Aantekeningen Socialezekerheidsrecht
Inhoud
College 1 – Hoorcollege 1: Historische ontwikkeling en evenredigheid...........................................................2
College 2 – Werkgroep 1: Personele werkingssfeer........................................................................................14
College 3 – Werkgroep 2: Kortdurende ziekte................................................................................................27
College 4 – Werkgroep 3: Langdurige ziekte...................................................................................................51
College 5 – Werkgroep 4: Werkloosheid I.......................................................................................................74
College 6 – Werkgroep 5: Werkloosheid II......................................................................................................86
College 7 – Hoorcollege 2: Europese coördinatie van het socialezekerheidsrecht.......................................107
College 8 – Werkgroep 6: Oefenen met de Coördinatieverordening............................................................127
College 9 – Werkgroep 7: Grondrechten en sociale zekerheid.....................................................................138
College 10 – Werkgroep 8: Actualiteit...........................................................................................................149
1
,College 1 – Hoorcollege 1: Historische ontwikkeling en evenredigheid
Inleiding
In het socialezekerheidsrecht moet je kritische vragen stellen a.h.v. de uitspraken van de CRvB. Er zijn veel grijze
gebieden. De casussen in dit college moet je dus goed onderbouwen zonder dat er per se een goed antwoord is
(afhankelijk hoe je het onderbouwt o.b.v. eigen inzichten).
Relevantie sociale zekerheid:
Juridisch perspectief: het socialezekerheidsrecht is een uitdagend rechtsgebied dat in beweging is:
o regelmatige wetswijzigingen (bijvoorbeeld in de Participatiewet, WIA, WW).
o Sterke invloed van rechtspraak.
o Toenemende betekenis van beginselen zoals evenredigheid.
Het rechtsgebied is normatief geladen: het gaat om bestaanszekerheid, menselijke waardigheid en
participatie. Hierbij moeten de voorwaarden en trajecten goed gevolgd worden.
Economisch belang: instandhouding economie en goede werking arbeidsmarkt je wil voorkomen
dat mensen hun koopkracht verliezen als ze hun baan verliezen of arbeidsongeschikt raken.
Uitkeringen zoals WW en WIA voorkomen dat inkomensverlies direct leidt tot armoede en
maatschappelijke uitsluiting. Tegelijkertijd bevat het stelsel prikkels om (weer) te participeren op de
arbeidsmarkt.
Sociaal belang: Sociale zekerheid dient:
I. het individuele belang: bescherming tegen sociale risico’s (werkloosheid, ziekte,
arbeidsongeschiktheid).
II. het collectieve belang: sociale cohesie en voorkoming van armoede en marginalisering.
Het stelsel is gebaseerd op solidariteit: werkenden dragen via premies en belastingen bij aan
uitkeringen voor degenen die tijdelijk of structureel niet in hun eigen bestaan kunnen voorzien.
Grondrecht op sociale zekerheid
Het grondrecht op sociale zekerheid is verankerd in de Grondwet.
Art. 20 Gw: overheid draagt zorg voor een systeem van sociale zekerheid (waaronder bijstand) (lid 1 en
lid 3). De wetgever krijgt de opdracht van de overheid regels vast te stellen in het kader van
aanspraken op sociale zekerheid (lid 2).
art. 19 Gw: beginsel van bevordering van werkgelegenheid. Ook dit is een taak van de overheid.
Daarnaast is sociale zekerheid ook een Europees- / internationaal recht.
Zie bijvoorbeeld art. 34 Handvest: recht op sociale zekerheid en sociale bijstand
Deze grondrechten bepalen dat er iets verplicht moet worden in kader van sociale zekerheid; gericht op de
bestaanszekerheid. Maar hoe het moet worden ingevuld, wordt niet bepaald door de Grondwet (of het
Handvest). Dit moet door de politiek zelf worden ingevuld (veel vrijheid).
Bovendien zijn deze bepalingen niet rechtstreeks afdwingbaar in de zin dat burgers er geen concreet
uitkeringsrecht rechtstreeks aan kunnen ontlenen. Zij zijn programmatief van aard en vereisen nadere
uitwerking in formele wetgeving.
Overzicht van het systeem van de sociale zekerheid
2
,Sociale voorzieningen: zijn toegankelijk voor iedereen die (legaal) in Nederland is ingeschreven en worden
gefinancierd uit algemene middelen, zonder dat er premies voor worden betaald.
