Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 3 van de 4 pagina's
College aantekeningen

WC 1 Belastingrecht II 2014/2015

Document preview thumbnail
Voorbeeld 3 van de 4 pagina's

Collegedictaat van 4 pagina's voor het vak Belastingrecht II aan de VU

Voorbeeld van de inhoud

Vraagstuk deelnemingen
----------------------------------

Casus 1.

A NV is een in Nederland gevestigde vennootschap die zich bezig houdt met de
fabricage van chemische producten. A NV heeft een binnenlandse dochter B NV (geen
fiscale eenheid). De navolgende feiten doen zich voor.

a) A NV verstrekt aan B NV een lening van € 1.000.000 tegen een rente van
12% per jaar. De marktrente voor een dergelijke lening bedraagt 8% per
jaar;
Het gaat hier om een onzakelijke lening, deze moet zakelijk worden gemaakt (art. 8b Vpb).
Normaal gesproken is de rente 8%.
Volgens art. 2 lid 5 Vpb wordt deze 8% rente tot de winst van A NV gerekend, voor B NV is
dit gewoon een kostenpost.
Wie bevoordeelt wie in dit geval? B bevoordeelt A door extra rente te geven. Voor B is deze
extra 4% rente geen kostenpost, maar verkapt dividend. Ook mag A deze extra 4% niet tot
de winst rekenen, ook verkapt dividend.
Maar: B is een dochter van A, dus dit voordeel (de extra 4% rente) wordt niet belast door de
deelnemingsvrijstelling van art. 13 lid 1 Vpb. Ervan uitgaande dat A tenminste 5% van B bezit
(art. 13 lid 2a Vpb). Wanneer sprake is van een dochter mag je ervan uitgaan dat het gaat
om meer dan 5%.
De extra rente wordt dus niet belast en de 8% ‘normale’ rente moet A tot de winst rekenen.
b) A NV koopt in 2011 een in een EU land gevestigde dochter alwaar de
winstbelasting 2 % bedraagt .De bezittingen van de dochter bestaan alleen
uit een effectenportefeuille ( aandelen en obligaties) en liquide middelen
zoals banksaldi. Deze dochter keert in 2014 € 100.000 dividend uit aan A
NV.
Opmerking vooraf: beleggen is normaal vermogensbeheer. Wanneer geen sprake is van een
belegging wordt een dochter gezien als een verlengstuk van het bedrijf.
De dochter is hier geen actieve onderneming. Is er sprake van deelnemingsvrijstelling bij de
uitkering van dividend aan A NV?
A NV koopt de dochter, dus 100% bezit (art. 13 lid 2a Vpb). Aangezien de dochter geen
actieve onderneming is, kan ervan uit worden gegaan dat A de dochter gekocht heeft als
belegging.
Art. 13 lid 9 Vpb stelt dat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is wanneer sprake is
van een belegging, dit om te voorkomen dat met een dochter in het buitenland belasting
wordt ontweken. De dochter heeft hier als hoofdbezigheid zelf beleggen.
Maar: zie art. 13 lid 9 laatste zin jo. Art. 13 lid 11: Is er sprake van een gekwalificeerde
belegging?
Is er sprake van een in Nederland reële heffing? De winstbelasting is in het land van de
dochter 2% (dit is trouwens niet realistisch voor een EU-land), dat is minder dan 10% dus
nee.
Bestaat de dochter uit minder dan de helft beleggingen? Nee, zij bestaat voor 100% uit
beleggingen.

,Er is hier dus geen sprake van een gekwalificeerde belegging, maar een gewone belegging.
De deelnemingsvrijstelling is dus niet van toepassing op de uitkering van dividend aan A en
wordt dus gewoon belast.
Eerst 2% in het land van de dochter, daarna komt het bij de winst van A en wordt er
nogmaals 25% Vpb over geheven. Dat is dus twee keer belasting over hetzelfde
vermogensbestanddeel (dubbele heffing).
Art. 13aa Vpb geeft een oplossing: dit artikel gaat uit van 5% in het buitenland. Lid 2: 100/95
x 100.000 (dividend uitkering) = 105.000  hierover moet 25% Vpb worden betaald. Maar:
nog steeds geen verrekening! Daarom: art. 23c Vpb: 5% van 105.000 = 5.250, of: 25% van
105.000 = 26.500
De laagste van deze twee (dit zal met een percentage minder dan 25 dus altijd de eerte
keuze zijn), mag worden verrekend met de totale winst.
PS: Als er sprake is van een EU-dochter mag je ook het echte percentage nemen in plaats van
de gegeven 5%, dit staat in art. 23c lid 3 Vpb.
Wat zijn de gevolgen voor de vennootschapsbelasting voor A NV betreffende de hiervoor
doende feiten en omstandigheden?


Casus 2

a) G NV heeft begin jaar 2000 dochtervennootschap J NV gekocht voor 30 mio.
In de loop van de jaren is dit een verliesgevend bedrijf geworden. In het kader
van een reorganisatie wil G NV van deze dochteronderneming af. G NV heeft de
keus om J NV te verkopen aan het zittende management van J NV voor 8 mio of
de vennootschap te liquideren. De uiteindelijke liquidatie-uitkering zal naar
verwachting slechts 2 mio bedragen.

