Er zijn vier functies die betrekking hebben op waarom we het recht hebben. Er zijn
gedragsregels waarvan iedereen in de samenleving vindt dat ze moeten worden nageleefd
(normen). Deze normen zijn niet alleen ethische normen, maar ook rechtsnormen.
Voorbeelden zijn moord, diefstal, incest, verkrachting of discriminatie. Er wordt gesproken
van de normatieve functie van het recht. Als je het recht in eigen handen neemt, noem je
dat eigenrichting. In onze cultuur is dit verboden. De geschiloplossende functie van het
recht houdt in dat het recht de middelen en procedures biedt om conflicten tussen burgers,
bedrijven of de overheid op te lossen en om te bepalen wie er schuldig is en welke sancties
er moeten worden opgelegd. Hierbij speelt de rechterlijke macht een cruciale rol door
uitspraken te doen en oplossingen te bieden voor onenigheid, waardoor de vrede en orde in
de samenleving bewaard blijven. Een derde functie van het recht heeft te maken met het
feit, dat het een ervaringsgegeven is dat mensen niet alles tot in de puntjes regelen. Het
betreft de additionele functie van het recht. Als partijen vergeten zijn op een bepaald punt
afspraken te maken, geeft het recht aan welke regel geldt. De instrumentele functie van het
recht houdt in dat de wet gebruikt wordt als middel om maatschappelijke doelen te
bereiken, waarbij het recht als een sturend instrument dient om bepaald gedrag te
realiseren of beleid uit te voeren. Denk hierbij aan wetgeving die bepaald gedrag stimuleert
of ontmoedigt, zoals verkeersregels die het verkeer structuur geven, of belastingwetten die
worden ingezet om de inkomensverdeling te beïnvloeden.
Er zijn vier soorten rechtsbronnen:
1. De wet: allereerst zijn er wetten op het terrein van het privaatrecht. Dit heet ook wel
het civiele recht op het burgerlijk recht. Het privaatrecht valt uiteen in vier
deelgebieden: het personen- en familierecht, het vermogensrecht, het
ondernemingsrecht en het burgerlijk procesrecht. Het personen- en familierecht
regelt zaken als geboorte, huwelijk, echtscheiding, adoptie en de regeling van het
vermogen tussen echtgenoten. Veel hiervan staat in het Burgerlijk Wetboek (WB).
Het vermogensrecht gaat over alle op geld waardeerbare handelingen tussen
burgers onderling waaraan juridische gevolgen verbonden zijn. De regels hiervan
vind je ook in het Burgerlijk Wetboek. Het WB bevat negen wetboeken. Het
ondernemingsrecht regelt alles wat ondernemingen en bedrijven betreft. De regels
die op het voeren van juridische procedures op het terrein van het privaatrecht van
toepassing zijn, worden tot het burgerlijk procesrecht gerekend. Denk aan een
geschil tussen twee burgers, waarvan iemand schade heeft toegebracht aan iemands
eigendom, maar die persoon dit ontkent. Een beslissing aan de rechter vragen naar
aanleiding van een tussen twee personen gerezen conflict, noemen we procederen.
Naast wetten op gebied van privaatrecht kennen we wetten op het terrein van
strafrecht. De staat treedt actief op door middel van het Openbaar Ministerie (OM)
om sancties te eisen bij schending van normen. Bij privaatrecht is dat anders, daar
,zal de staat zich er niet mee bemoeien op het moment dat een burger geen actie
onderneemt. Bij strafrecht bezit de staat een monopoliepositie. Alleen het OM kan
tot vervolging van strafbare feiten overgaan. Strafrecht en privaatrecht zijn met
elkaar verbonden in bepaalde situaties. Het staatsrecht regelt de wijze waarop de
Nederlandse overheid wordt vormgegeven en de invloed die de burgers daarop
kunnen uitoefenen. Bij staatsrecht komen de Eerste en Tweede kamer in beeld,
maar ook de regering, verkiezingen en de totstandkoming van wetten. Een
belangrijke wet in dit gebied is de Grondwet, waarin de basisregels van ons
staatsbestel staan opgesomd. Het bestuursrecht heeft betrekking op de
mogelijkheden die de overheid/wetgever heeft om regulerend op te treden ten
aanzien van de maatschappij. De kernwet is de Algemene wet Bestuursrecht (Awb):
bevat de algemene regels voor de verhouding tussen overheid en burgers, bedrijven
en dergelijke. Het bieden van een uniforme basis voor de procedures van
bestuursorganen. Bij de laatste drie rechtsgebieden: strafrecht, staatsrecht en
bestuursrecht, zien we dat de staat en overheid een steeds belangrijkere plaats
inneemt. Ze bevinden zich in het publiekrecht.
