Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 178 pagina's
Samenvatting

VOLLEDIGE Samenvatting Life-Span Human Development - Ontwikkelingsleer (560000-B-6)

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 178 pagina's

Dit is een samenvatting van ALLE behandelde stof uit het boek voor ontwikkelingsleer. EEN 9 GEHAALD!

Voorbeeld van de inhoud

Week 1
H.1.1, 1.3
1.1 How Should We Think About Development?
1. Definitie van ontwikkeling
Ontwikkeling = systematische veranderingen én continuïteiten van conceptie tot dood.
●​ Veranderingen:
○​ kunnen positief (groei) zijn
○​ negatief (achteruitgang)
○​ of neutraal (anders worden)
●​ Continuïteiten:

👉
○​ stabiele kenmerken die doorlopen over tijd (bijv. temperament)
Belangrijk: ontwikkeling = niet alleen vooruitgang, maar een combinatie van winst,
verlies en stabiliteit.

2. Drie domeinen van ontwikkeling
Ontwikkeling wordt ingedeeld in drie onderling verbonden domeinen:
1. Biologische/lichamelijke ontwikkeling
●​ groei lichaam en organen
●​ hersenontwikkeling
●​ motoriek
●​ veroudering
2. Cognitieve ontwikkeling
●​ denken, geheugen, taal
●​ probleemoplossing
●​ leren en perceptie
3. Psychosociale ontwikkeling
●​ emoties en persoonlijkheid
●​ sociale relaties

👉
●​ identiteit en rollen
Cruciaal inzicht:​
Deze domeinen beïnvloeden elkaar continu​
bijv.:
●​ kruipen (biologisch) → meer exploratie → cognitieve groei
●​ sociale interactie → beïnvloedt emoties én cognitie

3. Misvatting over ontwikkeling (klassiek model)
Veel mensen denken:
groei → stabiliteit → achteruitgang
Dit klopt maar gedeeltelijk:
●​ biologisch: redelijk accuraat
●​ cognitief en psychosociaal: veel complexer
Realiteit:
●​ ontwikkeling is niet lineair
●​ op elke leeftijd:
○​ winsten én verliezen tegelijk
Voorbeelden:
●​ kinderen:
■​ betere cognitie

, ○​ – minder creatief/flexibel in sommige situaties
●​ ouderen:
○​ – tragere verwerking

👉
■​ meer kennis (woordenschat)
Conclusie: ontwikkeling = multidirectioneel

4. Levensfasen (life span)
Ontwikkeling wordt verdeeld in fasen, maar:
●​ leeftijdsgrenzen = globaal
●​ grote individuele verschillen
Belangrijke fasen:
●​ baby
●​ peuter
●​ kind
●​ adolescent
●​ emerging adulthood (±18–25/29)
●​ jongvolwassene
●​ middelbare leeftijd
●​ oudere leeftijd

Emerging adulthood (Arnett)
Nieuwe fase door maatschappelijke veranderingen:
Kenmerken:
●​ identiteitsverkenning
●​ instabiliteit (relaties, werk)
●​ zelfgericht
●​ gevoel “tussenin”

👉
●​ veel mogelijkheden
Oorzaak:
●​ langere opleiding
●​ later trouwen/kinderen

5. Volwassenheid: veranderend concept
Traditionele markers:
●​ huis verlaten
●​ baan
●​ huwelijk

👉
●​ kinderen
Tegenwoordig:
●​ minder mensen halen dit vroeg
●​ volwassenheid = uitgesteld proces

6. Cultuur en ontwikkeling
Cultuur = gedeelde waarden, normen, kennis en gedragingen
Invloed op:
●​ ontwikkelingspad
●​ verwachtingen
●​ rollen

,Belangrijke concepten:
Age grades
●​ sociale categorieën op basis van leeftijd
Age norms
●​ verwachtingen over gedrag per leeftijd
Social clock

👉
●​ gevoel of je “op schema” ligt in het leven
Tegenwoordig:
●​ normen worden flexibeler

7. Rites of passage
Overgangen tussen levensfasen worden vaak gemarkeerd door rituelen:
Voorbeelden:
●​ bar/bat mitswa
●​ quinceañera

👉
●​ nationale ceremonies
In moderne samenlevingen:
●​ minder duidelijke overgang naar volwassenheid

8. Subculturele verschillen
Ontwikkeling varieert ook binnen een samenleving door:
●​ etniciteit
●​ SES (sociaal-economische status)
SES-invloed:
●​ lage SES:
○​ meer stress
○​ minder stimulatie
○​ slechtere gezondheid en schoolprestaties
●​ hoge SES:

👉
○​ meer kansen en ondersteuning
Belangrijk inzicht:
●​ armoede heeft langdurige ontwikkelingsimpact

9. Historische veranderingen
Levensfasen zijn niet vast, maar historisch gevormd:
●​ Middeleeuwen:
○​ kinderen = kleine volwassenen
●​ 17e eeuw:
○​ kind als “onschuldig”
●​ 19e/20e eeuw:
○​ ontstaan adolescentie
●​ Moderne tijd:
○​ emerging adulthood

👉
○​ pensioenfase
Ontwikkeling is dus historisch bepaald

10. Toekomst en demografie
●​ levensverwachting stijgt (maar ongelijk verdeeld)

, ●​ vergrijzing neemt toe
●​ meer druk op zorgsystemen
Belangrijke trends:
●​ meer ouderen (65+)
●​ grotere ongelijkheid
●​ impact van crises (bijv. pandemieën)

11. Life-span perspectief (Baltes)
Moderne kijk op ontwikkeling bestaat uit 7 principes:
1. Levenslang proces
●​ ontwikkeling stopt nooit
2. Multidirectioneel
●​ verschillende vaardigheden ontwikkelen anders
3. Gain + loss
●​ elke fase = winst én verlies
4. Plasticiteit
●​ capaciteit om te veranderen blijft bestaan
5. Historisch-cultureel bepaald
●​ context beïnvloedt ontwikkeling
6. Multicausaal
●​ biologische + omgevingsfactoren
7. Multidisciplinair
●​ samenwerking tussen vakgebieden nodig

12. Kernconclusie
Ontwikkeling is:
●​ levenslang
●​ complex
●​ contextafhankelijk
●​ een interactie van:
○​ biologische factoren
○​ omgeving
○​ cultuur

👉
○​ tijd
Belangrijkste inzicht:
Er is geen “standaard pad” — ontwikkeling is variabel, dynamisch en afhankelijk
van meerdere systemen tegelijk.


1.3 Hoe wordt ontwikkeling bestudeerd?
1. Doelen van ontwikkelingsonderzoek
Ontwikkelingswetenschap heeft vier kern­doelen:
1.​ Beschrijving (description)
○​ In kaart brengen hoe mensen zich ontwikkelen op verschillende leeftijden
○​ Zowel gemiddelde patronen als individuele verschillen
○​ Startpunt van elke wetenschap
2.​ Voorspelling (prediction)
○​ Verbanden vinden tussen variabelen

