Het openbaar bestuur is het deel van de overheid dat zich bezighoudt met besturen. Een
bestuursorganisatie bestaat uit bestuursorganen. Het openbaar bestuur kent een bepaalde
organisatiestructuur die op alle niveaus terugkeert. Op gemeentelijk niveau is er een college
van burgemeester en wethouders (dagelijks bestuur). Ze worden gecontroleerd door de
gemeenteraad. De gemeenteraad wordt eens in de vier jaar gekozen door inwoners van die
gemeente. Op rijksniveau vormt de regering het dagelijks bestuur (koning en ministers). De
ministers worden door het parlement (eerste en Tweede Kamer) gecontroleerd.
Er zijn ook minder bekende besturen. Het dagelijks bestuur van een waterschap bestaat uit
een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter. Een waterschap houdt zich
bezig met het onderhoud van dijken en het beheren van beken en rivieren.
Kenmerkend voor alle openbaar bestuur: de wet geeft regels voor de organisatie van het
openbaar bestuur, verschaft het bestuur bevoegdheden en stelt regels aan het besturen,
maar geeft niet in detail aan wat het bestuur precies moet doen. Dit is logisch, het openbaar
bestuur moet het maatschappelijk leven regelen en sturen, dat is maatwerk.
Maatschappelijke ontwikkelingen vragen om snelle aanpassingen van het bestuur, en de
wet is niet eenvoudig aan te passen.
Het openbaar bestuur moet het algemeen belang behartigen, en dit moet centraal staan bij
de uitoefening van bestuurstaken. In de bestuurswetten heeft de wetgever taken
opgedragen aan het bestuur en daarmee op hoofdlijnen aangegeven waarop de behartiging
gericht moet zijn.
Het openbaar bestuur reguleert en stuurt met het oog op een bepaald algemeen belang,
onder meer activiteiten van burgers. Daarnaast verricht het bestuur publieke taken
(aanleggen van wegen). Activiteiten van het gemeentebestuur zijn voor burgers het meest
zichtbaar (vergunningen, omgevingsplannen, financiële tegemoetkomingen). Op provinciaal
niveau is de bestuursactiviteit minder zichtbaar voor burgers. Ze coördineren meer, en
houden toezicht. Op landelijk niveau zijn er ook veel organen die bevoegdheden uitoefent,
denk aan toekennen van studiefinanciering of uitkeringen.
Het openbaar bestuur manifesteert zich op verschillende niveaus, centraal (landelijk) en
decentraal (onder meer provinciaal en gemeentelijk niveau). Decentrale overheden
beschikken over bestuursbevoegdheden:
- Autonome bestuursbevoegdheden.
- Bestuursbevoegdheden die op grond van medebewind worden uitgeoefend.
Art. 124 lid 1 Gw: ‘voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en
bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.’ De bestuursbevoegdheden
die verband houden met regeling en bestuur van de eigen huishouding worden ook wel
autonome bevoegdheden van provincie en gemeente genoemd. Provinciale staten en
,gemeenteraden kunnen verordeningen maken op het terrein van hun huishouding. De
autonome bevoegdheden zijn verder uitgewerkt in de Gemeentewet en de Provinciewet
(organieke wetten).
Art. 124 lid 2 Gw: ‘regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en
gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.’ Hier is sprake van medebewind. Er is
dan sprake van verplichte medewerking door de decentrale overheidsbesturen aan de
uitvoering van wetten in formele zin die op rijksniveau door de wetgever zijn gemaakt.
Medebewind betekent dat via een wet in formele zin medewerking aan de uitvoering van
die wet wordt gevorderd van het provinciaal bestuur of het gemeentebestuur. Het gaat om
samenwerking tussen verschillende bestuurslagen. Medebewindsbevoegdheden laten
vrijheid aan de op decentraal niveau bevoegde overheidsbesturen voor een op de lokale
situatie toegespitst beleid.
Dus, niet tot de centrale overheid behorende overheidsbesturen (decentrale
overheidsbesturen) kunnen twee soorten bevoegdheden hebben. Decentrale
overheidsbesturen kunnen bevoegdheden uitoefenen in het kader van eigen huishouding
(gebaseerd op de Gemeente- en Provinciewet (organieke wetten)). Bevoegdheden op basis
van deze wetten heet autonome (bestuurs)bevoegdheden. Daarnaast kunnen ze
medewerking verlenen aan de uitvoering van wetten in formele zin, waarbij het gaat om
uitvoering van wetten op het terrein van het bijzonder bestuursrecht (medebewind).