Rechtsgebieden Wetten
Privaatrecht Personen- en familierecht
Vermogensrecht
Burgerlijk Wetboek boek 1
Burgerlijk Wetboek boeken 3, 5, 6 (en losse wetten)
Ondernemingsrecht Burgerlijk Wetboek boek 2 (en losse)
Publiekrecht Strafrecht Wetboek van Strafrecht, Strafvordering (en losse)
Staatsrecht Grondwet en Organieke wetten
Bestuursrecht Algemene wet bestuursrecht (en losse)
Wie zijn wetgever? Wie maken wetten? Er is onderscheid tussen wetgevers op
centraal niveau en wetgevers op decentraal niveau. Op centraal niveau is met name
de nationale wetgever, die is samengesteld uit de regering en de Staten-Generaal
(Eerste en Tweede Kamer). Decentrale wetgevers zijn meer op provinciaal en
gemeentelijk niveau. Provincies en gemeenten vaardigen dus wetten uit, maar
worden verordening genoemd. Provinciale Staten zijn bevoegd verordeningen voor
hun provincie tot stand te brengen. Op gemeentelijk niveau is de gemeenteraad
bevoegd om voor de gemeente regels te maken. Er zijn naast centrale en decentrale
wetgevers ook nog andere instanties bevoegd ‘wetten’ uit te vaardigen. Bijvoorbeeld
de Sociaal-Economische Raad (de SER) of waterschappen.
Er is een rangorde voor wetten waar drie regels gelden:
1. Hogere regels gaan boven lagere regels. Bijvoorbeeld een verordening van de
gemeente in strijd met een verordening van de provincie. Die van de gemeente
zal onverbindend verklaren en de provinciale wordt toegepast. Een wet in
formele zin gaat weer boven een provinciale verordening.
2. Bijzondere regels gaan boven algemene regels.
3. Jongere regels gaan boven oudere regels.
, Regel 1 is belangrijker dan de twee andere regels. Kijk dus naar eerder naar positie
dan datum als ze beide worden genoemd.
Een wet in formele zin is een wet die tot stand is gekomen door regering en Staten-
Generaal gezamenlijk. Een wet in materiële zin is iedere regeling van een wetgever
die geschreven is voor een onbepaald aantal en dus niet bij naam genoemde
persoon. Op decentraal niveau worden geen wetten in formele zin uitgevaardigd. Als
er een besluit wordt genomen die op alle inwoners van de betreffende provincie
betrekking hebben, zijn dit wetten in materiële zin. Een groot aantal wetten is
formeel en materieel, want wetten die door regering en Staten-Generaal worden
uitgevaardigd, zijn meestal tot niet bij name genoemde mensen gericht. Sommige
wetten zijn wel wet in formele zin, maar geen wet in materiële zin, want wetten
afkomstig van de centrale wetgever richten zich soms tot bij name genoemde
personen. Veel wetten zijn niet in formele zijn maar wel ik materiële zin, want veel
wetten op provinciaal en gemeentelijk niveau richten zich tot een onbepaald aantal
mensen. Het kan ook beide niet voorkomen bij een wet.
2. Het verdrag: een verdrag is een afspraak, overeenkomst, gesloten door twee of meer
staten. Een verdrag tussen twee landen heet een bilateraal verdrag, zijn er meer dan
twee staten bij een verdrag betrokken heet dit een multilateraal verdrag.