Inhoudsopgave

  1. 01 1. Definitie van ontwikkeling 1
  2. 02 2. Drie domeinen van ontwikkeling 1
    1. 1. Biologische/lichamelijke ontwikkeling 1
    2. 2. Cognitieve ontwikkeling 1
    3. 3. Psychosociale ontwikkeling 1
  3. 03 3. Misvatting over ontwikkeling (klassiek model) 1
    1. Realiteit: 1
  4. 04 4. Levensfasen (life span) 2
    1. Belangrijke fasen: 2
    2. Emerging adulthood (Arnett) 2
  5. 05 5. Volwassenheid: veranderend concept 2
  6. 06 6. Cultuur en ontwikkeling 2
    1. Belangrijke concepten: 3
  7. 07 7. Rites of passage 3
  8. 08 8. Subculturele verschillen 3
    1. SES-invloed: 3
  9. 09 9. Historische veranderingen 3
  10. 10 10. Toekomst en demografie 3
  11. 11 11. Life-span perspectief (Baltes) 4
    1. 1. Levenslang proces 4
    2. 2. Multidirectioneel 4
    3. 3. Gain + loss 4
    4. 4. Plasticiteit 4
    5. 5. Historisch-cultureel bepaald 4
    6. 6. Multicausaal 4
    7. 7. Multidisciplinair 4
  12. 12 12. Kernconclusie 4
  13. 13 1.3 Hoe wordt ontwikkeling bestudeerd? 4
    1. 1. Doelen van ontwikkelingsonderzoek 4
    2. 2. De wetenschappelijke methode 5
    3. 3. Steekproeven (sampling) 5
    4. 4. Methoden van dataverzameling 5
    5. 5. Onderzoeksmethoden 6
    6. 6. Onderzoeksdesigns (ontwikkeling over tijd) 7
    7. 7. Belangrijke concepten samengevat 7
  14. 14 1.2 Theories of Life-Span Development 8
    1. 1. Ontstaan van de ontwikkelingspsychologie (historische basis) 8
    2. 2. Functie en structuur van theorieën 9
    3. 3. De drie fundamentele ontwikkelingsvraagstukken 9
    4. 3.1 Nature vs. Nurture (oorzaak van ontwikkeling) 9
    5. 3.2 Continuïteit vs. Discontinuïteit (vorm van verandering) 10
    6. 3.3 Universalisme vs. Context-specificiteit 10
  15. 15 4. De vijf hoofdtheorieën 11
    1. 4.1 Evolutionaire theorie 11
    2. 4.2 Psychoanalytische theorie 11
    3. 4.3 Leertheorieën 12
    4. 4.4 Cognitieve ontwikkelings theorie 12
    5. 4.5 Bio-ecologische systeemtheorie 12
  16. 16 5. Integratieve conclusie 13
    1. 1. Ontwikkeling is multicausaal 13
    2. 2. Geen enkele theorie is volledig 13
    3. 3. Moderne visie 13
  17. 17 2.5 Gene–Environment Interplay 13
    1. 1. Kernidee 13
    2. 2. Drie hoofdmechanismen van interactie 13
    3. 3. Gene–Environment Correlations (rGE) 14
    4. 4. Epigenetica 14
    5. 5. Epigenetica en verschillen tussen identieke tweelingen 15
    6. 6. Epigenetische effecten van opvoeding (klassiek experiment) 15
    7. 7. Intergenerationele epigenetica 15
    8. 8. Reversibiliteit 16
    9. 9. Methodologische implicaties 16
    10. 10. Praktische implicaties 16
  18. 18 Selection, Optimization, and Compensation (SOC) 16
    1. 1. Basisidee 16
    2. 2. SOC-model (Baltes & Baltes) 16
    3. 3. Selection (selectie) 16
    4. 4. Optimization (optimalisatie) 17
    5. 5. Compensation (compensatie) 17
    6. 6. Samenhang tussen de drie processen 17
    7. 7. Toepassing in dagelijks leven 18
    8. 8. Leeftijdsverschillen in SOC-gebruik 18
    9. 9. SOC en geheugen (belangrijk tentamenpunt) 18
    10. 10. SOC en zelfstandigheid 18
    11. 11. “Use it or lose it” principe 19
    12. 12. Overkoepelende inzichten 19
  19. 19 Erikson’s psychosociale theorie 19
    1. 1. Positionering t.o.v. Freud 19
    2. 2. Structuur van de theorie: 8 psychosociale stadia 20
    3. 3. Dynamiek van ontwikkeling 20
    4. 4. Belangrijk principe: balans (geen extremen) 20
    5. 5. Voorbeeld: eerste stadium (Trust vs Mistrust) 20
    6. 6. Psychosociale conflicten als kern van ontwikkeling 21
    7. 7. Rol van omgeving en cultuur 21
    8. 8. Karakteristieke adaptaties 21
    9. 9. Belangrijkste inzichten 21
    10. 10. Vergelijking Erikson vs Freud (kort overzicht) 22
    11. 11. Kernsamenvatting (tentamenproof) 22
    12. 8.1 Understanding Intelligence and Creativity 22
  20. 20 De psychometrische benadering (IQ-tests) 22
    1. Spearman: g-factor en s-factor 23
    2. Cattell & Horn: Fluid vs Crystallized Intelligence 23
    3. 1. Fluid intelligence 23
    4. 2. Crystallized intelligence 23
  21. 21 CHC-model (Cattell-Horn-Carroll) 23
    1. Bovenaan: 23
    2. Midden: 23
    3. Onderaan: 23
  22. 22 IQ-tests 24
    1. Binet & Simon 24
    2. Mental Age (MA) 24
    3. IQ-formule vroeger 24
    4. Moderne IQ-tests 24
  23. 23 Verdeling IQ-scores 24
  24. 24 Uitersten van intelligentie 24
  25. 25 Intellectual Disability (=verstandelijke beperking) 24
    1. Oorzaken 24
    2. Ernst varieert 25
  26. 26 Giftedness (hoogbegaafdheid) 25
    1. Kenmerken van gifted children 25
    2. Belangrijk inzicht 25
  27. 27 Versnellen op school 25
  28. 28 Meervoudige intelligentie (Gardner) 26
    1. Voorbeelden van intelligenties 26
    2. Voorbeeld savant syndrome 26
  29. 29 Sternberg: Successful Intelligence 26
    1. 1. Practical intelligence 26
    2. 2. Creative intelligence 26
    3. 3. Analytical intelligence 26
  30. 30 Volgens Sternberg is iemand intelligent als diegene: 26
  31. 31 Creativiteit 26
  32. 32 Intelligentie ≠ creativiteit 27
    1. IQ-tests meten vooral: 27
    2. Creativiteit meet: 27
  33. 33 Kenmerken van creatief denken: 27
  34. 34 Investment Theory of Creativity (Sternberg) 27
  35. 35 Kernboodschap hoofdstuk 8.1 27
    1. 8.6 Waarom verschillen mensen van dezelfde leeftijd in IQ? 27
  36. 36 Erfelijkheid en omgeving 27
    1. Genetische invloed op intelligentie 27
    2. Genetische invloed verandert met leeftijd 28
    3. Belangrijk: genetisch betekent niet vaststaand 28
  37. 37 SES (Sociaal-Economische Status) 28
  38. 38 Risicofactoren voor lager IQ 28
  39. 39 Armoede en cognitieve ontwikkeling 28
  40. 40 Goed nieuws: brein is plastisch 29
  41. 41 Home Environment (thuisomgeving) 29
  42. 42 Genen + omgeving samen 29
  43. 43 Cultuur en IQ 29
    1. Zeer belangrijk: 29
  44. 44 Waarom groepsverschillen ontstaan 29
  45. 45 Culturele bias in IQ-tests 30
  46. 46 Culture-fair tests 30
  47. 47 Stereotype Threat 30
  48. 48 Onderzoek toont: 30
  49. 49 Positieve stereotypen kunnen helpen 30
  50. 50 Hoe stereotype threat verminderen? 30
    1. 1. Test anders labelen 30
    2. 2. Zelfwaardebevestiging 30
    3. 3. Negatieve stereotypen verminderen in samenleving 30
  51. 51 Integratie van theorieën over intelligentie 30
    1. Piaget 30
    2. Vygotsky 31
    3. Information Processing 31
    4. Psychometrische benadering 31
    5. Multiple Intelligences / Sternberg 31
    6. 9.1 – The System of Language 31
    7. Basiscomponenten van taal 32
    8. Biologische basis van taal 32
  52. 52 Theorieën over taalontwikkeling 32
    1. 1. Nature – Aangeboren aanleg (Nativisme) 32
