4.1 Psychopathology in middle childhood & adolescence
College 1 - ADHD
Symptomatologie
Bestaat uit drie belangrijke pijlers
1) Inattention: moeite met aandacht vasthouden, volgt instructies niet op, vergeten van taken, snel afgeleid
door stimuli
2) Hyperactiviteit/impulsiviteit: niet stil kunnen zitten, moeite met rustig spelen, altijd bezig, veel praten,
moeite met wachten op eigen beurt
3) Combinatie
Pathogenese
● Heritability of 75%
● Environmental risk factors
○ SES, disordered family environments
○ Pregnancy and delivery complications
○ Toxins polychlorinated biphenyls, lead
Heritability: ACE model
Fenotype = A + C +E
● A: additieve genetische effecten (heritability)
● C: gedeelde (common) omgeving → gebeurtenissen die beide tweelingen overkomen op dezelfde manier
● E: unieke omgeving (unique environment) → gebeurtenissen die een van de tweelingen meemaakt, maar
niet de ander
rmz (monozygote tweelingen) = A + C
rdz (dizygote tweelingen)= 1/2 A + C
● 1 - rmz = E
→ A = 2 (rmz - rdz)
→ C = rmz - A
1
,Neuro
Dopamine en noradrenaline/adrenerge (allbei uit basale kern die richting de cortex gaan) die elk een rol spelen
bij processen die mogelijk onderontwikkeld zijn bij ADHD
● De afbeelding laat zien hoe dopamine en noradrenaline
verbonden zijn met ADHD symptomen
○ Dorsolaterale prefrontale cortex: nodig voor
volgehouden aandacht
○ Orbitofrontale cortex: betrokken bij impulscontrole
○ Premotor cortex: hyperactiviteit
○ Anterior cingulate cortex: nodig voor selectieve
aandacht
● Noradrenaline is belangrijk om stimuli te versterken
Impact/burden of disease
Prevalentie: 5-10%, min of meer onafhankelijk van de regio waar het onderzoek is gedaan
Comorbidity is high (65%)
● Learning disabilities in 20-60%
● Anxiety/depression in 20-30%
● Oppositional defiant/conduct disorder in 45-50%
Poor outcomes
● Lower education
● Worse job prospects
● More substance abuse
● More contact with police
● More injuries requiring ER admission
● Increased mortality
● Verhoogd risico op suïcide en homicide
Verloop van ADHD
Kleuterleeftijd (preschool)
● Problemen zijn vaak nog breed en vaag: gedragsproblemen, druk gedrag, moeilijkheden met regulatie
● De kernsymptomen van ADHD zijn nog niet zo duidelijk te onderscheiden
Schoolgaande leeftijd (groep 3/4)
● ADHD-symptomen worden duidelijker zichtbaar
● Vooral impulsiviteit en hyperactiviteit vallen op in de klas en thuis
● Aandachtsproblemen beginnen hier ook een grotere rol te spelen, bijvoorbeeld moeite om stil te zitten
of taken af te maken
Adolescentie
● Hyperactiviteit en impulsiviteit nemen meestal af
● Aandachtsproblemen blijven vaak aanwezig, bijvoorbeeld moeite
met plannen en concentreren bij schoolwerk
● Daarnaast ontstaan vaak secundaire problemen: lage zelfwaardering,
moeilijkheden in sociale interacties, soms ook risicogedrag (roken,
ongelukken)
Na adolescentie ( jongvolwassenen/volwassenen)
● Comorbiditeit neemt toe (zoals angst, depressie, middelengebruik)
● Aandachtsproblemen blijven vaak bestaan, terwijl hyperactiviteit
meestal minder opvallend is.
● In deze fase zie je problemen met studie/werk, relaties en zelfbeeld
2
, Uitleg grafiek
● Groen (Syndromatic persistence): iemand doet nog steeds volledig aan de
diagnosecriteria (DSM) voor ADHD
○ Dit neemt sterk af met de leeftijd: van ±85% op 10 jaar naar bijna 0% op
30 jaar
● Rood (Symptomatic persistence): iemand heeft nog wel symptomen, maar niet
meer genoeg om officieel de diagnose ADHD te krijgen
○ Dit blijft relatief hoog: ook op 30 jaar heeft ±50–55% nog duidelijke
klachten
Diagnostiek
Wat heb je echt nodig?
● Anamnese
● Heteroanamnese ouders
● Ontwikkelingsanamnese
● Voorgeschiedenis/familiale anamnese
● Schoolinformatie
Wat kan aanvullend nuttig zijn?
● Schoolanamnese/observatie
● Psychologisch onderzoek: IQ
● Psychiatrisch onderzoek: observatie
Neuropsychologisch onderzoek: problemen met ecologische validiteit
Behandeling
1) Psychoeducation: first line care
2) Parenting intervention or medication: moderate, severe or refractory ADHD
3) School intervention (on indication) or child psychotherapy (secondary problems)
Methylfenidaat voor ADHD heeft een effectgrootte van 0.8
Psychoeducatie voor ADHD
● Mogelijk voor ouders, kinderen/jongeren, leerkrachten
● Voorlichting over symptomen en beloop van ADHD, de impact van de symptomen op het functioneren en
de behandelmogelijkheden
● Wordt gegeven in veel vormen → individueel, in groep, schriftelijk, digitaal
● Doel van psycho-educatie
○ Kennis over ADHD (symptomen) vergroten
○ Stigma verminderen
○ Acceptatie van symptomen en behandelingen vergemakkelijken
○ Therapietrouw verbeteren
Ouder/leraar begeleiding
● Omgeving optimaliseren
● Leren gedragstherapeutische vaardigheden die zij in de opvoeding van hun kind met ADHD kunnen
toepassen, om zo het gedrag van het kind te beïnvloeden
○ Antecedenten en consequenties van gedrag identificeren
○ Probleemgedrag monitoren
○ Gedrag versterken door positieve aandacht en beloningen
○ Gedrag verminderen door negeren en niet-fysieke “straffen”
● Effectiever voor het verminderen van gedragsproblemen dan voor ADHD symptomen
3
College 1 - ADHD
Symptomatologie
Bestaat uit drie belangrijke pijlers
1) Inattention: moeite met aandacht vasthouden, volgt instructies niet op, vergeten van taken, snel afgeleid
door stimuli
2) Hyperactiviteit/impulsiviteit: niet stil kunnen zitten, moeite met rustig spelen, altijd bezig, veel praten,
moeite met wachten op eigen beurt
3) Combinatie
Pathogenese
● Heritability of 75%
● Environmental risk factors
○ SES, disordered family environments
○ Pregnancy and delivery complications
○ Toxins polychlorinated biphenyls, lead
Heritability: ACE model
Fenotype = A + C +E
● A: additieve genetische effecten (heritability)
● C: gedeelde (common) omgeving → gebeurtenissen die beide tweelingen overkomen op dezelfde manier
● E: unieke omgeving (unique environment) → gebeurtenissen die een van de tweelingen meemaakt, maar
niet de ander
rmz (monozygote tweelingen) = A + C
rdz (dizygote tweelingen)= 1/2 A + C
● 1 - rmz = E
→ A = 2 (rmz - rdz)
→ C = rmz - A
1
,Neuro
Dopamine en noradrenaline/adrenerge (allbei uit basale kern die richting de cortex gaan) die elk een rol spelen
bij processen die mogelijk onderontwikkeld zijn bij ADHD
● De afbeelding laat zien hoe dopamine en noradrenaline
verbonden zijn met ADHD symptomen
○ Dorsolaterale prefrontale cortex: nodig voor
volgehouden aandacht
○ Orbitofrontale cortex: betrokken bij impulscontrole
○ Premotor cortex: hyperactiviteit
○ Anterior cingulate cortex: nodig voor selectieve
aandacht
● Noradrenaline is belangrijk om stimuli te versterken
Impact/burden of disease
Prevalentie: 5-10%, min of meer onafhankelijk van de regio waar het onderzoek is gedaan
Comorbidity is high (65%)
● Learning disabilities in 20-60%
● Anxiety/depression in 20-30%
● Oppositional defiant/conduct disorder in 45-50%
Poor outcomes
● Lower education
● Worse job prospects
● More substance abuse
● More contact with police
● More injuries requiring ER admission
● Increased mortality
● Verhoogd risico op suïcide en homicide
Verloop van ADHD
Kleuterleeftijd (preschool)
● Problemen zijn vaak nog breed en vaag: gedragsproblemen, druk gedrag, moeilijkheden met regulatie
● De kernsymptomen van ADHD zijn nog niet zo duidelijk te onderscheiden
Schoolgaande leeftijd (groep 3/4)
● ADHD-symptomen worden duidelijker zichtbaar
● Vooral impulsiviteit en hyperactiviteit vallen op in de klas en thuis
● Aandachtsproblemen beginnen hier ook een grotere rol te spelen, bijvoorbeeld moeite om stil te zitten
of taken af te maken
Adolescentie
● Hyperactiviteit en impulsiviteit nemen meestal af
● Aandachtsproblemen blijven vaak aanwezig, bijvoorbeeld moeite
met plannen en concentreren bij schoolwerk
● Daarnaast ontstaan vaak secundaire problemen: lage zelfwaardering,
moeilijkheden in sociale interacties, soms ook risicogedrag (roken,
ongelukken)
Na adolescentie ( jongvolwassenen/volwassenen)
● Comorbiditeit neemt toe (zoals angst, depressie, middelengebruik)
● Aandachtsproblemen blijven vaak bestaan, terwijl hyperactiviteit
meestal minder opvallend is.
● In deze fase zie je problemen met studie/werk, relaties en zelfbeeld
2
, Uitleg grafiek
● Groen (Syndromatic persistence): iemand doet nog steeds volledig aan de
diagnosecriteria (DSM) voor ADHD
○ Dit neemt sterk af met de leeftijd: van ±85% op 10 jaar naar bijna 0% op
30 jaar
● Rood (Symptomatic persistence): iemand heeft nog wel symptomen, maar niet
meer genoeg om officieel de diagnose ADHD te krijgen
○ Dit blijft relatief hoog: ook op 30 jaar heeft ±50–55% nog duidelijke
klachten
Diagnostiek
Wat heb je echt nodig?
● Anamnese
● Heteroanamnese ouders
● Ontwikkelingsanamnese
● Voorgeschiedenis/familiale anamnese
● Schoolinformatie
Wat kan aanvullend nuttig zijn?
● Schoolanamnese/observatie
● Psychologisch onderzoek: IQ
● Psychiatrisch onderzoek: observatie
Neuropsychologisch onderzoek: problemen met ecologische validiteit
Behandeling
1) Psychoeducation: first line care
2) Parenting intervention or medication: moderate, severe or refractory ADHD
3) School intervention (on indication) or child psychotherapy (secondary problems)
Methylfenidaat voor ADHD heeft een effectgrootte van 0.8
Psychoeducatie voor ADHD
● Mogelijk voor ouders, kinderen/jongeren, leerkrachten
● Voorlichting over symptomen en beloop van ADHD, de impact van de symptomen op het functioneren en
de behandelmogelijkheden
● Wordt gegeven in veel vormen → individueel, in groep, schriftelijk, digitaal
● Doel van psycho-educatie
○ Kennis over ADHD (symptomen) vergroten
○ Stigma verminderen
○ Acceptatie van symptomen en behandelingen vergemakkelijken
○ Therapietrouw verbeteren
Ouder/leraar begeleiding
● Omgeving optimaliseren
● Leren gedragstherapeutische vaardigheden die zij in de opvoeding van hun kind met ADHD kunnen
toepassen, om zo het gedrag van het kind te beïnvloeden
○ Antecedenten en consequenties van gedrag identificeren
○ Probleemgedrag monitoren
○ Gedrag versterken door positieve aandacht en beloningen
○ Gedrag verminderen door negeren en niet-fysieke “straffen”
● Effectiever voor het verminderen van gedragsproblemen dan voor ADHD symptomen
3