Sociale verzekeringen: zijn bedoeld voor degenen die hieraan hebben bijgedragen, bijvoorbeeld via premies of
belastingen. Sociale verzekeringen zijn onder te verdelen in:
Volksverzekeringen: bescherming tegen bepaalde algemene risico’s; gerelateerd aan begrip
ingezetene; uitkering op minimumniveau; sociale middelen (belastingen); SVB.
Werknemersverzekeringen: bescherming tegen inkomensderving; gerelateerd aan begrip werknemer;
uitkering naar laatstverdiende loon; premieplicht (doorgaans werkgever en werknemer dragen allen
bij); UWV is de uitvoeringsinstantie. Je moet werknemer zijn wil je hier aanspraak op kunnen maken;
en het is verplicht (als aan de voorwaarden van deze verzekeringen wordt voldaan, dan heb je er recht
op). ZZP’ers hebben dus pech in deze, want zzp’ers zijn geen werknemers en daarom betalen zij geen
premie. Daarom werken bedrijven liever met zzp’ers zodat werkgevers geen premies over hen hoeft te
betalen. HR Deliveroo gaat over de zzp’er (zie volgend college).
Historische ontwikkelingen
Sociale zekerheid bestaat nog niet heel lang. De eerste stappen richting een verzorgingsstaat zijn begin 19 e
eeuw gezet.
Een verzorgingsstaat is een systeem waarin de overheid verantwoordelijk is voor het welzijn van haar
burgers, met voorzieningen zoals sociale zekerheid, gezondheidszorg en onderwijs.
Na de 2e wereldoorlog tot aan de jaren 90 zijn de grootste ontwikkelingen doorgevoerd in de sociale zekerheid
d.m.v. totstandkoming WW, bijstand en WAO.
Gedachte: wereld is in puin en mensen moeten beschermd worden tegen inkomensverlies gericht
op bestaanszekerheid: mensen met geen werk of een beperking moeten ook recht hebben op
bestaanszekerheid met een inkomen.
Eind jaren 90 en begin 21ste eeuw kwam er een verschuiving: omslag van verzorgingsstaat naar een
participatiesamenleving.
Een participatiesamenleving is een samenleving waarin burgers verantwoordelijk worden geacht voor
hun eigen leven en omgeving, met een grotere nadruk op zelfredzaamheid en actieve deelname aan
de gemeenschap. Dit betekent dat je dus niet zomaar een uitkering kan ontvangen ,maar dat je er alles
aan moet doen om zo snel mogelijk weer aan het werk te kunnen. Deze verschuiving zie je nu ook
weer terug in het coalitieakkoord (zie onderaan).
De participatiesamenleving heeft verschillende doelstellingen:
o Burgers worden aangemoedigd om zelfredzaam te zijn (activering: weer zo snel mogelijk aan
het werk gaan).
o De overheid probeert de kosten van de verzorgingsstaat te verlagen door taken en
verantwoordelijkheden naar burgers te verschuiven, uitkeringspercentages te verlagen en de
duur van uitkeringen te verkorten.
o Het bevorderen van samenwerking en participatie binnen gemeenschappen om sociale
netwerken te versterken.
De verschuiving naar een participatiesamenleving heeft zowel positieve als negatieve gevolgen:
o Positief: er is een grotere betrokkenheid van burgers bij hun eigen welzijn en dit kan leiden tot
meer samenwerking binnen gemeenschappen.
3
, o Negatief: niet iedereen kan de gevraagde zelfredzaamheid opbrengen, wat kan leiden tot
problemen voor kwetsbare groepen. Er zijn zorgen over de druk op mantelzorgers en
vrijwilligers en over de kwaliteit van de zorg die beschikbaar is.
Reden voor de wijziging naar participatiesamenleving: er ontstaat een liberaal mensbeeld (dit betekent vrijheid
van de mens en minder optreden door de overheid - met name voor de VVD belangrijk). Heeft tot gevolg:
Terugtredende overheid. Door wetswijzigingen worden uitkeringen korter en minder. Voorwaarden om
aanspraak te krijgen op de uitkering worden ingewikkelder. Personele werkingssfeer wordt beperkter.
Overheid legt ook meer druk op de private markt waarbij meer verantwoordelijkheden voor de
werkgevers ontstaan.
o Zie bijvoorbeeld de loondoorbetalingsverplichting: vroeger gold het zo: werknemer wordt na
paar dagen ziek en dan komt die al gelijk in de Ziektewet die door het UWV (publiekrechtelijk)
wordt uitgevoerd. Dus de UWV betaalt de uitkering en die moet ook zorgen dat de
werknemer weer zo snel mogelijk aan de slag kan. Door de terugtredende overheid ligt dit nu
niet meer bij het UWV, maar bij de werkgever: de werknemer komt niet meer gelijk in de
Ziektewet maar de werkgever moet het loon doorbetalen voor 2 jaar tijdens de ziekte en hij
heeft de verplichting tot re-integratie van de werknemer. Gedachte hierachter: de werkgever
kan beter (dan het UWV) de werknemer helpen voor re-integratie omdat de werkgever beter
passende arbeid kan aanbieden of beter kan begeleiden bij weer terugtreden in de
organisatie. De werkgever is immers degene die het beste zijn organisatie kent. Het UWV kan
een werknemer niet goed begeleiden. Daarnaast wil de werkgever ook dat de werknemer
weer zo snel mogelijk aan de slag gaat, want de werknemer moet gewoon loon doorbetaald
krijgen gedurende twee jaar en dat vindt de werkgever zonde geld. Als de werknemer in de
ziektewet zou zitten i.p.v. de loondoorbetalingsverplichting, dan heeft de werkgever geen
belang om de werknemer weer zo snel mogelijk terug te hebben omdat de werkgever toch
niks hoeft te betalen. Daarom is een terugtredende overheid goed voor zowel de werknemer
als voor de samenleving (bespaart de overheid en dus de mens een hoop geld).
Terugtredende overheid is dus goed, maar is 2 jaar loondoorbetaling niet te lang? Is 1 jaar niet
al voldoende? Dit wordt niet gedaan, omdat de overheid hier op wil bezuinigen (zolang het bij
de werkgever ligt, hoeft de overheid minder te betalen dus daarom: des te langer de
loondoorbetalingsverplichting, des te beter). Na 2 jaar kom je wel in de WIA.
Meer nadruk op activering. Werknemers worden (financieel) geprikkeld op basis van verschillende
wetgeving om weer zo snel mogelijk aan de slag te gaan. De sociale zekerheid is er niet om gratis geld
te krijgen. Voorbeelden van activeringsfuncties:
o Privatisering Ziektewet. Loondoorbetaling en re-integratie is bij de werkgever gelegd (zie
hiervoor). Dit bevordert dat de werknemer moet meewerken aan de re-integratie die door de
werkgever wordt begeleid.
o WIA. Focus op restcapaciteit i.p.v. arbeidsongeschiktheid: bij de beoordeling binnen de WIA
wordt vooral gekeken naar wat iemand nog wél kan werken en verdienen, in plaats van alleen
naar wat iemand niet meer kan. Dit heet de restverdiencapaciteit: het inkomen dat je met
passende arbeid nog kunt verdienen. Op basis van het verlies aan verdienvermogen wordt
bepaald of en welke uitkering je krijgt. Dit heeft te maken met de activeringsfunctie omdat: de
wet wil mensen stimuleren om hun restcapaciteit ook echt te benutten. Als je (gedeeltelijk)
kunt werken maar dat niet doet, kan je uitkering lager uitvallen omdat deze is gebaseerd op
wat je nog zou kunnen verdienen. Werk je wél (deels), dan kun je juist financieel beter
uitkomen.
o WW. Aangescherpte ‘uitsmijters’-functie: sollicitatieplicht en kortere uitkeringsduur.
Werklozen worden sneller gestimuleerd om weer aan het werk te gaan. Dit gebeurt door een
strikte sollicitatieplicht en een verkorte uitkeringsduur, waardoor de uitkering tijdelijk en
voorwaardelijk is. Dit past bij de activeringsfunctie: de WW is bedoeld als vangnet, maar
vooral om mensen zo snel mogelijk terug te leiden naar werk.
o Bij de WW en ZW kunnen werkgevers kiezen voor premiedifferentiatie of het dragen van
eigen risico. Bij eigenrisicodragerschap betaalt de werkgever geen (volledige) premie, maar
neemt hij zelf de uitkeringskosten op zich als een werknemer werkloos of ziek wordt. Dit legt
het financiële risico direct bij de werkgever. Daardoor ontstaat een sterke prikkel om ziekte en
werkloosheid te voorkomen en om werknemers zo snel mogelijk te re-integreren. Dit past bij
4
Inhoud
College 1 – Hoorcollege 1: Historische ontwikkeling en evenredigheid...........................................................2
College 2 – Werkgroep 1: Personele werkingssfeer........................................................................................14
College 3 – Werkgroep 2: Kortdurende ziekte................................................................................................27
College 4 – Werkgroep 3: Langdurige ziekte...................................................................................................51
College 5 – Werkgroep 4: Werkloosheid I.......................................................................................................74
College 6 – Werkgroep 5: Werkloosheid II......................................................................................................86
College 7 – Hoorcollege 2: Europese coördinatie van het socialezekerheidsrecht.......................................107
College 8 – Werkgroep 6: Oefenen met de Coördinatieverordening............................................................127
College 9 – Werkgroep 7: Grondrechten en sociale zekerheid.....................................................................138
College 10 – Werkgroep 8: Actualiteit...........................................................................................................149
1
,College 1 – Hoorcollege 1: Historische ontwikkeling en evenredigheid
Inleiding
In het socialezekerheidsrecht moet je kritische vragen stellen a.h.v. de uitspraken van de CRvB. Er zijn veel grijze
gebieden. De casussen in dit college moet je dus goed onderbouwen zonder dat er per se een goed antwoord is
(afhankelijk hoe je het onderbouwt o.b.v. eigen inzichten).
Relevantie sociale zekerheid:
Juridisch perspectief: het socialezekerheidsrecht is een uitdagend rechtsgebied dat in beweging is:
o regelmatige wetswijzigingen (bijvoorbeeld in de Participatiewet, WIA, WW).
o Sterke invloed van rechtspraak.
o Toenemende betekenis van beginselen zoals evenredigheid.
Het rechtsgebied is normatief geladen: het gaat om bestaanszekerheid, menselijke waardigheid en
participatie. Hierbij moeten de voorwaarden en trajecten goed gevolgd worden.
Economisch belang: instandhouding economie en goede werking arbeidsmarkt je wil voorkomen
dat mensen hun koopkracht verliezen als ze hun baan verliezen of arbeidsongeschikt raken.
Uitkeringen zoals WW en WIA voorkomen dat inkomensverlies direct leidt tot armoede en
maatschappelijke uitsluiting. Tegelijkertijd bevat het stelsel prikkels om (weer) te participeren op de
arbeidsmarkt.
Sociaal belang: Sociale zekerheid dient:
I. het individuele belang: bescherming tegen sociale risico’s (werkloosheid, ziekte,
arbeidsongeschiktheid).
II. het collectieve belang: sociale cohesie en voorkoming van armoede en marginalisering.
Het stelsel is gebaseerd op solidariteit: werkenden dragen via premies en belastingen bij aan
uitkeringen voor degenen die tijdelijk of structureel niet in hun eigen bestaan kunnen voorzien.
Grondrecht op sociale zekerheid
Het grondrecht op sociale zekerheid is verankerd in de Grondwet.
Art. 20 Gw: overheid draagt zorg voor een systeem van sociale zekerheid (waaronder bijstand) (lid 1 en
lid 3). De wetgever krijgt de opdracht van de overheid regels vast te stellen in het kader van
aanspraken op sociale zekerheid (lid 2).
art. 19 Gw: beginsel van bevordering van werkgelegenheid. Ook dit is een taak van de overheid.
Daarnaast is sociale zekerheid ook een Europees- / internationaal recht.
Zie bijvoorbeeld art. 34 Handvest: recht op sociale zekerheid en sociale bijstand
Deze grondrechten bepalen dat er iets verplicht moet worden in kader van sociale zekerheid; gericht op de
bestaanszekerheid. Maar hoe het moet worden ingevuld, wordt niet bepaald door de Grondwet (of het
Handvest). Dit moet door de politiek zelf worden ingevuld (veel vrijheid).
Bovendien zijn deze bepalingen niet rechtstreeks afdwingbaar in de zin dat burgers er geen concreet
uitkeringsrecht rechtstreeks aan kunnen ontlenen. Zij zijn programmatief van aard en vereisen nadere
uitwerking in formele wetgeving.
Overzicht van het systeem van de sociale zekerheid
2
,Sociale voorzieningen: zijn toegankelijk voor iedereen die (legaal) in Nederland is ingeschreven en worden
gefinancierd uit algemene middelen, zonder dat er premies voor worden betaald.
Sociale verzekeringen: zijn bedoeld voor degenen die hieraan hebben bijgedragen, bijvoorbeeld via premies of
belastingen. Sociale verzekeringen zijn onder te verdelen in:
Volksverzekeringen: bescherming tegen bepaalde algemene risico’s; gerelateerd aan begrip
ingezetene; uitkering op minimumniveau; sociale middelen (belastingen); SVB.
Werknemersverzekeringen: bescherming tegen inkomensderving; gerelateerd aan begrip werknemer;
uitkering naar laatstverdiende loon; premieplicht (doorgaans werkgever en werknemer dragen allen
bij); UWV is de uitvoeringsinstantie. Je moet werknemer zijn wil je hier aanspraak op kunnen maken;
en het is verplicht (als aan de voorwaarden van deze verzekeringen wordt voldaan, dan heb je er recht
op). ZZP’ers hebben dus pech in deze, want zzp’ers zijn geen werknemers en daarom betalen zij geen
premie. Daarom werken bedrijven liever met zzp’ers zodat werkgevers geen premies over hen hoeft te
betalen. HR Deliveroo gaat over de zzp’er (zie volgend college).
Historische ontwikkelingen
Sociale zekerheid bestaat nog niet heel lang. De eerste stappen richting een verzorgingsstaat zijn begin 19 e
eeuw gezet.
Een verzorgingsstaat is een systeem waarin de overheid verantwoordelijk is voor het welzijn van haar
burgers, met voorzieningen zoals sociale zekerheid, gezondheidszorg en onderwijs.
Na de 2e wereldoorlog tot aan de jaren 90 zijn de grootste ontwikkelingen doorgevoerd in de sociale zekerheid
d.m.v. totstandkoming WW, bijstand en WAO.
Gedachte: wereld is in puin en mensen moeten beschermd worden tegen inkomensverlies gericht
op bestaanszekerheid: mensen met geen werk of een beperking moeten ook recht hebben op
bestaanszekerheid met een inkomen.
Eind jaren 90 en begin 21ste eeuw kwam er een verschuiving: omslag van verzorgingsstaat naar een
participatiesamenleving.
Een participatiesamenleving is een samenleving waarin burgers verantwoordelijk worden geacht voor
hun eigen leven en omgeving, met een grotere nadruk op zelfredzaamheid en actieve deelname aan
de gemeenschap. Dit betekent dat je dus niet zomaar een uitkering kan ontvangen ,maar dat je er alles
aan moet doen om zo snel mogelijk weer aan het werk te kunnen. Deze verschuiving zie je nu ook
weer terug in het coalitieakkoord (zie onderaan).
De participatiesamenleving heeft verschillende doelstellingen:
o Burgers worden aangemoedigd om zelfredzaam te zijn (activering: weer zo snel mogelijk aan
het werk gaan).
o De overheid probeert de kosten van de verzorgingsstaat te verlagen door taken en
verantwoordelijkheden naar burgers te verschuiven, uitkeringspercentages te verlagen en de
duur van uitkeringen te verkorten.
o Het bevorderen van samenwerking en participatie binnen gemeenschappen om sociale
netwerken te versterken.
De verschuiving naar een participatiesamenleving heeft zowel positieve als negatieve gevolgen:
o Positief: er is een grotere betrokkenheid van burgers bij hun eigen welzijn en dit kan leiden tot
meer samenwerking binnen gemeenschappen.
3
, o Negatief: niet iedereen kan de gevraagde zelfredzaamheid opbrengen, wat kan leiden tot
problemen voor kwetsbare groepen. Er zijn zorgen over de druk op mantelzorgers en
vrijwilligers en over de kwaliteit van de zorg die beschikbaar is.
Reden voor de wijziging naar participatiesamenleving: er ontstaat een liberaal mensbeeld (dit betekent vrijheid
van de mens en minder optreden door de overheid - met name voor de VVD belangrijk). Heeft tot gevolg:
Terugtredende overheid. Door wetswijzigingen worden uitkeringen korter en minder. Voorwaarden om
aanspraak te krijgen op de uitkering worden ingewikkelder. Personele werkingssfeer wordt beperkter.
Overheid legt ook meer druk op de private markt waarbij meer verantwoordelijkheden voor de
werkgevers ontstaan.
o Zie bijvoorbeeld de loondoorbetalingsverplichting: vroeger gold het zo: werknemer wordt na
paar dagen ziek en dan komt die al gelijk in de Ziektewet die door het UWV (publiekrechtelijk)
wordt uitgevoerd. Dus de UWV betaalt de uitkering en die moet ook zorgen dat de
werknemer weer zo snel mogelijk aan de slag kan. Door de terugtredende overheid ligt dit nu
niet meer bij het UWV, maar bij de werkgever: de werknemer komt niet meer gelijk in de
Ziektewet maar de werkgever moet het loon doorbetalen voor 2 jaar tijdens de ziekte en hij
heeft de verplichting tot re-integratie van de werknemer. Gedachte hierachter: de werkgever
kan beter (dan het UWV) de werknemer helpen voor re-integratie omdat de werkgever beter
passende arbeid kan aanbieden of beter kan begeleiden bij weer terugtreden in de
organisatie. De werkgever is immers degene die het beste zijn organisatie kent. Het UWV kan
een werknemer niet goed begeleiden. Daarnaast wil de werkgever ook dat de werknemer
weer zo snel mogelijk aan de slag gaat, want de werknemer moet gewoon loon doorbetaald
krijgen gedurende twee jaar en dat vindt de werkgever zonde geld. Als de werknemer in de
ziektewet zou zitten i.p.v. de loondoorbetalingsverplichting, dan heeft de werkgever geen
belang om de werknemer weer zo snel mogelijk terug te hebben omdat de werkgever toch
niks hoeft te betalen. Daarom is een terugtredende overheid goed voor zowel de werknemer
als voor de samenleving (bespaart de overheid en dus de mens een hoop geld).
Terugtredende overheid is dus goed, maar is 2 jaar loondoorbetaling niet te lang? Is 1 jaar niet
al voldoende? Dit wordt niet gedaan, omdat de overheid hier op wil bezuinigen (zolang het bij
de werkgever ligt, hoeft de overheid minder te betalen dus daarom: des te langer de
loondoorbetalingsverplichting, des te beter). Na 2 jaar kom je wel in de WIA.
Meer nadruk op activering. Werknemers worden (financieel) geprikkeld op basis van verschillende
wetgeving om weer zo snel mogelijk aan de slag te gaan. De sociale zekerheid is er niet om gratis geld
te krijgen. Voorbeelden van activeringsfuncties:
o Privatisering Ziektewet. Loondoorbetaling en re-integratie is bij de werkgever gelegd (zie
hiervoor). Dit bevordert dat de werknemer moet meewerken aan de re-integratie die door de
werkgever wordt begeleid.
o WIA. Focus op restcapaciteit i.p.v. arbeidsongeschiktheid: bij de beoordeling binnen de WIA
wordt vooral gekeken naar wat iemand nog wél kan werken en verdienen, in plaats van alleen
naar wat iemand niet meer kan. Dit heet de restverdiencapaciteit: het inkomen dat je met
passende arbeid nog kunt verdienen. Op basis van het verlies aan verdienvermogen wordt
bepaald of en welke uitkering je krijgt. Dit heeft te maken met de activeringsfunctie omdat: de
wet wil mensen stimuleren om hun restcapaciteit ook echt te benutten. Als je (gedeeltelijk)
kunt werken maar dat niet doet, kan je uitkering lager uitvallen omdat deze is gebaseerd op
wat je nog zou kunnen verdienen. Werk je wél (deels), dan kun je juist financieel beter
uitkomen.
o WW. Aangescherpte ‘uitsmijters’-functie: sollicitatieplicht en kortere uitkeringsduur.
Werklozen worden sneller gestimuleerd om weer aan het werk te gaan. Dit gebeurt door een
strikte sollicitatieplicht en een verkorte uitkeringsduur, waardoor de uitkering tijdelijk en
voorwaardelijk is. Dit past bij de activeringsfunctie: de WW is bedoeld als vangnet, maar
vooral om mensen zo snel mogelijk terug te leiden naar werk.
o Bij de WW en ZW kunnen werkgevers kiezen voor premiedifferentiatie of het dragen van
eigen risico. Bij eigenrisicodragerschap betaalt de werkgever geen (volledige) premie, maar
neemt hij zelf de uitkeringskosten op zich als een werknemer werkloos of ziek wordt. Dit legt
het financiële risico direct bij de werkgever. Daardoor ontstaat een sterke prikkel om ziekte en
werkloosheid te voorkomen en om werknemers zo snel mogelijk te re-integreren. Dit past bij
4