    2. 2. Nurture – Omgeving en leren 33
  53. 53 3. Interactionistische visie – Nature + Nurture samen 33
    1. Kernidee: 33
    2. Sociale ondersteuning: 33
    3. Taalontwikkeling bij dove kinderen 33
  54. 54 Conclusie 34
    1. Aangeboren factoren: 34
    2. Omgevingsfactoren: 34
    3. 9.2 – The Infant 34
    4. Kernconclusie 36
    5. 1. Groei: genen × omgeving 37
    6. 2. Endocrien systeem (hormonen) 37
    7. 3. Zenuwstelsel en hersenen 37
    8. 4. Principes van lichamelijke groei 38
    9. 5. Gezondheid: biopsychosociaal model 38
    10. 6. Samenvattend inzicht 38
    11. 1. Kern van de fase 38
    12. 2. Hersenontwikkeling 38
    13. 3. Neuroplasticiteit 39
    14. 4. Groei en lichamelijke ontwikkeling 39
    15. 5. Reflexen 39
    16. 6. Gedragsstaten en slaap 40
    17. 7. Functionele ontwikkeling (belangrijk idee) 40
    18. 8. Hoofdconclusie 41
  55. 55 Onderzoeksmethode van Piaget 48
    1. 1. Zorgvuldige observatie 48
    2. 2. Klinische methode 48
    3. Kritiek op deze methode 48
  56. 56 Schema’s: de basis van kennis 48
    1. Wat zijn schema’s? 48
    2. Voorbeelden van schema’s per leeftijd 48
  57. 57 Cognitieve ontwikkeling volgens Piaget 48
  58. 58 1. Organisatie 49
  59. 59 2. Adaptatie 49
    1. a. Assimilatie 49
    2. b. Accommodatie 49
  60. 60 Evenwicht en cognitief conflict 49
    1. Disequilibrium 49
    2. Equilibratie 49
  61. 61 Vier stadia van cognitieve ontwikkeling 49
    1. 1. Sensomotorische fase (0–2 jaar) 49
    2. 2. Preoperationele fase (2–7 jaar) 50
    3. 3. Concreet-operationele fase (7–11 jaar) 50
    4. 4. Formeel-operationele fase (11+ jaar) 50
    5. Belangrijk punt 50
  62. 62 Belangrijkste bijdragen van Piaget 50
    1. 1. Kinderen zijn actief 50
    2. 2. Kinderen denken anders dan volwassenen 50
    3. 3. Grote invloed op onderzoek 50
    4. 4. Universele ontwikkelingslijn 50
  63. 63 Kritiek op Piaget 51
    1. 1. Onderschatting van jonge kinderen 51
    2. 2. Stadia zijn te star 51
    3. 3. Te weinig verklaring van mechanismen 51
    4. 4. Sociale invloed/omgeving onderschat 51
    5. \Lev Vygotsky en socioculturele cognitieve ontwikkeling 51
  64. 64 Centrale gedachte van Vygotsky 51
  65. 65 Cultuur en denken 52
  66. 66 Voorbeeld onderzoek: Mayaanse kinderen vs Amerikaanse middenklassekinderen 52
    1. 1. Europese / Noord-Amerikaanse middenklassekinderen 52
    2. 2. Traditionele Mayaanse kinderen 52
    3. Experiment 52
    4. Conclusie 52
  67. 67 Geen universele stadia 52
  68. 68 Sociale interactie als motor van ontwikkeling 53
  69. 69 Voorbeeld: Annie en de puzzel 53
  70. 70 Zone van naaste ontwikkeling (ZPD) 53
    1. Zone of Proximal Development (Zone van Naaste Ontwikkeling) 53
    2. Buiten de zone 53
    3. Praktische betekenis 53
  71. 71 Onderzoek naar de ZPD 53
    1. Lezen 53
    2. Wetenschapsonderwijs 53
  72. 72 Guided participation (begeleide participatie) 53
  73. 73 Scaffolding (steunstructuur) 54
    1. Scaffolding 54
  74. 74 Verschil met Piaget 54
    1. Piaget: 54
    2. Vygotsky: 54
  75. 75 Mentale hulpmiddelen: tools of thought 54
  76. 76 Onderzoek: computer als cognitief hulpmiddel 54
    1. Resultaat 54
  77. 77 Taal vormt denken 54
    1. Piaget: 54
    2. Vygotsky: 54
  78. 78 Private speech (zelfspraak) 55
    1. Piaget noemde dit egocentrisch taalgebruik 55
    2. Vygotsky noemde dit private speech 55
  79. 79 Ontwikkeling van taal volgens Vygotsky 55
    1. Fase 1: Sociale spraak 55
    2. Fase 2: Private speech 55
    3. Fase 3: Inner speech 55
  80. 80 Onderzoek naar private speech 55
  81. 81 Effect van private speech 55
  82. 82 Evaluatie van Vygotsky 55
    1. Sterke punten 55
    2. Kritiek 55
  83. 83 Piaget vs Vygotsky samengevat 56
  84. 84 Toepassing in onderwijs 56
    1. Piagetiaanse klas 56
    2. Vygotskiaanse klas 56
    3. 7.2 De baby - ontwikkeling van leren en geheugen 57
  85. 85 1. Habituatie 57
    1. Wat is habituatie? 57
    2. Wat bewijst dit? 57
    3. Bevindingen 57
  86. 86 2. Operante conditionering 57
    1. Bekend voorbeeld: mobiel boven wieg 57
    2. Wat wordt hier gemeten? 57
    3. Resultaten 57
    4. Gespreid oefenen werkt beter 58
    5. Herinneringshulp (cueing) 58
    6. Contextafhankelijk geheugen 58
  87. 87 3. Objectzoektaak (A-not-B taak) (onderzoeken van objectpermanentie) 58
    1. Hoe werkt het? 58
    2. Wat betekent dit? 58
    3. Leeftijdsverschillen 58
  88. 88 4. Imitatie 58
    1. Directe imitatie 58
  89. 89 Uitgestelde imitatie (deferred imitation) 58
    1. Leeftijd 59
  90. 90 Geheugen voor gebeurtenissen (episodisch) 59
    1. Resultaten 59
    2. Wat helpt onthouden? 59
  91. 91 Taal en herinneringen rond 2 jaar 59
    1. Resultaten 59
  92. 92 Autobiografisch geheugen 59
    1. Wat is dat? 59
  93. 93 Childhood amnesia (kinderlijke amnesie) 59
  94. 94 Onderzoek volwassenen 59
  95. 95 Waarom vergeten we vroege jeugd? 59
  96. 96 1. Onrijpe hippocampus 59
  97. 97 2. Neurogenese 60
  98. 98 3. Gebrek aan taal 60
  99. 99 4. Socioculturele ondersteuning 60
  100. 100 5. Gevoel van zelf 60
  101. 101 6. Details versus kern (fuzzy-trace theory) 60
    1. Verbatim 60
    2. Gist 60
  102. 102 Algemene conclusie 60
    1. 7.3 – Het kind: ontwikkeling van het geheugen 60
    2. Eindconclusie 61
    3. 7.4 – De adolescentie: ontwikkeling van leren en geheugen 61
    4. 1. Betere strategieën 61
    5. 2. Groei van basiscapaciteiten 62
    6. 3. Meer kennisbasis 62
    7. 4. Betere metamemory en metacognitie 62
    8. 5. Verschillen tussen groepen 62
    9. 6. Groei in probleemoplossing 62
  103. 103 Praktische tips om geheugen te verbeteren 62
    1. Leefstijl 63
  104. 104 Eindconclusie 63
    1. 7.5 – De volwassene: geheugen, veroudering en expertise 63
  105. 105 1. Geheugen en veroudering 63
  106. 106 2. Sterke en zwakke kanten bij ouderen 63
  107. 107 3. Soorten geheugen bij ouderen 63
    1. Blijft relatief sterk: 63
    2. Neemt vaker af: 63
    3. Impliciet geheugen blijft vaak goed: 64
  108. 108 4. Waarom ontstaat achteruitgang? 64
    1. A. Kennisbasis is juist sterk 64
    2. B. Metamemory blijft grotendeels goed 64
    3. C. Minder spontaan strategiegebruik 64
    4. D. Basiscapaciteiten nemen af 64
  109. 109 5. Hersenen en compensatie 64
  110. 110 6. Context speelt grote rol 64
    1. Belangrijk inzicht: 65
  111. 111 7. Autobiografisch geheugen 65
    1. 1. Persoonlijk belang 65
    2. 2. Uniekheid 65
    3. 3. Emotionele intensiteit 65
    4. 4. Levensfase 65
  112. 112 8. Expertise 65
  113. 113 9. Expertise is meestal domeinspecifiek 65