3. De jurisprudentie: betekent rechtspraak. Recht wordt gesproken door een enkele
rechter (unus) of door een rechterlijk college (meerdere rechters). Hun beslissingen
worden vaak vonnissen, arresten of uitspraken genoemd. Een vonnis wordt als
hoofdregel door de rechtbank gegeven, een arrest wordt gewezen door een
gerechtshof en de Hoge Raad. Rechtbank, gerechtshof en Hoge Raad zijn vooral
actief op terrein van privaatrecht, het ondernemingsrecht en het strafrecht. Op alle
andere terreinen van het recht wordt een beslissing van rechters of rechtscolleges
uitspraken genoemd. Vaak staan er in wetten of verdragsbepalingen woorden of
zinnen waarvan de betekenis niet zeker vaststaat of op grond waarvan niet direct
blijkt wat nu precies wordt bedoeld. Soms geeft het hof een nadere invulling aan een
bepaalde wet, waar ruimte is voor invulling. Een rechter of een rechtscollege spreekt
dus niet alleen recht, maar kan ook recht maken. De rechter bedenkt dit niet zelf,
maar bezit hier hulpmiddelen voor (interpretatiemethoden):
a. De grammaticale interpretatiemethode: de rechter sluit aan bij de betekenis
die het heeft in het alledaagse spraakgebruik.
b. De wetshistorische interpretatiemethode: de rechter kijkt naar een passage
uit de parlementaire geschiedenis van de betreffende wet. Wanneer een
woord of zin onduidelijk is, kan de rechter nagaan wat de wetgever heeft
betoogd.
c. De anticiperende interpretatiemethode: de rechter richt zich op toekomstig
recht. Het duurt meestal ten minste negen maanden voordat een
, wetsvoorstel wet wordt. Als een wet bijna klaar is kan de rechter zijn oordeel
alvast op de inhoud hiervan beroepen.
d. De rechtsvergelijkende interpretatiemethode: bij beantwoording van de
vraag over een vaag woord of onduidelijke zin, wordt hierbij gekeken naar
een buitenlands rechtsstelsel waar deze materie ook is geregeld.
e. De systematische interpretatiemethode: wetsartikelen maken altijd deel uit
van een groter geheel, bijvoorbeeld een wet. Bij deze methode wordt een
woord of zinsnede uitgelegd aan de had van de regeling waarvan die bepaling
onderdeel uitmaakt.
f. De teleologische interpretatiemethode: de rechter doet een beroep op de
bedoeling die de wetgever met de regeling heeft gehad.
g. Overige interpretatiemethoden: in vooral het privaatrecht zijn nog twee
interpretatiemethoden van belang. De eerste is dat rechters verwijzen naar
eerdere uitspraken van rechters waarin de onduidelijkheden al zijn uitgelegd
(precedenteninterpretatie). De tweede is interpretatie naar redelijkheid en
billijkheid. In het privaatrecht hebben deze twee een steeds belangrijkere
plaats. De rechter zegt dan: de redelijkheid en billijkheid brengen mee dat de
bewoordingen in art. ... moeten worden uitgelegd als ...
Naast interpretatiemethoden maakt de rechter ook gebruik van de redeneerwijzen.
Dit is een manier van denken om tot een bepaalde uitspraak te komen. De
bekendste zijn de a-contrarioredenering en de redenering naar analogie. Bij de
eerste gaat de rechter ervanuit dat een bepaalde rechtsregel niet van toepassing is,
omdat die regel uitsluitend geschreven is voor de gevallen die in die regel worden
genoemd. Bij a-contrarioredenering wordt de werking van een rechtsregel niet
uitgebreid, bij redenering naar analogie doet hij dat juist wel. Hierbij stelt de rechter
dat het standpunt in bepaalde kwestie (die niet wettelijk geregeld is) zoveel lijkt op
een kwestie waarin de wet wel voorziet, dat die laatste regel van toepassing wordt
verklaard.
4. De gewoonte: er zijn twee voorwaarden voor deze bron van recht. Er moet sprake
zijn van een vaste gedragslijn: binnen de groep in kwestie handelen alle betrokkenen
overeenkomstig de gegroeide opvatting. Ook moeten de betrokkenen het als hun
rechtsplicht beschouwen overeenkomstig die regel te handelen, moreel te volgen.
Wanneer er aan beide is voldaan, spreekt met van gewoonte recht. Deze bron wordt
steeds minder belangrijk.
Er zijn verschillende onderscheidingen in het recht:
- Materieel en formeel recht: materieel recht gaat over wat men mag en niet mag
(geboden en verboden), welke rechten en plichten men heeft. Het is dus inhoudelijk
van aard. Het formele recht (procesrecht) bevat de regels die men moet volgen om
het materiële recht te effectueren. Het geeft aan waar men moet procederen, hoe