Paragraaf 12.1:
Er zijn 2 milieus het inwendige en het uitwendige milieu. Het uitwendige milieu
is in contact met de buitenwereld, bijvoorbeeld, het darmstelsel en de longen.
Het inwendige milieu is niet in contact met de buitenwereld (bloedsomloop,
temperatuur of pH). Het inwendige milieu wil graag constant in een dynamisch
evenwicht blijven in een homeostase (het in stand houden van een dynamisch
evenwicht.) Dit wordt gedaan door regelkringen. Deze zorgen ervoor dat het
evenwicht rond de normwaarde (gewenste waarde) blijft. Bij regelkringen heb je
een positieve en een negatieve terugkoppeling. De positieve terugkoppeling
heeft een stimulerende werking op een proces en een negatieve
terugkoppeling heeft een remmende werking bij bijvoorbeeld bij het zuurstof-,
glucose- en hormoongehalte in je bloed. Terugkoppeling betekent dat er een
afwijking wordt hersteld door een regelkring. Bij inspanning worden deze
waardes anders en een regelkring zorgt ervoor dat deze inwendige milieus dan
hersteld worden. Het regelcentrum bij processen is voornamelijk de
hypothalamus. (Bron 1 en 3) Binas 87B
- Bij transpireren verliest het lichaam water en zouten. De nieren
verminderen de wateruitscheiding om extra verlies te voorkomen.
- Tijdens inspanning, gebruiken spieren zuurstof en glucose, wat de
samenstelling van het bloed verandert. Dat stimuleert de alvleesklier om
glucagon aan te maken, waardoor de lever glycogeen omzet in glucose.
Daardoor is de suikerspiegel weer goed. De bijnieren scheiden adrenaline
uit, wat de hartslag en ademfrequentie verhoogt voor betere
zuurstoftoevoer en CO2-afvoer.
- Spieren hebben ook calcium (Ca2+) nodig; bij een tekort regelt het
parathormoon (PTH) uit de bijschildklier de afgifte van Ca2+ uit de botten
en verhoogt de opname van Ca2+ via de darmen en je voedsel en de
uitscheiding van Ca2+ in de nieren daalt. Zodra de normwaarde voor
Ca2+ is hersteld, verminderen de aanpassingen, waardoor het interne
milieu weer in balans komt. Binas 89A
- Receptor: Een zintuigcel die de actuele waardes
registreren
- Regelcentrum: Een systeem dat de gewenste
waarde met de gemeten waarde vergelijkt om
afwijkingen te detecteren. Op basis van deze
vergelijking geeft het prikkels om het systeem weer
op de juiste waarde te brengen
- Effector: Spier/klier die de afwijking van een norm herstelt
- Waarde: Een getal dat optimaal is naar omstandigheden.
- Norm: De gewenste waarde
De kerntemperatuur van het lichaam, ongeveer 37 °C, is essentieel voor de
functie van vitale organen zoals hart en hersenen. Deze temperatuur blijft
constant, wat enzymreacties optimaliseert; lagere temperaturen vertragen
reacties, terwijl hogere temperaturen enzymen denatureren. De hypothalamus
reguleert de kerntemperatuur door bloedtemperatuur te meten. In tegenstelling
tot de stabiele kerntemperatuur varieert de schiltemperatuur (huid en
oppervlakkige weefsels) met de omgeving en is doorgaans lager. Bij blootstelling
aan koud zeewater (bijv. 12 °C) daalt de schiltemperatuur door warmtegeleiding.
1
, Huidreceptoren signaleren deze afkoeling aan de hypothalamus. Als de
kerntemperatuur daalt, onderneemt het lichaam acties zoals rillen en het
vernauwen van bloedvaten om warmte te behouden. Extra spieractiviteit
en warme kleding helpen ook om de temperatuur op peil te houden, wat cruciaal
is voor de werking van vitale organen en het afweersysteem.
Koorts (lichaamstemperatuur boven de 38 °C), resulteert in koude rillingen en
een bleke huid. Dit kan ondanks een verhoogde kerntemperatuur die kan
oplopen tot 41 °C. Dit gebeurt omdat de hypothalamus de temperatuurnorm
verhoogt als reactie op infecties, waardoor het lichaam beter afweerstoffen kan
produceren en de infectie sneller kan bestrijden. Cytokinen, geproduceerd door
witte bloedcellen, spelen een cruciale rol in deze temperatuurverhoging. Zodra
de infectie is bestreden, keert de temperatuurnorm terug naar 37 °C, maar de
kerntemperatuur kan nog enige tijd verhoogd blijven. Het temperatuurcentrum
helpt vervolgens bij afkoeling, wat leidt tot een roder uiterlijk van de huid. Na
enkele dagen herstelt het lichaam en normaliseert de temperatuur weer.
Paragraaf 12.2:
De lever, die ongeveer 1,5 kg weegt en rechtsboven in de buikholte ligt, is de
grootste chemische werkplaats van het lichaam en voert continu zo'n 600
verschillende processen uit. Deze processen zorgen ervoor dat de concentraties
van voedingsstoffen zoals glucose, zouten en aminozuren in het bloed onder
controle blijven, wat essentieel is voor het functioneren van cellen. De lever
ontvangt bloed via de poortader en de leverslagader, wat zorgt voor een
constante aan- en afvoer van zuurstof en de mogelijkheid om stoffen uit de
darmen te verwerken. Naast zijn rol in de koolhydraat-, vet- en eiwitstofwisseling,
heeft de lever ook andere belangrijke functies.
- Rode bloedcellen opruimen: Rode bloedcellen worden opgeruimd door
de lever en de milt. De lever slaat ijzer (Fe2+) uit hemoglobine op in de
vorm van het eiwit ferritine (Fe3+). Bij de afbraak van hemoglobine
ontstaat biliverdine, dat door de lever wordt omgezet in bilirubine, deze
worden via gal en urine uitgescheiden. Stel je ziet heel geel, dan komt dat
doordat de lever de veel rode bloedcellen afbreekt. In het rode beenmerg
gebruiken mitochondriën van jonge rode bloedcellen ijzer voor de
productie van heemgroepen. Bij een tekort aan ijzer in het bloedplasma
wordt opgeslagen ijzer uit ferritine gebruikt. Dit ijzer, samen met globine-
eiwitten, vormt hemoglobine. Volwassen rode bloedcellen verliezen hun
kern en mitochondriën voordat ze de bloedbaan in gaan. Bron 6
- Ontgiften: Na gebruik van koffie, medicijnen of alcohol dan gaan je
levercellen deze stoffen afbreken. Dit heet detoxificatie. Levercellen zetten
alcohol met alcoholdehydrognase (enzym) om in ethanal (giftige stof), het
enzym aldehydedehydrogenase zet dat weer om in acetaat. Je lever kan
ethanal ook omzetten in glucose of vet. Bij veel gebruik kan dit zorgen tot
leververvetting en kan leverweefsel doden. Dan vervangt bindweefsel deze
dode cellen. Dit heet levercirrose. Je lever doet er 1½ uur over om 10-12ml
alcohol af te breken. Bron 7.
- Opslaan van stoffen: De lever slaat niet alleen ijzer en glycogeen op
maar ook vitaminen en mineralen als A, D, B12, K en Cu.
- Leveren van bloed: De lever bevat ongeveer 0,5-1,5L bloed en zorgt bij
inspanning voor extra bloed. Dat zorgt voor een goed zuur- en
brandstoftransport
- Vormen van gal: Je levert voert 0,5 L gal (gevormd door levercellen) per
dag af naar de galgang.
2