  114. 114 Eindconclusie 65
    1. 1. Wat is een emotie? 66
    2. 2. Eerste emoties bij baby’s 66
    3. 3. Nature vs nurture bij emoties 66
    4. 4. Rol van ouders (emotionele socialisatie) 67
    5. 5. Emotieregulatie (emotion regulation) 67
    6. 6. Emotionele ontwikkeling in de kindertijd 67
    7. 7. Emoties in de adolescentie 68
    8. 8. Emoties bij ouderen 68
    9. 9. Belangrijkste conclusies 69
    10. Samengevat 69
  115. 115 12.1 Social Cognition 69
    1. Wat is social cognition? 69
  116. 116 1. Theory of Mind (ToM) 69
    1. Definitie 69
    2. False-belief taak (klassiek experiment) 70
    3. Ontwikkeling van theory of mind 70
    4. Autismespectrumstoornis (ASS) 70
  117. 117 2. Nature vs. Nurture bij ToM 71
    1. Nature (biologie) 71
    2. Nurture (omgeving) 71
    3. Conclusie ToM 71
    4. Belang van ToM 71
  118. 118 3. Trait Perception (persoonlijkheid begrijpen) 71
    1. Jonge kinderen (<7 jaar) 71
    2. Vanaf ±7–8 jaar 71
    3. Adolescentie 72
  119. 119 4. Perspective Taking (perspectief nemen) 72
    1. Definitie 72
    2. Ontwikkeling volgens Selman 72
    3. Gevolgen van goede perspectiefvaardigheden 72
  120. 120 5. Social Cognition in Adulthood 72
    1. Ontwikkeling 72
    2. Ouderdom 72
    3. Waarom blijft het goed? 72
  121. 121 Samenvattend 73
    1. Ontwikkelingslijn: 73
    2. Kernidee 73
  122. 122 12.2 Perspectieven op morele ontwikkeling 73
    1. 1. Wat is moraliteit? 73
  123. 123 2. Cognitieve benadering: Kohlberg (moreel redeneren) 74
    1. Basisidee 74
    2. Piaget (voorloper) 74
    3. Kohlberg: 3 niveaus, 6 stadia 74
    4. Ontwikkelingslijn 75
    5. Invloeden op moreel denken 75
  124. 124 3. Emotionele benadering: Freud + moderne theorie 75
    1. Freud: superego 75
    2. Moderne visie 75
    3. Belangrijke morele emoties 75
    4. Empathie (heel belangrijk) 76
  125. 125 4. Gedragsbenadering: Social learning (Bandura) 76
    1. Basisidee 76
    2. Situatie is cruciaal 76
    3. Zelfregulatie 76
    4. Moral disengagement (morele onthechting) 76
  126. 126 5. Evolutionaire benadering 76
    1. Basisidee 76
    2. Prosociaal gedrag als voordeel 76
    3. Hoe kan altruïsme evolutionair? 76
    4. Belangrijk inzicht 77
    5. Tomasello: unieke mens 77
  127. 127 7. Belangrijke inzichten (samenvattend) 77
  128. 128 8. Kritisch inzicht 77
  129. 129 12.5 The Adolescent 77
  130. 130 1. Algemene ontwikkeling in de adolescentie 77
  131. 131 2. Moral Identity (morele identiteit) 77
    1. Wat is het? 77
    2. Ontwikkeling 77
    3. Effecten van een sterke moral identity 78
    4. Hoe ontwikkel je moral identity? 78
  132. 132 3. Veranderingen in moreel redeneren (Kohlberg) 78
    1. Belangrijkste ontwikkeling: 78
    2. Leeftijdsverschillen 78
    3. Kernontwikkeling 78
    4. Belangrijk 78
  133. 133 4. Antisociaal gedrag in de adolescentie 78
    1. Wat is het? 78
    2. Ontwikkeling van agressie 79
    3. Juvenile delinquency 79
    4. Twee typen antisociale jongeren 79
    5. Waarom stopt antisociaal gedrag vaak? 79
  134. 134 5. Verklaringen voor antisociaal gedrag 79
    1. 5.1 Cognitieve factoren 79
    2. 5.2 Emotionele factoren 79
  135. 135 6. Dodge’s Social Information-Processing Model 79
    1. Kernidee: 80
    2. Probleem bij agressieve jongeren: 80
    3. Oorzaak 80
  136. 136 7. Patterson’s Coercive Family Model 80
    1. Kernidee: 80
    2. Coercieve cyclus: 80
    3. Gevolgen 80
  137. 137 8. Nature & Nurture 80
    1. Genetische invloed 80
    2. Gene × Environment interaction 80
    3. Gene–environment correlation 80
  138. 138 9. Omgevingsfactoren 80
    1. Culturele verschillen 81
  139. 139 10. Preventie en interventie 81
    1. Belangrijk principe: 81
    2. Voorbeelden interventies 81
    3. Belangrijke strategie 81
  140. 140 11. Samenvattend kernoverzicht 81
    1. Ontwikkeling: 81
    2. Risico: 81
    3. Oorzaken: 81
    4. Oplossing: 82
  141. 141 13.2 Perspectives on Relationships 83
    1. Inleiding: waarom zijn relaties belangrijk? 83
  142. 142 Attachment Theory (Hechtingstheorie) 83
    1. Basisidee van Bowlby 83
  143. 143 Evolutionaire achtergrond van hechting 83
    1. Ethologie als basis 83
  144. 144 Imprinting bij dieren 83
    1. Konrad Lorenz 83
  145. 145 Hechting bij mensen 84
    1. Gedragingen van baby’s die hechting bevorderen 84
  146. 146 Biologische voorbereiding van ouders 84
  147. 147 Wanneer ontstaat hechting? 84
  148. 148 Hoe herken je dat een baby gehecht is? 84
    1. 1. Zoekt nabijheid 84
    2. 2. Heeft een duidelijke voorkeur 84
    3. 3. Gebruikt ouder als veilige basis 85
  149. 149 Sensitive period 85
  150. 150 Internal Working Models (IWMs) = Interne werkmodel 85
    1. Kernidee 85
  151. 151 Wat bevatten IWMs? 85
    1. Over zichzelf: 85
    2. Over anderen: 85
  152. 152 Secure vs insecure IWMs 85
    1. Secure attachment 85
    2. Insecure attachment 85
  153. 153 Belang van vroege hechting 85
  154. 154 Kernpunten van de hechtingstheorie 86
    1. 1. Hechting is evolutionair 86
    2. 2. Hechting ontstaat door natuur + omgeving 86
    3. 3. Vroege hechting beïnvloedt latere ontwikkeling 86
    4. 4. Internal Working Models zijn het mechanisme 86
  155. 155 Peers: de tweede sociale wereld van kinderen 86
    1. Wat is een peer? 86
  156. 156 Twee sociale werelden 86
    1. 1. Volwassene-kind relaties 86
    2. 2. Peer-relaties 86
  157. 157 Waarom zijn peers belangrijk? 86
    1. Piaget en Kohlberg 86
  158. 158 Peers en perspectief nemen 86
  159. 159 Evolutionair perspectief van Tomasello 87
  160. 160 Sullivan en vriendschappen 87
  161. 161 Sociale behoeften volgens Sullivan 87
    1. Tot ongeveer 6 jaar 87
    2. Daarna 87
  162. 162 Chumships 87
    1. chumships 87
  163. 163 Functies van close friendships 87
  164. 164 Vergelijking tussen theoretici 87
    1. Freud & Erikson 87
    2. Bowlby & Ainsworth 88
    3. Piaget & Kohlberg 88
    4. Tomasello 88
    5. Sullivan 88
  165. 165 Belangrijkste conclusie van 13.2 88
    1. Ouders zijn belangrijk voor: 88
    2. Peers zijn belangrijk voor: 88
  166. 166 13.3 The Infant 89
  167. 167 Sociale ontwikkeling in de babytijd 89
  168. 168 Hechting (Attachment) 89
    1. Wat is hechting? 89
  169. 169 De ouder hecht zich ook aan de baby 89
    1. Biologische veranderingen bij ouders 89
  170. 170 Synchronie tussen ouder en baby 90
    1. Wat is synchronie? 90
    2. Waarom is synchronie belangrijk? 90
  171. 171 Ontwikkeling van hechting: 4 fasen 90
    1. 1. Ongedifferentieerde sociale responsiviteit (0–2/3 maanden) 90
    2. 2. Gedifferentieerde sociale responsiviteit (2/3–6/7 maanden) 90