Geef een gemotiveerde beschouwing over de gevolgen voor de
vennootschapsbelasting voor G NV van beide keuzes en geef tevens aan welke
keuze vanuit fiscaal optiek voor G NV de voorkeur heeft.
Eerste optie: G NV verkoopt J NV aan het zittend management voor 8 mio.
Aankoop: 30 mio – 8 mio = 22 mio verlies. Volgens artikel 2 lid 5 Vpb mag er dan 22 mio als
verlies worden genomen.
Deelnemingsvrijstelling? Er is hier sprake van een koersverlies, maar dit mag niet verrekend
worden, want de dochter houdt niet op te bestaan. Het zittend management van J NV gaat
door.
De tweede optie: liquidatie.
2 miljoen winst. 2-30= -28 (verlies)  liquidatieverlies, dit mogen zij dus wél van de winst
aftrekken.
28 miljoen x 25% = 7 miljoen teruggave van de belasting. Wanneer je de twee miljoen winst
hierbij optelt kom je dus op een totaal van 9 miljoen wanneer het wordt geliquideerd, en 8
miljoen wanneer het wordt verkocht.
De tweede optie zal dus vanuit fiscaal optiek de voorkeur hebben bij G NV.

b) S NV heeft alle aandelen in T NV ( geen fiscale eenheid).

, Zowel in 2010 als in 2011 heeft T NV aan S NV 50.000 dividend uitgekeerd. Door
de aanhoudende recessie ontstaan er bij T NV dusdanige grote verliezen dan S NV
in 2013 besluit T NV te liquideren. De liquidatie-uitkering bedraagt nog € 800.000.
Er wordt nog opgemerkt dat S NV T NV destijds heeft gekocht voor € 5.000.000.
S NV bezit 100% van T NV, gekocht voor 5.000.000.
2010 + 2011: T NV keert 50.000 dividend uit aan S NV
2013: liquidatie T NV voor 800.000.

Art. 13d Vpb: deelnemingsvrijstelling niet van toepassing op liquidatieverlies.
Berekening liquidatieverlies (art. 13d lid 2): lid 3: liquidatie-uitkering = 800.000 + (2 x 50.000
dividend) = 900.000
900.000 – 5.000.000 = - 4.100.000 (verlies, maar dus geen ‘liquidatieverlies’). Dit bedrag kan
S NV aftrekken van de winst.
NB: ook verkapte dividenden moeten worden meegetrokken volgens deze regeling.

Casus 3

In het jaar 0 heeft M NV alle aandelen L NV verkocht aan Q NV. M NV heeft over de
verkoopprijs inzake de aandelen L NV met Q NV het navolgende afgesproken De
verkoopprijs van de aandelen L NV zal bestaan uit :
1) een bedrag ineens van € 4.000.000 (intrinsieke waarde);
en
2) een bedrag gedurende 3 jaar na de verkoop van L NV, gebaseerd op 20% van de
jaarlijks door L NV behaalde winst.
Stel jaarlijkse winst L NV in jaar 1: € 750.000
jaar 2: € 1.000.000;
jaar 3: € 1.500.000;

Als laatste wordt opgemerkt dat M NV de aandelen L NV indertijd heeft
aangekocht voor € 1.000.000
Vraag: Wat is het gevolg voor de vennootschapsbelasting voor M NV m.b.t de
verkoop van de aandelen L NV.
Opmerking: alle genoemde NV’s zijn in Nederland gevestigd.
Waarover geldt de deelnemingsvrijstelling?
Voordat de dochter L NV verkocht werd, werd een bedrag geschat waarvoor de
onderneming werd verkocht. Alles wat buiten deze schatting valt, wordt belast. Alles wat
hierbinnen blijft onbelast  jurisprudentie.
Geschatte bedrag -/- aankoopbedrag = winst volgens de HR. Dit was het geval tot 2001.
Vanaf 2001: art. 13 lid 6 Vpb earn out regeling: totaal bedrag van 4.000.000 + 20% van
3.250.000 = 4.650.000, aankoopbedrag van 1.000.000, dus een winst van 3.650.000  valt
onder de deelnemingsvrijstelling, dus kan niet van de winst worden afgetrokken.

Tot slot: uitleg artikel 13ba Vpb.

Moeder-dochterrelatie. Moeder heeft een vordering van 1.000.000 op dochter. Dochter is
op dit moment nog maar 400.000 waard; moeder mag vordering afwaarderen  600.000
brengen van de winst, want de kans dat zij dit nog terugkrijgen van de dochter is niet reëel.

Documentinformatie

Geüpload op
9 december 2014
Aantal pagina's
4
Geschreven in
2014/2015
Type
College aantekeningen
Docent(en)
Onbekend
Bevat
Alle colleges
€3,49

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
fsr460
4,0
(3)
Verkocht
39
Volgers
27
Items
12
Laatst verkocht
8 jaar geleden

Echte notities, van echte studenten
Elk document op Stuvia is geschreven door een medestudent die hetzelfde vak deed. Zo leer je van iemand die het al heeft gehaald.



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen