alle
bestanddelen.
Art. 3:4 lid 1 BW: verkeersopvattingen HR Depex/Curatoren & HR ProRail/Rijswijk (aanwijzing
tegen natrekking)
Art. 3:4 lid 2 BW: fysieke verbondenheid (kan niet zonder kapot maken) UTB/Glencore Zalco II
Stappenplan:
Stap 1: Bekijken of 3:4 lid 1 of lid 2 BW van toepassing is
1. Eerst kijk je in art. 3:4 lid 2 BW: beschadiging van enige betekenis. Wordt het onherstelbaar
beschadigd als je het uit elkaar haalt? Zo nee, dan is het niet 1 zaak.
2. Zo ja, dan kijk je in art. 3:4 lid 1 BW; verkeersopvattingen. Twee aanwijzingen zijn te vinden in
HR: Depex/Curatoren. De hoge raad heeft in het depex arrest twee aanwijzingen gegeven die
gebruikt kunnen worden bij het beantwoorden van de vraag of het een bestanddeel betreft
Stap 2: Vaststellen wie eigenaar is op grond van art. 5:3 BW + benoemen dat er sprake is van
(horizontale) natrekking.
1) Art. 3:4 lid 1 jo. 5:3 BW: verkeersopvatting
In art. 3:4 lid 1 BW staat dat iets ook eigendom kan zijn van een andere zaak als het daarvan een
bestanddeel is naar verkeersopvattingen. Als het naar verkeersopvattingen bestanddeel is behoord het
tot die zaak + eigendom van die zaak natrekking.
Het criterium is beoordeling naar verkeersopvattingen verkeersopvattingen zijn geen standaard
criterium, alleen bij weg 2!
HR Dépex: het zijn slechts aanwijzingen en geen criteria!
- Afstemmingscriterium: constructief op elkaar afgestemd. Bijv: het huis is speciaal zo gemaakt dat
het er precies in past Aanwijzing dat het er naar verkeersopvattingen bij hoort.
- Incompleetheidscriterium: als het zonder dat onderdeel incompleet zou zijn. Als je een onderdeel
weghaalt waardoor de machine niet werkt, maakt de machine incompleet. De machine kan niet meer
functioneren.
bij het incompleetheidscriterium moet je niet kijken naar het toevallige bedrijf die op dat moment
in dat bedrijf zit. Je moet kijken naar het gebouw als zodanig. De spullen in een kantoorgebouw
maken het gebouw niet incompleet. Je moet kijken naar het kale gebouw ansich, is dat incompleet.
HR ProRail/Rijswijk (ECLI:NL:HR:2012:BX7474)
- Tijdelijke hulpfunctie: was niet bestemd om duurzaam ter plaatste te blijven destijds. Op grond van
Portacabin werd het niet nagetrokken. Tegenaanwijzing dat iets niet constructief op elkaar afgestemd
is Als iets een tijdelijke hulpfunctie heeft wordt het niet op elkaar afgestemd!
Hierboven is een aanwijzing tegen natrekking.
4