    3. 3. Actief nabijheid zoeken / echte hechting (6/7 maanden–3 jaar) 90
    4. 4. Goal-corrected partnership (vanaf ±3 jaar) 91
  172. 172 Hechtingsgerelateerde angsten 91
    1. Separatieangst 91
    2. Vreemdenangst 91
  173. 173 Exploratie en veilige basis 91
    1. 1. Secure base (veilige basis) 91
    2. 2. Safe haven (veilige haven) 91
  174. 174 Strange Situation – kwaliteit van hechting 91
    1. Strange Situation 91
  175. 175 Vier hechtingsstijlen 91
  176. 176 1. Veilige hechting (secure attachment) 92
    1. Kenmerken 92
    2. Ouderkenmerken 92
    3. Gevolgen 92
  177. 177 2. Resistente / ambivalente hechting 92
    1. Kenmerken 92
    2. Ouderkenmerken 92
  178. 178 3. Vermijdende hechting 92
    1. Kenmerken 92
    2. Ouderkenmerken 92
  179. 179 4. Gedesorganiseerde hechting 92
    1. Kenmerken 92
    2. Ouderkenmerken 93
  180. 180 Wat bepaalt hechtingskwaliteit? 93
    1. 1. Sensitieve opvoeding (belangrijkste factor) 93
    2. 2. Temperament van het kind 93
    3. 3. Sociale context 93
  181. 181 Cultuur en hechting 93
    1. Duitsland 93
    2. Japan 93
  182. 182 Alloparenting 93
    1. alloparenting 93
  183. 183 Gevolgen van vroege hechting 94
  184. 184 Sociale deprivatie 94
  185. 185 Scheiding van ouders 94
  186. 186 Dagopvang (day care) 94
  187. 187 Lange termijn gevolgen van veilige hechting 94
    1. 1. Betere cognitieve ontwikkeling 94
    2. 2. Betere sociale competentie 94
    3. 3. Betere emotieregulatie 94
  188. 188 Internal Working Models (IWMs) 95
    1. Veilig gehechte kinderen: 95
    2. Onveilig gehechte kinderen: 95
  189. 189 Hechting is niet volledig vast 95
  190. 190 Eerste peerrelaties 95
  191. 191 Vriendschappen bij peuters 95
  192. 192 Vroege conformiteit 95
  193. 193 Kernpunten van 13.3 95
    1. Hechting 95
    2. Veilige hechting ontstaat door: 95
    3. Vier hechtingsstijlen: 95
    4. Veilige hechting hangt samen met: 96
    5. Hechting wordt beïnvloed door: 96
    6. Peerrelaties ontstaan al in de eerste levensjaren 96
  194. 194 13.6 Adult Attachment Styles (volwassen hechtingsstijlen) 96
    1. Kernidee 96
  195. 195 Overeenkomst tussen babyhechting en romantische liefde 96
  196. 196 Internal Working Models (IWMs) 97
    1. Wat zijn IWMs? 97
  197. 197 Vier volwassen hechtingsstijlen 97
  198. 198 1. Secure attachment (veilige hechtingsstijl) 97
    1. Kenmerken 97
    2. Lage anxiety + lage avoidance 97
    3. Gevolgen 98
  199. 199 2. Preoccupied attachment (gepreoccupeerde / angstige hechting) 98
    1. Kenmerken 98
    2. Gedrag 98
    3. Hoge anxiety + lage avoidance 98
    4. Probleem 98
  200. 200 3. Dismissing attachment (afwijzende/vermijdende hechting) 98
    1. Kenmerken 98
    2. Gedrag 98
    3. Lage anxiety + hoge avoidance 99
    4. Probleem 99
  201. 201 4. Fearful attachment (angstig-vermijdende hechting) 99
    1. Kenmerken 99
    2. Gedrag 99
    3. Hoge anxiety + hoge avoidance 99
  202. 202 Hechtingsstijlen kunnen veranderen 99
    1. Onderzoek toont: 99
    2. Leeftijdseffect 99
    3. Geslachtsverschillen 99
  203. 203 Gevolgen van volwassen hechtingsstijlen 99
  204. 204 1. Romantische relaties 99
    1. Secure volwassenen: 99
    2. Insecure volwassenen: 100
  205. 205 Ontwikkelingsketen van relaties 100
    1. Veilige hechting in babyfase → 100
  206. 206 2. Werk en exploratie 100
    1. Secure volwassenen: 100
    2. Preoccupied volwassenen: 100
    3. Dismissing volwassenen: 100
  207. 207 3. Ouderschap en caregiving 100
    1. Intergenerationele overdracht van hechting 100
  208. 208 4. Ouderdom en welzijn 100
    1. Secure ouderen: 100
    2. Dismissing ouderen: 100
    3. Preoccupied/fearful ouderen: 100
  209. 209 Belangrijk eindpunt 101
    1. Centrale conclusie van attachment theory: 101
  210. 210 Vormen van gezinsgeweld 104
    1. 1. Intimate Partner Violence (IPV) 104
    2. 2. Kindermishandeling (Child Maltreatment) 104
    3. 3. Geweld tussen siblings (Sibling Violence) 105
    4. 4. Kind-naar-ouder geweld 105
    5. 5. Parental Alienation 105
    6. 6. Ouderenmishandeling (Elder Abuse) 106
  211. 211 Waarom ontstaat kindermishandeling? 106
  212. 212 1. Kenmerken van de mishandelende ouder 106
    1. a. Zelf mishandeld geweest 106
    2. intergenerationele transmissie van opvoeding 106
    3. b. Slachtoffer van partnergeweld 107
    4. c. Lage sociaaleconomische status (SES) 107
    5. d. Persoonlijkheidskenmerken 107
  213. 213 2. Kenmerken van het kind 107
  214. 214 Interactioneel en transactioneel perspectief 107
    1. Interactioneel model 107
    2. Transactioneel model 107
  215. 215 3. De context van mishandeling 107
    1. Ecologisch perspectief 108
    2. Culturele context 108
  216. 216 Gevolgen van kindermishandeling 108
    1. 1. Biologische gevolgen 108
    2. 2. Cognitieve gevolgen 108
    3. 3. Emotionele gevolgen 108
    4. 4. Sociale gevolgen 108
  217. 217 Langetermijneffecten in volwassenheid 109
  218. 218 Veerkracht (Resilience) 109
  219. 219 Belangrijke theoretische kernpunten 109
    1. 1. Gezinsgeweld is systemisch 109
    2. 2. Stress + weinig steun = hoog risico 109
    3. 3. Vroege ervaringen werken door 109
  220. 220 Kernconclusie 109
  221. 221 13.5 The Adolescent 110
    1. Adolescentie: verschuiving van ouders naar leeftijdsgenoten 110
  222. 222 Parent–Adolescent Attachments 110
    1. Ouders blijven een “secure base” 110
    2. Meer autonomie 110
    3. Effecten van veilige gehechtheid 110
  223. 223 Friendships (Vriendschappen) 111
    1. Vriendschappen veranderen met de leeftijd 111
    2. Gelijkenis speelt grote rol 111
    3. Cross-sex friendships 111
    4. Gevolgen van weinig vrienden 112
  224. 224 Changing Social Networks 112
    1. Sociale acceptatie wordt belangrijk 112
  225. 225 Sociometric Popularity vs Perceived Popularity 112
    1. 1. Sociometric popularity 112
    2. 2. Perceived popularity 112
    3. Relationele agressie 112
    4. Emotionele gevolgen 112
  226. 226 Cliques and Crowds 113
    1. Cliques 113
    2. Ontwikkeling richting daten (Dunphy’s model) 113
    3. Crowds 113
    4. Effecten van crowds 113
  227. 227 Peer Selection vs Peer Socialization 113
    1. Peer selection 113
    2. Peer socialization 113
  228. 228 Peer Influence 114
    1. Niet alleen negatief 114
    2. Gevoeligheid voor peer pressure 114
    3. Invloed hangt af van de groep 114
    4. Ouders beschermen tegen negatieve peer influence 114
  229. 229 Dating 114
    1. Dating verandert met de leeftijd 114
    2. Onderzoek naar romantische ontwikkeling 115
  230. 230 LGBTQ Youth 115
    1. Moeilijkheden 115
  231. 231 Wat voorspelt gezonde romantische relaties? 115
  232. 232 Effecten van dating op ontwikkeling 115
    1. Te vroeg daten 115
    2. Later daten 115
  233. 233 Centrale conclusie 116
  234. 234 13.6 Romantische Relaties en Liefde 116
  235. 235 Romantische relaties als ontwikkelingstaak 116
  236. 236 Partnerkeuze (Partner Choice) 116
    1. A. Evolutionaire theorie 116
    2. Waarom? 116
    3. Universele voorkeuren 117
  237. 237 Filtermodellen van partnerkeuze 117
    1. Eerste filters: uiterlijke en sociale overeenkomsten 117
    2. Latere filters: psychologische overeenkomsten 117
  238. 238 Homogamie: “birds of a feather flock together” 117
    1. Homogamie = het kiezen van iemand die op jezelf lijkt. 117
  239. 239 Complementariteit 117
    1. Complementariteit 117
  240. 240 Online dating en algoritmes 118
    1. Waarom? 118
  241. 241 7. Liefde (Love) 118
  242. 242 8. Romantische liefde is universeel 118
  243. 243 9. De driehoekstheorie van liefde (Sternberg) 118
    1. Triangular Theory of Love 118
    2. A. Passie (Passion) 118
    3. B. Intimiteit (Intimacy) 118
    4. C. Commitment (Verbintenis) 119
  244. 244 Verschillende soorten liefde 119
    1. Alleen passie 119
    2. Alleen intimiteit 119
    3. Alleen commitment 119
    4. Passie + intimiteit 119
    5. Intimiteit + commitment 119
    6. Passie + commitment 119
    7. Alle drie samen 119
  245. 245 Ontwikkeling van liefde over tijd 119
    1. Vaak patroon: 119
  246. 246 Companionate love 119
  247. 247 Consummate love 120
  248. 248 Cultuurverschillen 120
  249. 249 Leeftijdsverschillen in liefde 120
    1. Adolescenten: 120
    2. Jongvolwassenen: 120
  250. 250 Hechting en romantische relaties 120
    1. Internal Working Models (IWMs) 120
    2. Veilige hechting leidt vaak tot: 120
    3. Onveilige hechting kan leiden tot: 120
  251. 251 Belangrijkste kernpunten 121
    1. Partnerkeuze 121
    2. Liefde 121
    3. Hechting 121
    4. Ontwikkeling 121
  252. 252 14.5 De volwassene: ontwikkeling van familierelaties in de volwassenheid 121
  253. 253 1. Het vormen van een partnerrelatie 121
    1. Huwelijk als levensfase 121
    2. Het “honeymoon effect” 121
    3. Vroege interacties voorspellen de toekomst 122
  254. 254 2. Nieuw ouderschap 122
    1. De overgang naar ouderschap 122
    2. Gezondheidsimpact van ouderschap 122
    3. Ongelijkheid tussen mannen en vrouwen 122
    4. Wat bepaalt hoe zwaar ouderschap wordt? 123
    5. Coparenting 123
  255. 255 3. Het gezin met opgroeiende kinderen 123
    1. Meer kinderen = meer stress 123
    2. Werk-gezin conflict 123
    3. Ouders van adolescenten 124
    4. Ouderschap beïnvloedt gezondheid 124
    5. Kindeffecten 124
  256. 256 4. Het lege nest 124
    1. Wat is het lege nest? 124
    2. Positieve effecten 124
    3. Waarom veel ouders zich goed aanpassen 124
  257. 257 5. Boomerang children 125
    1. Effect op ouders 125
  258. 258 6. Grootouderschap 125
    1. Grootouders zijn meestal niet oud 125
  259. 259 7. Typen grootouderschap 125
    1. 1. Remote grandparents 125
    2. 2. Companionate grandparents 125
    3. 3. Involved grandparents 125
    4. Grootouders als “family national guard” 125
    5. Positieve effecten van betrokken grootouders 125
    6. Belastingen voor grootouders 126
  260. 260 8. Veranderende huwelijksrelaties 126
    1. Niet elk huwelijk ontwikkelt hetzelfde 126
    2. Persoonlijkheid is belangrijk 126
  261. 261 9. Relaties tussen broers en zussen 126
    1. Veranderingen in volwassenheid 126
    2. Maar oude spanningen kunnen terugkomen 126
    3. Favoritisme van ouders 126
  262. 262 10. Relaties tussen ouders en volwassen kinderen 127
    1. Meestal positief 127
    2. Nieuwe relatievorm 127
  263. 263 11. Middle-generation squeeze / sandwich generation 127
  264. 264 12. Mantelzorg en caregiver burden 127
    1. Caregiver burden 127
    2. Risicofactoren 127
    3. Gevolgen 127
    4. Wat helpt? 127
  265. 265 Centrale conclusie van hoofdstuk 14.5 128
    1. 14.6 Diverse Family Experiences 128
    2. Cohabitation (Samenwonen) 128
    3. Cohabitation en relatiekwaliteit 129
  266. 266 Childless Married Couples 129
    1. Onvrijwillige kinderloosheid 129
    2. Effect op welzijn 129
  267. 267 Gay and Lesbian Families 129
    1. Verschillen 129
  268. 268 LGBTQ Parenting 130
    1. Onderzoek naar kinderen 130
  269. 269 Divorcing Families 130
  270. 270 Voor de scheiding 130
  271. 271 Na de scheiding 130
    1. Parenting na divorce 131
  272. 272 Lange termijn effecten 131
  273. 273 Factoren die adjustment verbeteren 131
  274. 274 Reconstituted Families (Blended Families) 131
    1. Uitkomst 132
  275. 275 10.2 The Infant 133
  276. 276 The Emerging Self 133
  277. 277 Eerste tekenen van zelfbesef 133
    1. Rooting reflex 133
  278. 278 Hersenen en lichaamsbewustzijn 133
  279. 279 Sense of Agency 133
  280. 280 sense of agency = het besef dat hun acties effecten veroorzaken. 133
  281. 281 Ontwikkeling in eerste 6 maanden 133
  282. 282 joint attention= gedeelde aandacht tussen twee personen voor hetzelfde object. 134
  283. 283 Self-Recognition (Zelfherkenning) 134
  284. 284 self-recognition= jezelf herkennen als individu. 134
  285. 285 mirror self-recognition test 134
  286. 286 Categorical Self 134
  287. 287 categorical self 134
  288. 288 Factoren die zelfbewustzijn beïnvloeden 134
    1. 1. Cognitieve ontwikkeling 134
    2. 2. Sociale interactie 134
  289. 289 3. Cultuur 134
    1. Individualistische culturen 134
    2. Collectivistische culturen 135
  290. 290 Kritiek op de mirror test 135
  291. 291 Belang van zelfbewustzijn 135
  292. 292 Temperament 135
  293. 293 Thomas & Chess: 3 temperamenttypes 135
    1. 1. Easy temperament 135
    2. 2. Difficult temperament 136
    3. 3. Slow-to-warm-up temperament 136
  294. 294 Stabiliteit van temperament 136
  295. 295 Rothbart’s temperamentdimensies 136
  296. 296 1. Surgency / Extraversion 136
  297. 297 2. Negative Affectivity 137
  298. 298 3. Effortful Control 137
  299. 299 effortful control 137
  300. 300 Oorzaken van temperament 137
    1. genetica 137
    2. prenatale invloeden 137
    3. postnatale omgeving 137
  301. 301 Goodness of Fit 137
  302. 302 goodness of fit = hoe goed temperament past bij omgeving. 137
    1. Goede fit 137
    2. Slechte fit 137
  303. 303 Voorbeeld: Carl 138
  304. 304 Parenting en temperament 138
  305. 305 wederzijdse beïnvloeding 138
  306. 306 10.3 The Child 138
  307. 307 Inleiding 138
  308. 308 Zelfconcept en zelfwaardering 138