Om de bestuurstaken en daarmee het algemeen belang te kunnen behartigen, zal het
bestuur ook tegen de wil van burgers moeten kunnen optreden. De wetgever geeft het
bestuur bevoegdheden die te vinden zijn in wetten in formele zin, of wetten in materiële zin
(lagere algemeen verbindende voorschriften, zoals gemeentelijke verordeningen).
In de praktijk komt de vergunningsbevoegdheid veel voor in het bestuur. Het gedrag van
burgers kan gericht worden beïnvloed omdat de vergunning speciaal bedoeld is voor een
concreet geval. Een vergunning dient ertoe om normstelling ‘in concreto’ te
bewerkstelligen. Dat betekent dat voor elk specifiek geval bepaalde voorschriften
opgenomen kunnen worden. De voorschriften moeten betrekking hebben op het doel van
de wet waarop de vergunningsbevoegdheid steunt. Naast de vergunningsbevoegdheid is de
bestuurlijke handhavingsbevoegdheid een voorbeeld. Een belangrijk type
handhavingsbevoegdheid is de bevoegdheid tot het opleggen van de last onder
bestuursdwang, waardoor de activiteit feitelijk beëindigd wordt. Bestuursorganen kunnen
ook bevoegd zijn om een vrijstelling of ontheffing te verlenen van wettelijke voorschriften.
De gedachte erachter is dat er bijzondere situaties zijn waarin bepaalde regels beter niet
toegepast kunnen worden. Het laatste voorbeeld is de subsidiebevoegdheid, waarbij een
bestuursorgaan op verzoek van een (rechts)persoon financiële middelen ter beschikking kan
stellen.
,Het bestuur in de democratische en sociale rechtsstaat is aan strakke regels gebonden,
bevoegdheden zijn er niet zomaar. De wetgever heeft de afzonderlijke
bestuursbevoegdheden in het leven geroepen op het algemeen belang. Daarbij zijn de
(rand)voorwaarden geschetst die door het bestuur in acht moeten worden genomen. In
beginsel mag het bestuur niet handelen tenzij de wetgever dit heeft toegestaan. Burgers
mogen altijd handelen, tenzij dit in strijd is met het recht. Het bestuur moet, om
bestuurshandelingen te kunnen verrichten, over een op de wet gebaseerde bevoegdheid
beschikken. Dit is het beginsel van wetmatigheid van bestuur of het legaliteitsbeginsel (of
legaliteitsvereiste). Hierdoor wordt het bestuurshandelen beter voorspelbaar. Burgers
weten ongeveer waar ze wel en geen recht op hebben. Bestuurswetgeving is uitgebreid. In
deze wetgeving wordt de aan het bestuur toegekende bevoegdheid ook genormeerd. Dit
betekent dat de wet de inhoudelijke en procedurele voorwaarden formuleert waaronder
het bestuur zijn bevoegdheden mag uitoefenen. De wetgever bepaald dus welke belangen
mogen en moeten worden behartigd. Als de wetgever bevoegdheden aan het bestuur
toekent, worden deze naar doel afgebakend. Ze zijn specifiek, en er wordt gesproken van
een specialiteitsbeginsel. Iedere bestuursbevoegdheid wordt met een bepaald doel in het
leven geroepen. Iedere bestuursbevoegdheid is altijd beperkt van aard en altijd uitgeoefend
overeenkomstig de bedoeling van de wetgever. Dat de wetgever bevoegdheden aan het
bestuur verleent en deze tevens beperkt en dat het bestuur alleen op grond van en in
overeenstemming met deze beperkte bevoegdheden mag handelen is een kernelement van
de democratische rechtsstaat. Als het bestuur over onbeperkte bevoegdheden zou
beschikken spreek je van een totalitaire samenleving.
Het bestuursrecht wordt vooral gezien als het recht dat waarborgen biedt tegen de
onrechtmatige uitoefening van bestuursbevoegdheid. Datzelfde bestuursrecht verleent ook
bestuursbevoegdheid aan het bestuur. Bestuursbevoegdheid is een instrument om te
besturen. Het komt erop neer dat de wetgever in bestuurswetgeving
bestuursbevoegdheden schept (instrument) en deze bevoegdheden in dezelfde wet
normeert (aan regels verbinden of beperken) om de onrechtmatige uitoefening van
bestuursbevoegdheden tegen te gaan.
Een bestuursbevoegdheid is een bepaald type publiekrechtelijke bevoegdheid die door een
bestuursorgaan wordt uitgeoefend. Er zijn drie soorten publiekrechtelijke bevoegdheden
(trias politica):
- De wetgevende bevoegdheid van de wetgevende macht (wetgever in formele zin)
- De rechtsprekende bevoegdheid van de rechtsprekende macht (rechter)
- De uitoefening van bestuursbevoegdheden door de uitvoerende macht
(bestuursorganen)
Een bevoegdheid is het vermogen van een orgaan om rechtsgevolgen tot stand te brengen.
Een publiekrechtelijke bevoegdheid is iedere bevoegdheid van een overheidsorgaan om
positief recht (geldend en afdwingbaar recht) te vormen, vast te stellen of te handhaven.
, Alle publiekrechtelijke bevoegdheden worden alleen door een overheidsorgaan
uitgeoefend. Een ander belangrijk kenmerk is dat de uitoefening in de regel eenzijdig
plaatsvindt.
Het bestuursrecht houdt zich primair bezig met de rechtsverhoudingen tussen het bestuur
en burgers. In het algemeen kan worden verstaan het recht dat de relaties tussen het
bestuur en burgers normeert. Een onderdeel van het bestuursrecht ziet ook op de vraag hoe
een burger in rechte op kan komen tegen het besluit als hij het er niet mee eens is. Het gaat
hier over bestuursrechtelijke rechtsbescherming. De procedure die het meest voorkomt is
degene waarbij een belanghebbende eerst bij het bestuursorgaan zelf een bezwaar maakt,
en vervolgens beroep instelt bij de bestuursrechter, en daarna eventueel nog in hoger
beroep gaat. Procedures bij de bestuursrechter worden genormeerd door het
bestuursprocesrecht. Het formeel bestuursrecht gaat over de procedures die door het
bestuur moeten worden gevolgd bij het nemen van besluiten, de vorm en inrichting van
besluiten en de procedures die moeten worden gevolgd bij het bieden van
bestuursrechtelijke rechtsbescherming (bezwaar, beroep en hoger beroep). Het materieel
bestuursrecht heeft in hoofdzaak betrekking op de inhoud van besluiten.
Het formeel recht kan worden verdeeld in het bestuurspocesrecht en het
besluitvormingsrecht. Het bestuursprocesrecht regelt de procedure bij de bestuursrechter,
de procedure van bezwaar en administratief beroep (gaan vooraf aan een beroep op de
bestuursrechter). Het besluitvormingsrecht (procedurele regels over het tot stand komen
van besluiten) maken deel uit van het formeel bestuursrecht.
Het materiële bestuursrecht regelt de inhoudelijke verhouding tussen burger en bestuur
door de vaststelling van rechten en/of plichten van burger en bestuur. Hier worden de
wetten waarin bestuursbevoegdheden worden toegekend en genormeerd tot gerekend. Het
materiële bestuursrecht vind je in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en vooral in
bijzondere bestuurswetten. Het is verboden om de bevoegdheid tot het nemen van een
besluit voor een ander doel te gebruiken dan waarvoor de bevoegdheid is verleend. Dit
verbod (verbod van détournement de pouvoir) is een regel van materieel bestuursrecht.
Ook het ongeschreven recht is nog een bron van materieel bestuursrecht, bijvoorbeeld het
vertrouwensbeginsel.
Er wordt in het bestuursrecht onderscheid gemaakt tussen algemeen bestuursrecht en
bijzonder bestuursrecht (bijzondere delen van bestuursrecht):
- Bijzonder bestuursrecht: is versnipperd over vele bijzondere bestuurswetten. Elke
bijzondere wet regelt niet meer dan een specifiek onderdeel van het algemeen
belang.
- Algemeen bestuursrecht: bestaat uit regels die voor alle delen van het bijzonder
bestuursrecht relevant zijn. Het gaat vooral om procedurele bepalingen. Ons
algemeen bestuursrecht is vooral neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht.