WERKGROEP 2
Welke verschillende terreinen kent het recht? /Welke rechtsgebieden worden
onderscheiden?
Privaatrecht / publiekrecht
• Privaatrecht / civiele recht = rechtsverhoudingen tussen burgers onderling
• Publiekrecht = bemoeienis van de overheid met het maatschappelijke leven
Dit onderscheid is gebaseerd op vier criteria:
1. Aard van betrokken partijen: burgers onderling of is er een overheidsorgaan betrokken?
2. Aard van het te beschermen belang: als een overheidsorgaan optreedt in het algemeen
belang, is dit publiekrechtelijk. Als een overheidsorgaan optreed in een particulier belang, is dit
privaatrechtelijk.
3. Initiatief tot handhaving van het recht: publiekrechtelijke regels worden in het algemeen niet
gehandhaafd door initiatief van de burgers zelf, in tegenstelling tot privaatrechtelijke regels.
4. Middelen tot rechtshandhaving: sommige middelen om het recht te handhaven zijn enkel
voorbehouden aan de overheid (vb strafrechtelijke vervolging).
In de praktijk worden de rechtsgebieden niet zo nauw genomen; er wordt vaak gebruikgemaakt
van functionele rechtsgebieden. Dit zijn rechtsgebieden waarbij regels uit verschillende
rechtsgebieden samen worden toegepast, op basis van een bepaald onderwerp of werkterrein (vb
milieurecht en sociaal recht).
Welke criteria zijn er om het recht in te delen?
Objectief recht / subjectief recht
• Objectief recht = verzameling aan geldende rechtsnormen, nauw verbonden met positief recht.
• Subjectief recht = al het recht dat toekomt aan de rechtssubjecten; rechten die men ontleent
aan de regels van het objectieve recht.
Privaatrecht / publiekrecht
• Privaatrecht / civiele recht = rechtsverhoudingen tussen burgers onderling
• Publiekrecht = bemoeienis van de overheid met het maatschappelijke leven
Dit onderscheid is gebaseerd op vier criteria:
1. Aard van betrokken partijen: burgers onderling of is er een overheidsorgaan betrokken?
2. Aard van het te beschermen belang: als een overheidsorgaan optreedt in het algemeen
belang, is dit publiekrechtelijk. Als een overheidsorgaan optreed in een particulier belang, is dit
privaatrechtelijk.
3. Initiatief tot handhaving van het recht: publiekrechtelijke regels worden in het algemeen niet
gehandhaafd door initiatief van de burgers zelf, in tegenstelling tot privaatrechtelijke regels.
4. Middelen tot rechtshandhaving: sommige middelen om het recht te handhaven zijn enkel
voorbehouden aan de overheid (vb strafrechtelijke vervolging).
In de praktijk worden de rechtsgebieden niet zo nauw genomen; er wordt vaak gebruikgemaakt
van functionele rechtsgebieden. Dit zijn rechtsgebieden waarbij regels uit verschillende
rechtsgebieden samen worden toegepast, op basis van een bepaald onderwerp of werkterrein(vb
milieurecht en sociaal recht).
,Formeel recht / materieel recht
• Formeel recht = vorm > wijze waarop het recht wordt gehandhaafd (bv strafvordering)
• Materieel recht = inhoudelijke gedragsnormen (bv wat is strafbaar)
Dwingend recht / regelend recht
• Dwingend recht = regels waar niet van afgeweken mag worden. Publiekrecht bestaat vrijwel
alleen maar uit dwingend recht.
• Regelend recht = (= aanvullend recht) alle regels waarvan mag worden afgeweken, mits je zelf
uitdrukkelijk een nieuwe afspraak maakt. Komt vooral voor in het privaatrecht.
Op welke manier kun je het recht bekijken?
WERKGROEP 3
Welke soorten wetten zijn er en hoe komen die tot stand?
• Wet in formele zin = besluit van de wetgever in formele zin, is dus tot stand gekomen door de
formele wetgever: regering en staten-generaal. Beslissend is de gevolgde procedure bij
totstandkoming. De wet in formele zin mag nooit aan de grondwet worden getoetst.
• Wet in materiële zin = alle algemeen verbindende voorschriften, afkomstig van een van de
overheidsorganen die bevoegd zijn tot het maken van regels. Zijn van toepassing op een
onbepaalde groep personen, en dus niet 1 individu.
Formele wetten komen als volgt tot stand (82 Gw / 81 Gw / 88 Gw):
1. De regering (koning en ministers) neemt meestal het initiatief, en doet, na een ministerraad een
voorstel aan de Raad van State (adviesorgaan van de regering), waarin zij vraagt om een
advies.
2. De Raad van State toetst twee dingen: of het wetsvoorstel uitvoerbaar is en of het
wetsvoorstel niet in strijd is met de Grondwet. Wanneer beide toetsen positief worden
afgerond, wordt het wetsvoorstel doorgestuurd naar de Tweede Kamer.
3. In de Tweede Kamer wordt het wetsvoorstel eerst intern door de kamercommissie behandeld.
Daarna wordt het voorstel openbaar behandelt tijdens een kamerdebat, waarbij het wordt
verdedigd door de ministers. Wanneer het voorstel wordt aangenomen door de Tweede
Kamer, wordt het doorgestuurd naar de Eerste Kamer.
• Recht van amendement = de Tweede Kamer kan wijzigingen aanbrengen in het
wetsvoorstel
4. In de Eerste Kamer wordt een vergelijkbaar proces doorlopen als in de Tweede Kamer. Zij kan
het wetsvoorstel in het geheel aannemen of verwerpen, geen wijzingen toebrengen. Bij
aanname wordt overgegaan op de volgende twee stappen;
5. Wanneer het wetsvoorstel door de Eerste Kamer is aangenomen, moet de koning dit voorstel
nog bekrachtigen door deze te ondertekenen.
6. De nieuwe wet moet bekend worden gemaakt in het Staatsblad om in werking te kunnen
treden. Tenzij de wet zelf anders bepaalt, treed zij in werking met ingang van de eerste dag
van de tweede kalendermaand na de datum van bekendmaking.
Formele wetgever = regering + staten generaal > ondertekening door de koning
Wat zijn de geldingsvoorwaarden voor de rechtsbron ‘wet’ en wat is de onderlinge rangorde
tussen wetten?
Legaliteitsvereisten voor de wet als rechtsbron:
• De wet is geschreven > kan pas in werking treden na bekendmaking in een gezaghebbende
schriftelijke tekst > Bekendmakingswet
• De wet is bevoegdelijk gegeven. De Grondwet bepaalt welke overheidsorganen bevoegd zijn tot
wetgeving.
• Regering en staten generaal hebben de bevoegdheid over de wet in formele zin
• Regering heeft de bevoegdheid over de algemene maatregel van bestuur
, • Op decentraal niveau hebben de provinciale staten en gemeenteraad de bevoegdheid tot
het maken van provinciale en gemeentelijke verordeningen
• De wet mag niet in strijd zijn met hogere regeling.
De rechter moet altijd toetsen of de wettelijke bepaling die hij toepast wel bindend is. Hij moet
dus nagaan of de bepaling bevoegdelijk tot stand is gekomen en of zij niet in strijd is met een
hogere regeling. Het gaat daarbij om een toetsing aan rechtmatigheid, niet aan algemeen belang.
Samengevat is de wet een bron van bindende regels, indien de legaliteitsvereisten zijn
nagekomen.
Rangorde:
1. Internationale wetgeving bevat dwingende normen van de VN
2. Statuten van Nederland
3. Nederlandse grondwet
4. Wet in formele zin
5. Algemene maatregelen van bestuur
6. Ministeriële regelingen
7. Verordeningen van de provincie
8. Verordeningen van de gemeente / waterschappen
Hoe verhouden internationale verdragen zich tot het Nederlandse recht? Wanneer is een
verdrag geldig in NL en hoe komt die gelding tot stand?
Dualisme = nationale en internationale rechtssferen worden als van elkaar gescheiden
beschouwd. Het internationale recht werkt alleen tussen staten. Het kan de burger niet
rechtstreeks binden, omdat het tussen staten overeenkomt, waarbij de burger geen partij is. Een
nationale transformatiewet moet er dan voor zorgen dat de betrokken materie wordt geregeld
op het nationale niveau van de betrokken staat die de dualistische visie aanhoudt. De nationale
transformatiewet zet de internationale wet dus om in nationale rechtsregels. In de dualistische
opvatting spelen verdragen geen rol als formele rechtsbron voor het nationale recht.
Monisme = nationale rechtsregels worden gezien als ondergeschikt aan een overkoepelende
internationale rechtsorde. Verdragsbepalingen worden geacht meteen rechten en verplichtingen in
het nationale recht te kunnen doen ontstaan, ongeacht of dit internationale recht door een
speciaal daartoe strekkende handeling is omgezet in nationaal recht of niet. De internationale
rechtsregel heeft als zodanig voorrang boven het nationale recht.
Het Nederlandse staatsrecht heeft een gematigd monistische tussenpositie in dit stelsel. Er
bestaan dus bepalingen die zonder transformatiewet in het Nederlands recht gelden, maar dit is
enkel het geval in sommige situaties. Soms is er dus wel gewoon een transformatiewet nodig.
Een ieder verbindende verdragsbepalingen = verdragsbepalingen die directe werking hebben of
self-executing zijn. De burger kan hier rechtsreeks een beroep op doen in een nationale procedure
en de rechter moet die verdragsbepalingen op nationaal niveau toepassen
Wanneer kan een verdrag een wettelijke regeling opzijzetten? Wat is de taak van de rechter
bij een con ict tussen wet en verdrag?
Waneer een verdrag een ‘een ieder verbindende verdragsbepaling’ is, heeft deze in Nederland
voorrang aan een nationale rechtsregel.
Wanneer een nationale wet in strijd is met een internationaal verdrag, kan een rechter op grond
van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie, verplicht worden gesteld om om de
nationale wet in zo’n geval toch buiten toepassing te laten.
Indien in een verdrag wordt overeengekomen dat de verdragsluitende staten hun wetgeving op
een bepaald terrein onderling op elkaar zullen afstemmen, kan de rechter deze bepalingen niet
zomaar toepassen in een geschil, waarin de burger partij is. Dergelijke bepalingen bevatten
fl
Welke verschillende terreinen kent het recht? /Welke rechtsgebieden worden
onderscheiden?
Privaatrecht / publiekrecht
• Privaatrecht / civiele recht = rechtsverhoudingen tussen burgers onderling
• Publiekrecht = bemoeienis van de overheid met het maatschappelijke leven
Dit onderscheid is gebaseerd op vier criteria:
1. Aard van betrokken partijen: burgers onderling of is er een overheidsorgaan betrokken?
2. Aard van het te beschermen belang: als een overheidsorgaan optreedt in het algemeen
belang, is dit publiekrechtelijk. Als een overheidsorgaan optreed in een particulier belang, is dit
privaatrechtelijk.
3. Initiatief tot handhaving van het recht: publiekrechtelijke regels worden in het algemeen niet
gehandhaafd door initiatief van de burgers zelf, in tegenstelling tot privaatrechtelijke regels.
4. Middelen tot rechtshandhaving: sommige middelen om het recht te handhaven zijn enkel
voorbehouden aan de overheid (vb strafrechtelijke vervolging).
In de praktijk worden de rechtsgebieden niet zo nauw genomen; er wordt vaak gebruikgemaakt
van functionele rechtsgebieden. Dit zijn rechtsgebieden waarbij regels uit verschillende
rechtsgebieden samen worden toegepast, op basis van een bepaald onderwerp of werkterrein (vb
milieurecht en sociaal recht).
Welke criteria zijn er om het recht in te delen?
Objectief recht / subjectief recht
• Objectief recht = verzameling aan geldende rechtsnormen, nauw verbonden met positief recht.
• Subjectief recht = al het recht dat toekomt aan de rechtssubjecten; rechten die men ontleent
aan de regels van het objectieve recht.
Privaatrecht / publiekrecht
• Privaatrecht / civiele recht = rechtsverhoudingen tussen burgers onderling
• Publiekrecht = bemoeienis van de overheid met het maatschappelijke leven
Dit onderscheid is gebaseerd op vier criteria:
1. Aard van betrokken partijen: burgers onderling of is er een overheidsorgaan betrokken?
2. Aard van het te beschermen belang: als een overheidsorgaan optreedt in het algemeen
belang, is dit publiekrechtelijk. Als een overheidsorgaan optreed in een particulier belang, is dit
privaatrechtelijk.
3. Initiatief tot handhaving van het recht: publiekrechtelijke regels worden in het algemeen niet
gehandhaafd door initiatief van de burgers zelf, in tegenstelling tot privaatrechtelijke regels.
4. Middelen tot rechtshandhaving: sommige middelen om het recht te handhaven zijn enkel
voorbehouden aan de overheid (vb strafrechtelijke vervolging).
In de praktijk worden de rechtsgebieden niet zo nauw genomen; er wordt vaak gebruikgemaakt
van functionele rechtsgebieden. Dit zijn rechtsgebieden waarbij regels uit verschillende
rechtsgebieden samen worden toegepast, op basis van een bepaald onderwerp of werkterrein(vb
milieurecht en sociaal recht).
,Formeel recht / materieel recht
• Formeel recht = vorm > wijze waarop het recht wordt gehandhaafd (bv strafvordering)
• Materieel recht = inhoudelijke gedragsnormen (bv wat is strafbaar)
Dwingend recht / regelend recht
• Dwingend recht = regels waar niet van afgeweken mag worden. Publiekrecht bestaat vrijwel
alleen maar uit dwingend recht.
• Regelend recht = (= aanvullend recht) alle regels waarvan mag worden afgeweken, mits je zelf
uitdrukkelijk een nieuwe afspraak maakt. Komt vooral voor in het privaatrecht.
Op welke manier kun je het recht bekijken?
WERKGROEP 3
Welke soorten wetten zijn er en hoe komen die tot stand?
• Wet in formele zin = besluit van de wetgever in formele zin, is dus tot stand gekomen door de
formele wetgever: regering en staten-generaal. Beslissend is de gevolgde procedure bij
totstandkoming. De wet in formele zin mag nooit aan de grondwet worden getoetst.
• Wet in materiële zin = alle algemeen verbindende voorschriften, afkomstig van een van de
overheidsorganen die bevoegd zijn tot het maken van regels. Zijn van toepassing op een
onbepaalde groep personen, en dus niet 1 individu.
Formele wetten komen als volgt tot stand (82 Gw / 81 Gw / 88 Gw):
1. De regering (koning en ministers) neemt meestal het initiatief, en doet, na een ministerraad een
voorstel aan de Raad van State (adviesorgaan van de regering), waarin zij vraagt om een
advies.
2. De Raad van State toetst twee dingen: of het wetsvoorstel uitvoerbaar is en of het
wetsvoorstel niet in strijd is met de Grondwet. Wanneer beide toetsen positief worden
afgerond, wordt het wetsvoorstel doorgestuurd naar de Tweede Kamer.
3. In de Tweede Kamer wordt het wetsvoorstel eerst intern door de kamercommissie behandeld.
Daarna wordt het voorstel openbaar behandelt tijdens een kamerdebat, waarbij het wordt
verdedigd door de ministers. Wanneer het voorstel wordt aangenomen door de Tweede
Kamer, wordt het doorgestuurd naar de Eerste Kamer.
• Recht van amendement = de Tweede Kamer kan wijzigingen aanbrengen in het
wetsvoorstel
4. In de Eerste Kamer wordt een vergelijkbaar proces doorlopen als in de Tweede Kamer. Zij kan
het wetsvoorstel in het geheel aannemen of verwerpen, geen wijzingen toebrengen. Bij
aanname wordt overgegaan op de volgende twee stappen;
5. Wanneer het wetsvoorstel door de Eerste Kamer is aangenomen, moet de koning dit voorstel
nog bekrachtigen door deze te ondertekenen.
6. De nieuwe wet moet bekend worden gemaakt in het Staatsblad om in werking te kunnen
treden. Tenzij de wet zelf anders bepaalt, treed zij in werking met ingang van de eerste dag
van de tweede kalendermaand na de datum van bekendmaking.
Formele wetgever = regering + staten generaal > ondertekening door de koning
Wat zijn de geldingsvoorwaarden voor de rechtsbron ‘wet’ en wat is de onderlinge rangorde
tussen wetten?
Legaliteitsvereisten voor de wet als rechtsbron:
• De wet is geschreven > kan pas in werking treden na bekendmaking in een gezaghebbende
schriftelijke tekst > Bekendmakingswet
• De wet is bevoegdelijk gegeven. De Grondwet bepaalt welke overheidsorganen bevoegd zijn tot
wetgeving.
• Regering en staten generaal hebben de bevoegdheid over de wet in formele zin
• Regering heeft de bevoegdheid over de algemene maatregel van bestuur
, • Op decentraal niveau hebben de provinciale staten en gemeenteraad de bevoegdheid tot
het maken van provinciale en gemeentelijke verordeningen
• De wet mag niet in strijd zijn met hogere regeling.
De rechter moet altijd toetsen of de wettelijke bepaling die hij toepast wel bindend is. Hij moet
dus nagaan of de bepaling bevoegdelijk tot stand is gekomen en of zij niet in strijd is met een
hogere regeling. Het gaat daarbij om een toetsing aan rechtmatigheid, niet aan algemeen belang.
Samengevat is de wet een bron van bindende regels, indien de legaliteitsvereisten zijn
nagekomen.
Rangorde:
1. Internationale wetgeving bevat dwingende normen van de VN
2. Statuten van Nederland
3. Nederlandse grondwet
4. Wet in formele zin
5. Algemene maatregelen van bestuur
6. Ministeriële regelingen
7. Verordeningen van de provincie
8. Verordeningen van de gemeente / waterschappen
Hoe verhouden internationale verdragen zich tot het Nederlandse recht? Wanneer is een
verdrag geldig in NL en hoe komt die gelding tot stand?
Dualisme = nationale en internationale rechtssferen worden als van elkaar gescheiden
beschouwd. Het internationale recht werkt alleen tussen staten. Het kan de burger niet
rechtstreeks binden, omdat het tussen staten overeenkomt, waarbij de burger geen partij is. Een
nationale transformatiewet moet er dan voor zorgen dat de betrokken materie wordt geregeld
op het nationale niveau van de betrokken staat die de dualistische visie aanhoudt. De nationale
transformatiewet zet de internationale wet dus om in nationale rechtsregels. In de dualistische
opvatting spelen verdragen geen rol als formele rechtsbron voor het nationale recht.
Monisme = nationale rechtsregels worden gezien als ondergeschikt aan een overkoepelende
internationale rechtsorde. Verdragsbepalingen worden geacht meteen rechten en verplichtingen in
het nationale recht te kunnen doen ontstaan, ongeacht of dit internationale recht door een
speciaal daartoe strekkende handeling is omgezet in nationaal recht of niet. De internationale
rechtsregel heeft als zodanig voorrang boven het nationale recht.
Het Nederlandse staatsrecht heeft een gematigd monistische tussenpositie in dit stelsel. Er
bestaan dus bepalingen die zonder transformatiewet in het Nederlands recht gelden, maar dit is
enkel het geval in sommige situaties. Soms is er dus wel gewoon een transformatiewet nodig.
Een ieder verbindende verdragsbepalingen = verdragsbepalingen die directe werking hebben of
self-executing zijn. De burger kan hier rechtsreeks een beroep op doen in een nationale procedure
en de rechter moet die verdragsbepalingen op nationaal niveau toepassen
Wanneer kan een verdrag een wettelijke regeling opzijzetten? Wat is de taak van de rechter
bij een con ict tussen wet en verdrag?
Waneer een verdrag een ‘een ieder verbindende verdragsbepaling’ is, heeft deze in Nederland
voorrang aan een nationale rechtsregel.
Wanneer een nationale wet in strijd is met een internationaal verdrag, kan een rechter op grond
van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie, verplicht worden gesteld om om de
nationale wet in zo’n geval toch buiten toepassing te laten.
Indien in een verdrag wordt overeengekomen dat de verdragsluitende staten hun wetgeving op
een bepaald terrein onderling op elkaar zullen afstemmen, kan de rechter deze bepalingen niet
zomaar toepassen in een geschil, waarin de burger partij is. Dergelijke bepalingen bevatten
fl