    1. Ontstaan van het zelfconcept 138
  309. 309 Ontwikkeling van het zelfconcept 138
    1. Zelfconcept van kleuters 138
    2. Verandering rond 7 à 8 jaar 139
    3. Verandering in sociale vergelijking 139
  310. 310 Zelfwaardering (Self-Esteem) 139
    1. Wat is zelfwaardering? 139
  311. 311 Ontwikkeling van zelfwaardering 139
    1. Bij kleuters 139
    2. Vanaf de basisschool 140
    3. Globale zelfwaardering 140
  312. 312 Toenemende nauwkeurigheid van zelfevaluaties 140
  313. 313 Invloeden op zelfwaardering 140
    1. 1. Genetische invloed 140
    2. 2. Werkelijke competentie 140
    3. 3. Sociale feedback 140
  314. 314 Belang van ouders 141
  315. 315 Kritiek op overdreven zelfvertrouwen-cultuur 141
    1. Inflated praise 141
  316. 316 Gezonde manier om zelfwaardering op te bouwen 141
  317. 317 Ontwikkeling van persoonlijkheid 141
    1. Van temperament naar persoonlijkheid 141
  318. 318 Zelfcontrole (self-control) 141
    1. self-control 141
  319. 319 Kenmerken van kinderen met goede zelfcontrole 142
  320. 320 Langetermijneffecten 142
  321. 321 Continuïteit en verandering in persoonlijkheid 142
    1. Veranderingen in zelfconcept tijdens de adolescentie 143
  322. 322 Ontwikkeling van zelfwaardering (self-esteem) 143
    1. Ontwikkelingspatroon 143
    2. Waarom daalt of stabiliseert zelfwaardering tijdelijk? 144
    3. Belang van hoge zelfwaardering 144
  323. 323 Identiteitsvorming volgens Erikson 144
    1. Identiteit versus rolverwarring 144
    2. Rolverwarring 144
    3. Moratorium 144
  324. 324 James Marcia’s identiteitstheorie 144
    1. 1. Identity diffusion 144
    2. 2. Identity foreclosure 145
    3. 3. Moratorium 145
    4. 4. Identity achievement 145
  325. 325 Ontwikkeling van identiteit door de tijd 145
    1. Jongere adolescenten (12–15 jaar) 145
    2. Oudere adolescenten en emerging adults 145
    3. Belangrijk inzicht 145
  326. 326 Identiteit verschilt per domein 146
  327. 327 Etnische/raciale identiteit 146
    1. Definitie 146
    2. Minderheidsgroepen onderzoeken identiteit vaker 146
  328. 328 Ontwikkeling van etnische identiteit 146
    1. Infant 146
    2. Peuter- en kleutertijd 146
    3. Schoolleeftijd 146
    4. Adolescentie 146
  329. 329 Wat helpt bij positieve etnische identiteit? 146
    1. 1. Ouderlijke socialisatie 146
    2. 2. Leeftijdsgenoten 147
    3. 3. Educatieve programma’s 147
  330. 330 Voordelen van positieve etnische identiteit 147
  331. 331 Factoren die identiteitsvorming beïnvloeden 147
    1. 1. Cognitieve ontwikkeling 147
    2. 2. Persoonlijkheid 147
    3. 3. Opvoeding 147
    4. 4. Mogelijkheden tot exploratie 147
    5. 5. Culturele context 147
  332. 332 Gevolgen van identity achievement 148
    1. Self-Concepts en Self-Esteem bij volwassenen 148
    2. Hoe oudere volwassenen hun self-esteem behouden 148
  333. 333 Culturele verschillen in het zelf 149
    1. Individualistische vs collectivistische culturen 149
    2. Verschillen tussen Amerikanen en Japanners 150
  334. 334 Continuïteit en verandering in persoonlijkheid 150
  335. 335 Rank-order stability (rangorde stabiliteit) 150
  336. 336 Mean-level change (gemiddelde verandering) 150
    1. Het maturity principle (volwassenheid principe) 150
    2. Oorzaken van het maturity principle 150
    3. Veranderingen op hoge leeftijd 151
  337. 337 Biologische basis van persoonlijkheid 151
    1. Extraversie 151
    2. Neuroticisme 151
    3. Conscientiousness 151
  338. 338 Waarom persoonlijkheid stabiel blijft 151
    1. Gene-environment correlation 151
  339. 339 Waarom persoonlijkheid soms verandert 151
  340. 340 Persoonlijkheid en aanpassing 152
  341. 341 Psychosociale groei volgens Erikson 152
  342. 342 Vroege volwassenheid 152
    1. Intimacy vs Isolation 152
  343. 343 Middelbare volwassenheid 152
    1. Generativity vs Stagnation 152
    2. Midlife crisis? 152
  344. 344 Late volwassenheid 153
    1. Integrity vs Despair 153
  345. 345 Life review 153
    1. life review → terugkijken op hun leven. 153
  346. 346 Successful aging 153
    1. Rowe & Kahn 153
    2. Psychologisch welzijn 153
  347. 347 Ryff’s model van psychological well-being 153
  348. 348 Theorieën over succesvol ouder worden 153
    1. 1. Activity theory 153
    2. 2. Disengagement theory 154
    3. 3. Selective Optimization with Compensation (SOC) 154
  349. 349 Person-environment fit 154
    1. match tussen persoon en omgeving. 154
  350. 350 15.1 Wat maakt ontwikkeling abnormaal? 154
    1. Hoe bepalen psychologen wat “abnormaal” is? 154
  351. 351 DSM-5: hoe stoornissen officieel worden gediagnosticeerd 155
  352. 352 Voorbeeld: Major Depressive Disorder (ernstige depressie) 155
    1. Mogelijke symptomen 155
    2. Hoe depressie eruit kan zien 155
  353. 353 Cultuur en leeftijd zijn belangrijk bij diagnoses 155
    1. Culturele verschillen 155
    2. Leeftijdsverschillen 155
  354. 354 Developmental Psychopathology (=ontwikkelingspsychopathologie) 156
    1. Definitie 156
    2. Kernidee 156
  355. 355 Psychopathologie als ontwikkeling, niet als “ziekte” 156
  356. 356 Ontwikkelingspaden 156
    1. Mogelijke trajecten 156
  357. 357 Neurodevelopmental perspective 156
  358. 358 Leeftijd bepaalt wat “normaal” is 157
    1. Voorbeeld 157
  359. 359 Drie grote vragen binnen developmental psychopathology 157
    1. 1. Nature vs nurture 157
  360. 360 Ouders krijgen vaak onterecht de schuld 157
  361. 361 Diathese-stressmodel 157
    1. Diathese 157
    2. Stress 157
  362. 362 Hoe depressie ontstaat volgens dit model 157
  363. 363 Genen + stress samen 157
  364. 364 Differential susceptibility 158
  365. 365 2. Continuïteit vs discontinuïteit 158
    1. Belangrijke vraag: 158
  366. 366 Great Smoky Mountains Study 158
    1. Resultaten 158
  367. 367 Vroege problemen voorspellen latere problemen 158
  368. 368 Veerkracht (resilience) 158
  369. 369 3. Universality vs context specificity 158
    1. Vraag: 158
  370. 370 Culturele verschillen 158
    1. Thailand vs Verenigde Staten 158
  371. 371 Voorbeeld: oogcontact en autisme 159
    1. Psychologische problemen bij baby’s 159
  372. 372 Autism Spectrum Disorder (ASD) 159
    1. Wat is autismespectrumstoornis? 159
  373. 373 Twee kernkenmerken van ASD 159
    1. 1. Sociale en communicatieve problemen 159
    2. 2. Beperkte interesses en repetitief gedrag 159
  374. 374 Grote verschillen tussen mensen met ASD 160
  375. 375 Asperger en ASD 160
  376. 376 Is er een autismepidemie? 160
    1. Sterke stijging in diagnoses 160
    2. Vaccins veroorzaken géén autisme 160
