Hoofdstuk 1 Inleiding Strafrecht
Strafrecht gaat over het bestraffen van personen die een strafbaar feit
hebben gepleegd. Alleen de staat mag straffen (strafmonopolie). Burgers
kunnen elkaar daarom niet strafrechtelijk aanklagen; dat gebeurt via de
overheid. Eigenrichting (zelf iemand straffen) is verboden.
Strafprocedure (globaal):
Aangifte → politie onderzoekt → officier van justitie (Openbaar
Ministerie) beslist over vervolging → dagvaarding → rechter beoordeelt
de zaak en kan een straf opleggen.
Slachtoffers kunnen zich in het strafproces voegen als benadeelde partij
om schadevergoeding te vragen.
Doelen van straffen
Preventie
o Generale preventie: anderen afschrikken om misdrijven te
plegen.
o Speciale preventie: voorkomen dat de dader opnieuw een
strafbaar feit pleegt.
Vergelding: de dader krijgt straf als morele genoegdoening voor de
samenleving.
Voorwaardelijke straf: straf wordt alleen uitgevoerd als de
veroordeelde tijdens de proeftijd opnieuw een strafbaar feit pleegt.
Drie onderdelen van het strafrecht
1. Materieel strafrecht
o Bepaalt welk gedrag strafbaar is en wie strafbaar is.
o Staat vooral in het Wetboek van Strafrecht (Sr).
o Bevat ook regels zoals poging, medeplichtigheid en
strafuitsluitingsgronden.
2. Formeel strafrecht (strafprocesrecht / strafvordering)
o Regelt hoe strafzaken verlopen.
o Staat vooral in het Wetboek van Strafvordering (Sv).
o Bijvoorbeeld: bevoegdheden politie, voorlopige hechtenis,
dagvaarding, hoger beroep.
3. Sanctierecht
o Regelt welke straffen mogen worden opgelegd en onder
welke voorwaarden.
Commuun en bijzonder strafrecht
Commuun strafrecht: strafrecht in de algemene wetboeken (Sr en
Sv).
Bijzonder strafrecht: strafbepalingen in andere wetten, zoals de
Opiumwet of Wet wapens en munitie.
Ook gemeenten kunnen strafbare regels vaststellen in een APV.
Opbouw Wetboek van Strafrecht
Boek I: algemene regels (bijv. poging, strafuitsluitingsgronden,
sancties).
Boek II: misdrijven.
Boek III: overtredingen.
Opbouw Wetboek van Strafvordering
, Boek I: algemene bepalingen en opsporingsbevoegdheden.
Boek II: procedure bij de rechtbank (eerste aanleg).
Boek III: rechtsmiddelen (zoals hoger beroep).
Internationaal en supranationaal recht
Internationaal recht: regels tussen staten.
Supranationaal recht: regels van internationale organisaties die
lidstaten moeten volgen, zoals via het Europees Hof voor de
Rechten van de Mens.
Hoofdstuk 2 Inleiding Materieel Strafrecht
Materieel strafrecht
Materieel strafrecht bepaalt welk gedrag strafbaar is. Dit staat vooral
in de wet, maar de rechter kan de betekenis verder uitleggen via
rechtspraak.
Onderdelen van een strafbepaling
Een strafbepaling bestaat meestal uit:
1. Delictsomschrijving – beschrijving van het strafbare gedrag.
2. Kwalificatie – juridische naam van het delict.
3. Strafbedreiging – welke straf mogelijk is en het maximum.
Vierlagenmodel (voorwaarden voor strafbaarheid)
Een strafbaar feit bestaat uit vier onderdelen:
1. Menselijke gedraging (MG) – een doen of nalaten door een mens
of rechtspersoon.
2. Delictsomschrijving (DO) – het gedrag moet in de wet strafbaar
zijn gesteld.
3. Wederrechtelijkheid (W) – het gedrag is in strijd met het recht.
4. Schuld / verwijtbaarheid (V) – de dader kan het gedrag worden
verweten.
Legaliteitsbeginsel
Een feit is alleen strafbaar als het vooraf in de wet staat.
Geen terugwerkende kracht: een gedraging moet strafbaar zijn
op het moment dat deze wordt gepleegd.
Ook lagere regelgeving (bijv. APV van gemeenten) kan strafbare
feiten bevatten.
Interpretatie van wetten
Rechters kunnen wetten uitleggen via:
Wetshistorische interpretatie – kijken naar wetsgeschiedenis.
Grammaticale interpretatie – betekenis van woorden.
Systematische interpretatie – plaats in het wetsysteem.
Teleologische interpretatie – doel van de wet.
Bestanddelen en elementen
Bestanddelen: onderdelen die in de wet staan en moeten
worden bewezen.
Elementen: voorwaarden voor strafbaarheid die niet letterlijk in
de wet staan, zoals wederrechtelijkheid en schuld.
Soms staat wederrechtelijkheid wél in de delictsomschrijving; dan is het
een bestanddeel in plaats van een element.
Soorten delicten
1. Misdrijven en overtredingen
, Misdrijven: ernstiger strafbare feiten (Boek 2 Sr).
Overtredingen: minder ernstige feiten (Boek 3 Sr).
Belangrijk verschil:
Poging en medeplichtigheid zijn alleen strafbaar bij misdrijven.
Veel dwangmiddelen gelden alleen bij misdrijven.
2. Formele en materiële delicten
Formele delicten: het doen van de handeling is strafbaar (bijv.
diefstal).
Materiële delicten: het veroorzaken van een gevolg is
strafbaar (bijv. doodslag).
3. Commissie- en omissiedelicten
Commissiedelict: strafbaar door handelen.
Omissiedelict: strafbaar door nalaten (iets niet doen terwijl dat
wel moest).
4. Gekwalificeerde en geprivilegieerde delicten
Gekwalificeerd delict: extra bestanddeel dat zwaardere straf
geeft.
Geprivilegieerd delict: extra bestanddeel dat lichtere straf
geeft.
Causaliteit (oorzaak en gevolg)
Belangrijk bij gevolgdelicten: er moet een oorzakelijk verband zijn
tussen het gedrag en het gevolg.
Belangrijke theorieën:
Conditio sine qua non – zonder de handeling zou het gevolg niet
zijn ontstaan.
Causa proxima – oorzaak die het dichtst bij het gevolg ligt.
Voorzienbaarheidsleer – gevolg moest redelijkerwijs te voorzien
zijn.
Redelijkheidstoerekening – de rechter beoordeelt of het redelijk
is het gevolg aan de dader toe te
Hoofdstuk 3 Opzet en Schuld
Opzet
Opzet betekent willens en wetens handelen. De dader weet wat hij
doet en wil het ook doen. Delicten met opzet heten doleuze delicten.
Graden van opzet
1. Opzet met bedoeling – dader wil het gevolg bereiken (hoogste
vorm).
2. Opzet met noodzakelijkheidsbewustzijn – dader weet dat een
bepaald gevolg zeker zal optreden om zijn doel te bereiken.
3. Voorwaardelijk opzet – dader aanvaardt bewust de
aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zal optreden.
Opzet in de wet
Opzet staat vaak expliciet in de wet met woorden zoals:
opzettelijk
wetende dat
wist
oogmerk