    3. Waarom stijgen diagnoses dan? 160
  377. 377 Vroege signalen van ASD 160
    1. Mogelijke signalen rond 1 jaar 160
  378. 378 Hersenontwikkeling bij ASD 161
    1. Vroege hersenovergroei 161
    2. Onderconnectiviteit 161
  379. 379 Oorzaken van ASD 161
    1. Oude theorie: “refrigerator moms” 161
  380. 380 Genetische invloed 161
  381. 381 Omgevingsfactoren 161
  382. 382 Behandeling van ASD 161
    1. Applied Behavior Analysis (ABA) 161
    2. Moderne interventies 161
  383. 383 Belang van vroege interventie 161
  384. 384 Depressie bij baby’s 162
    1. Kan een baby depressief zijn? 162
  385. 385 Risicofactoren voor depressieve symptomen 162
    1. 1. Mishandeling of verwaarlozing 162
    2. 2. Verlies van hechtingsfiguur 162
    3. 3. Depressieve ouders 162
  386. 386 Stress en hersenontwikkeling 162
  387. 387 15.3 The Child 162
    1. Veel ontwikkelingsproblemen in de kindertijd 162
  388. 388 Externalizing vs. Internalizing Problems 162
    1. Externalizing problems 163
    2. Internalizing problems 163
    3. Ontwikkeling over de tijd 163
    4. Geslachtsverschillen 163
    5. SES en omgeving 163
    6. Culturele verschillen 163
  389. 389 Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder (ADHD) 164
    1. Kernidee 164
    2. 1. Inattention (onoplettendheid) 164
    3. 2. Hyperactivity & impulsivity 164
  390. 390 Hoe vaak komt ADHD voor? 164
    1. Jongens versus meisjes 164
  391. 391 Comorbiditeit 164
    1. Comorbiditeit 164
  392. 392 Ontwikkelingsverloop van ADHD 164
    1. Babyfase 164
    2. Peuterfase 165
    3. Schoolleeftijd 165
    4. Adolescentie 165
    5. Volwassenheid 165
  393. 393 Mogelijke oorzaken van ADHD 165
    1. Problemen in executieve functies 165
    2. Neurotransmitters 165
  394. 394 Hersenontwikkeling 165
  395. 395 Genetische invloed 166
  396. 396 Omgevingsfactoren 166
  397. 397 Gene–environment interaction 166
  398. 398 Ouderschap en ADHD 166
  399. 399 Behandeling van ADHD 166
    1. Medicatie 166
    2. Belangrijke nuance 166
  400. 400 Gedragstherapie 166
  401. 401 Beste aanpak 166
    1. combinatie van medicatie + gedragstherapie werkt het best. 167
  402. 402 Lange termijn 167
  403. 403 Depressie bij kinderen 167
    1. Oude opvatting 167
    2. Huidige visie 167
  404. 404 Hoe uit depressie zich bij kinderen? 167
  405. 405 Comorbiditeit 167
  406. 406 Suïcidaliteit bij kinderen 167
  407. 407 Continuïteit van depressie 167
  408. 408 Risicofactoren voor depressie 167
  409. 409 Beloningssysteem van de hersenen 168
  410. 410 Behandeling van depressie 168
    1. Psychotherapie 168
    2. cognitieve gedragstherapie (CGT) 168
    3. Antidepressiva 168
  411. 411 Therapie voor jonge kinderen: PCIT-ED 168
    1. Basisidee 168
    2. Wat leren ouders? 168
  412. 412 Effecten van PCIT-ED 168
  413. 413 15.4 The Adolescent 168
  414. 414 Kernidee 168
  415. 415 Adolescent Problem Behaviors and Psychopathology 168
    1. Zijn adolescenten echt problematischer? Niet per se. 168
  416. 416 Adolescent Problem Behaviors 169
    1. Middelengebruik 169
  417. 417 Waarom nemen probleemgedragingen toe? 169
    1. A. Ontwikkelingstaken van adolescentie 169
    2. B. Puberteit en hormonen 169
    3. C. Hersenontwikkeling 169
    4. D. Meer kansen om risico’s te nemen 169
    5. E. Meer stress 170
  418. 418 Van risicogedrag naar psychopathologie 170
    1. Substance Use Disorder 170
    2. Developmental Cascade 170
    3. Lange termijn gevolgen 170
  419. 419 Eating Disorders 170
  420. 420 Anorexia Nervosa 170
    1. Kenmerken 170
    2. Typisch verloop 170
    3. Geslachtsverschillen 170
  421. 421 Oorzaken van eetstoornissen 171
    1. A. Biologische factoren 171
    2. B. Socioculturele factoren 171
    3. C. Puberteit 171
    4. D. Diathese-stressmodel 171
  422. 422 Preventie en behandeling 171
    1. Body Project 171
    2. Behandeling anorexia 171
    3. Maudsley-benadering 171
  423. 423 Depressie in adolescentie 171
    1. Grote stijging na puberteit 171
  424. 424 Waarom stijgt depressie? 172
    1. A. Genetische kwetsbaarheid 172
    2. B. Stress 172
    3. C. Rumination 172
  425. 425 11. Suïcidaal gedrag 172
    1. Belangrijk feit 172
    2. Verschil tussen jongens en meisjes 172
  426. 426 Risicofactoren voor suïcide 172
  427. 427 Nonsuicidal Self-Injury 172
    1. Psychopathologie in de volwassenheid 173
  428. 428 Stress en psychische stoornissen 173
    1. Stress piekt in de vroege volwassenheid 173
    2. Leeftijdsverschillen in psychische stoornissen 173
  429. 429 Depressie bij volwassenen 174
    1. Depressie is zeer frequent 174
  430. 430 Leeftijdsverschillen bij depressie 174
    1. Ouderen hebben minder vaak ernstige depressie 174
  431. 431 Genderverschillen in depressie 174
  432. 432 Etnische verschillen in depressie 174
    1. Hogere depressiecijfers 174
    2. Lagere cijfers 174
  433. 433 Behandeling van depressie 175
    1. Groot probleem: mensen zoeken geen hulp 175
    2. Effectieve behandelingen 175
  434. 434 Veroudering en dementie 175
    1. Wat is dementie? 175
  435. 435 Dementie is geen normaal ouder worden 175
  436. 436 Alzheimer 175
    1. Meest voorkomende vorm van dementie 175
  437. 437 Biologische kenmerken van Alzheimer 176
    1. 1. Seniele plaques 176
    2. 2. Neurofibrillaire tangles 176
  438. 438 Verloop van Alzheimer 176
    1. Vroege fase 176
    2. Middenfase 176
    3. Late fase 176
  439. 439 Gedragsproblemen bij Alzheimer 176
  440. 440 Oorzaken van Alzheimer 176
    1. Genetische factoren 176
  441. 441 Omgevingsfactoren 177
  442. 442 Cognitieve reserve 177
  443. 443 Preventie van Alzheimer 177
  444. 444 Behandeling van Alzheimer 177
  445. 445 Ondersteuning bij Alzheimer 177
  446. 446 Andere oorzaken van cognitieve achteruitgang 177
  447. 447 Vasculaire dementie 177
  448. 448 Lewy body dementie 178
  449. 449 Omkeerbare dementieën 178
  450. 450 Delirium 178
    1. Tijdelijke acute verwardheid 178
  451. 451 Depressie versus dementie 178

Gekoppeld boek
 image
Elizabeth Rider Life-Span Human Development
Uitgever: Onbekend ISBN: 9780357373651 Druk: 10

Documentinformatie

Heel boek samengevat?
Ja
Geüpload op
23 augustus 2026
Aantal pagina's
178
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
€10,96

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
1
Volgers
0
Items
4
Laatst verkocht
5 dagen geleden

Echte notities, van echte studenten
Elk document op Stuvia is geschreven door een medestudent die hetzelfde vak deed. Zo leer je van iemand die het al heeft gehaald.



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen