WERKGROEP 2 20 APR
1. Wat betekenen de begrippen voorhe ng, inhoudingsplichtige, belastingplichtige en
he ngskorting?
Voorhe ng = een belasting die alvast (vooraf) wordt ingehouden op een inkomen, voordat de
de nitieve belasting wordt berekend. Dit is dus een voorschot op de uiteindelijke belasting die je
moet betalen.
Inhoudingsplichtige = de persoon of organisatie die verplicht is om de voorhe ng in te houden
en af te dragen aan de belastingdienst, bv de werkgever die loon inhoudt op salaris.
Belastingplichtige = de persoon of organisatie die belasting moet betalen. Dit is degene op wie
de belasting uiteindelijk betrekking heeft (bijvoorbeeld jij als werknemer).
He ngskorting = een korting op de te betalen belasting, waardoor je minder belasting hoeft te
betalen dan je in beginsel zou moeten.
2. Wat is het verschil tussen een aangiftebelasting en een aanslagbelasting?
Aangiftebelasting (H4 AWR) = formalisering vind plaats ofwel door de belastingplichtige die zelf
de aangifte doet en zelf de door hem verschuldigde berekende belasting voldoet, of door de
inhoudingsplichtige die op aangifte een bedrag afdraagt ter betaling van de door hem berekende
materiële belastingschuld van de belastingplichtige. Er zijn in dit systeem geen door de inspecteur
vastgestelde aanslagen. Als achteraf blijkt dat te weinig belasting is voldaan, kan de inspecteur
een nahe ngsaanslag vaststellen.
Aanslagbelasting (H3 AWR) = de materiële belastingschuld wordt door de inspecteur
geformaliseerd dmv een aanslag. De inspecteur wordt daarbij geacht de aangifte van de
belasting- of inhoudingsplichtige te hebben beoordeeld. Er kan een navorderingsaanslag
vastgesteld worden als achteraf blijkt dat er te weinig belasting geheven is.
3. Wat is het object, subject en het tarief van de inkomstenbelasting en de loonbelasting
en wat is de verhouding tussen deze twee he ngen? (Ga enkel kort in op het object in
de IB. Alle boxen met bijbehorende bronnen en de persoonsgebonden aftrekposten
worden in de volgende problemen nader uitgewerkt.)
1. Object
In art. 2.3 Wet IB 2001 worden drie
inkomenscategorieën omschreven:
• Belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1)
• Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2)
• Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3)
> het algemene uitgangspunt van de IB is om
belasting te he en over hetgeen men verdient in het
economische verkeer. Priveactiviteiten en
inkomensbesteding zijn daarom niet relevant.
Bron van inkomen
Er moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan
om sprake te zijn van bron van inkomen:
• Er moet worden deelgenomen aan het economische verkeer
• Er moet sprake zijn van een winstoogmerk
➡Subjectieve toets: het voordeel moet worden beoogd
➡Objectieve toets: het voordeel moet redelijkerwijs te verwachten zijn > een activiteit die naar
verwachting altijd meer zal kosten dan opbrengen, word beschouwd als een besteding van
inkomen (hobby) en niet als bron van inkomen
fiffi
ffi ffiffi ff ffi ffi ffi
, De vraag of er sprake is van een bron van inkomen moet in beginsel worden beoordeeld op basis
van feiten en omstandigheden van het betre ende belastingjaar. Ook feiten en omstandigheden
uit latere jaren mogen volgens jurisprudentie in ogenschouw worden genomen om te beoordelen
of er sprake is van een bron.
2. Subject
Alleen natuurlijke personen zijn belastingplichtig voor de IB. Rechtspersonen worden belast met
vennootschapsbelasting. Art. 2.1 Wet IB 2001 bepaalt wie de subjecten zijn voor de IB. Het zijn
de natuurlijke personen die:
• In Nederland wonen > binnenlands belastingplichtigen
➡Waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld (art. 4 AWR). Uit
jurisprudentie volgt dat het vooral gaat om de feitelijke en werkelijke situatie.
➡Als iemand in werkelijkheid zijn middelpunt van levensbelangen in Nederland heeft, is hij
woonachtig in Nederland en dus belastingplichtig voor de Nederlandse IB.
➡Bij meerdere woonplaatsen bieden verdragen te voorkoming van dubbele belasting een
oplossing.
➡Woonplaats cties (art. 2.2 Wet IB 2001): degene die ophoudt in Nederland te wonen en
binnen een jaar daarna weer in Nederland gaat wonen zonder intussen in een andere
mogendheid of de BES-eilanden te hebben gewoond / de niet in Nederland wonende
diplomatieke of consulaire ambtenaar in dienstbetrekking tot de Nederlandse Staat.
• Niet in Nederland wonen, maar wel Nederlands inkomen genieten > buitenlands
belastingplichtigen
➡Alleen de Nederlandse inkomensbron is belastbaar voor de Nederlandse IB.
➡Limitatieve opsomming van inkomenscategorieën in H7 Wet IB 2001.
➡Regels ter voorkoming van internationale dubbele belasting.
Individuele belastingplicht: in principe is iedere belastingplichtige individueel belastingplichtig
voor al zijn inkomensbestanddelen; uitzonderingen gelden voor inkomsten van minderjarige
kinderen en in bepaalde gevallen voor scale partners.
• Minderjarige kinderen: inkomsten die zij door henzelf verrichte arbeid verweven worden bij de
kinderen zelf belast. Inkomen uit vermogensbestanddelen van een minderjarig kind worden
toegerekend aan de ouder die het gezag over het kind uitoefent. Bij meerdere gezagsdragers
worden deze inkomstenbestanddelen in gelijke delen aan ieder van hen toegerekend (art. 2:15
Wet IB 2001).
• Partnerregeling: art. 5a AWR bepaalt als hoofdregel wanneer er sprake is van scaal
partnerschap via het geüniformeerde partnerbegrip > kwali ceert men op grond van deze
bepaling als scaal partners, dan geldt deze kwali catie in beginsel voor elke materiële
he ngswet. Volgens dit artikel kwali ceren 1) echtgenoten die niet o cieel van tafel en bed zijn
gescheiden, en 2) ongehuwde samenwoners mits zij zijn ingeschreven op hetzelfde
woonadres in de GBA en indien zij een samenlevingsovereenkomst hebben gesloten. Voor
ongehuwde samenwoners die niet als scaal partner kwali ceren in de zin van artikel 5a, bevat
art. 1.2 lid 1 Wet IB 2001 een aanvullende bepaling die uitsluitend geld voor de Wet IB 2001.
➡Inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn scaal partner worden in aanmerking
genomen bij degene door wie de inkomensbestanddelen zijn genoten of op wie ze drukken
(art. 2.17 lid 1 Wet IB 2001). Gemeenschappelijke bestanddelen en de gemeenschappelijke
grondslag sparen en beleggen worden geacht bij hen op te komen respectievelijk tot hun bezit
te behoren, in de verhouding die zij daarvoor elk jaar bij het doen van aangifte kiezen.
➡Indien twee belastingplichtigen gedurende een deel van het kalenderjaar scaal partner van
elkaar zijn, kunnen zij ervoor kiezen deze inkomensbestanddelen voor het gehele jaar als
gemeenschappelijke inkomensbestanddelen aan te merken.
3. Tarief van de inkomstenbelasting en loonbelasting
Box 1 (art. 2.10 Wet IB 2001)
• Progressief tarief
• €0 - €38.883 : 35,75% (gecombineerd inkomstenbelasting + premies
volksverzekeringen)
• €38.883 - €78.426 : 37,56% (alleen inkomstenbelasting)
• €78.426 > : 49,50% (alleen inkomstenbelasting
ffi fi fi fi ff fi fi fi fi ffi fi fi
,De lengte van de tariefschijven wordt jaarlijks aangepast aan de in atie (art. 10.1 Wet IB 2001).
Nadat de tarieftabel is aangepast, vindt een correctie plaats indien er grondslagverminderende
posten in aftrek zijn gebracht op inkomen dat valt onder het hoogste tarief. De verschuldigde
belasting wordt verhoogd met het percentage van die posten. E ectief leidt dit ertoe dat die aftrek
plaatsvindt tegen het tarief van de tweede schijf.
Inkomen Verminderd met:
Belastbare winst uit onderneming Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld
Belastbaar loon Uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden Persoonsgebonden aftrek
Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen
Belastbare inkomsten uit eigen woning
Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Negatieve persoonsgebonden aftrekposten
Hierover een vraag stellen? Wat wordt er met die laatste zin bedoeld???
Box 2 (art. 2.12 Wet IB 2001)
• Progressief tarief
• Inkomen uit aanmerkelijk belang tot €68.843 : 24,5%
• Meerdere inkomen : 31%
Dit tarief dient te worden bezien in samenhang met de vennootschapsbelasting, die wordt
geheven van het lichaam waarin het aanmerkelijk belang wordt gehouden.
Box 3 (art. 2.13 Wet IB 2001)
• Alle belasting over het belastbare uitkomen uit sparen en beleggen bedraagt 36% , geheven
over het forfaitaire rendement van de rendementsgrondslag
4. Verhouding tussen deze twee he ngen
Loonbelasting is een voorhe ng op de inkomstenbelasting:
• Loonbelasting: wordt direct ingehouden door je werkgever op je salaris. Je krijgt dus je loon al
“netto” uitbetaald. Het is een voorschot op wat je uiteindelijk aan belasting moet betalen.
• Inkomstenbelasting (IB): dit is de de nitieve belasting die je over je totale inkomen betaalt.
Wordt achteraf vastgesteld via je aangifte. Houdt rekening met:
➡al ingehouden loonbelasting
➡andere inkomsten (bijv. winst, vermogen, aanmerkelijk belang)
➡aftrekposten (zoals hypotheekrente)
Wat gebeurt er bij de aangifte?
• Heb je te veel loonbelasting betaald → je krijgt geld terug
• Heb je te weinig loonbelasting betaald → je moet bijbetalen
4. Waarom krijgen sommige mensen (een deel van) de betaalde loonhe ng terug?
De loonbelasting wordt geheven over het loon en kan worden verrekend met de
inkomstenbelasting (art. 9.2 Wet IB 2001). Als er meer inkomstenbelasting verschuldigd is dan er
aan loonbelasting betaald is wordt er een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, wanneer deze
met meer dan 58 euro overtreft (art. 9.4 lid 1 onder a Wet IB 2001). Als er juist meer
loonbelasting is ingehouden dan er aan inkomstenbelasting verschuldigd is, kan om een aanslag
ffi fi ffi ff fl ffi
, inkomstenbelasting worden gevraagd (onder b). Dit leidt tot een teruggaaf als de voorhe ngen
de verschuldigde belasting met meer dan 18 euro te boven gaan (art. 9.4 lid 5 Wet IB 2001).
Voorlopige teruggaaf
Als een werknemer bepaalde aftrekposten heeft en de aanslag IB niet wilt afwachten kan deze
ook de belastingdienst verzoeken om een voorlopige teruggaaf van IB (art. 13 lid 2 AWR). De
belastingplichtige zal dan rond de 15e van elke maand een 12e deel van de voorlopige teruggaaf
gestort krijgen. Voor de daaropvolgende jaren rekent de belastingdienst op basis van de
gegevens van het voorliggende jaar zelf het bedrag van de voorlopige teruggaaf uit.
Twee vormen eindhe ng
• Feitelijke eindhe ng / eindhe ng in materiële zin: als de loonbelasting als voorhe ng
voldoende is om de verschuldigde IB te voldoen. De wettelijke systematiek is dat deze
toereikendheid wordt verondersteld, behalve in de situaties waarin een verplichte aanslag IB is
voorgeschreven.
• Eindhe ng in formele zin: in een aantal limitatief opgesomde situaties wordt de loonbelasting
dmv eindhe ng gegeven (art. 27a Wet LB 1964). In dat geval wordt het betre ende
loonbestanddeel aangemerkt als eindhe ngsbestanddeel (art. 31 Wet LB 1964). Dergelijke
loonbestanddelen zijn vrijgesteld voor de IB (art. 3.84 Wet IB 2001), en kan dan ook niet als
voorhe ng worden verrekend.
5. Wat kun je doen als je het niet eens bent met een belastingaanslag?
1. Bezwaar
In het belastingrecht kan niet tegen elke scale, materiële beschikking bezwaar worden gemaakt.
Er is sprake van een gesloten stelsel van rechtsbescherming, op de volgende wijze vormgegeven.
Op grond van art. 8:1 lid 1 Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij
de rechtbank. In art. 26a AWR is echter bepaald dat tegen een ingevolge de belastingwet
genomen besluit slechts beroep kan worden ingesteld als het betreft:
• Een belastingaanslag (art. 2 lid 3 onder e AWR) en de verrekening van voorlopige aanslagen en
voorhe ngen (art. 26 lid 1 onder a AWR).
• Een als zodanig aangeduide voor bezwaar vatbare beschikking
• De voldoening of afdracht op aangifte dan wel de inhouding door een inhoudingsplichtige van
een bedrag als belasting (art. 26 lid 2 AWR).
2. Beroep
H8 Awb en bijzondere procesrechtelijke bepalingen in de AWR beheersen de beroepsfase in het
scale procesrecht. Ingevolge art. 26 lid 1 AWR oordelen de bestuurssectoren van de
rechtbanken over beroepen in belastingzaken. Voor beroepen inzake rijksbelastingen is dat
geconcentreerd bij 5 rechtbanken (Gelderland, Noord-Nederland, Noord-Holland, Den Haag,
Zeeland-West Brabant , art. 8:7 lid 2 Awb). Voor beroepen inzake lokale he ngen zijn alle 11
rechtbanken bevoegd. In de uitspraak op bezwaar noemt de inspecteur bij welke bevoegde
rechtbank binnen 6 weken een beroepschrift kan worden ingediend (art. 6:23 en 6:7 Awb). De
formele eisen zijn vergelijkbaar met de voormelde eisen aan een bezwaarschrift (art. 6:5-6:11
Awb). Er kan een pro-formabezwaarschrift of -beroepschrift worden ingediend, waarbij de
motivering later pas wordt ingevuld, binnen een door de inspecteur respectievelijk de rechtbank
gestelde nadere termijn op stra e van niet-ontvankelijkverklaring (behalve bij verschoonbare
termijnoverschrijding, art. 6:11 Awb).
3. Hoger beroep
Er kan appèl worden ingesteld bij de gerechtshoven, gevestigd in Amsterdam, Arnhem-
Leeuwarden, Den Haag en Den Bosch (art. 27h AWR). De belangrijkste functie van het hoger
beroep is te voorzien in een herkansing. De behandeling wijkt dan ook niet wezenlijk af van de
eerste beroepsbehandeling. Het gerechtshof kan de behandeling volledig overdoen. Wel wordt de
rechtsstrijd beperkt door de door de appellerende partij geformuleerde gronden van het hoger
beroep. De andere partij kan bij haar verweerschrift zelf alsnog incidenteel hoger beroep instellen
(art. 8:110 Awb).
fi
ffi
ffi ffi ffi ffi ffffi ffi
fi ffi ff ffi ffi
1. Wat betekenen de begrippen voorhe ng, inhoudingsplichtige, belastingplichtige en
he ngskorting?
Voorhe ng = een belasting die alvast (vooraf) wordt ingehouden op een inkomen, voordat de
de nitieve belasting wordt berekend. Dit is dus een voorschot op de uiteindelijke belasting die je
moet betalen.
Inhoudingsplichtige = de persoon of organisatie die verplicht is om de voorhe ng in te houden
en af te dragen aan de belastingdienst, bv de werkgever die loon inhoudt op salaris.
Belastingplichtige = de persoon of organisatie die belasting moet betalen. Dit is degene op wie
de belasting uiteindelijk betrekking heeft (bijvoorbeeld jij als werknemer).
He ngskorting = een korting op de te betalen belasting, waardoor je minder belasting hoeft te
betalen dan je in beginsel zou moeten.
2. Wat is het verschil tussen een aangiftebelasting en een aanslagbelasting?
Aangiftebelasting (H4 AWR) = formalisering vind plaats ofwel door de belastingplichtige die zelf
de aangifte doet en zelf de door hem verschuldigde berekende belasting voldoet, of door de
inhoudingsplichtige die op aangifte een bedrag afdraagt ter betaling van de door hem berekende
materiële belastingschuld van de belastingplichtige. Er zijn in dit systeem geen door de inspecteur
vastgestelde aanslagen. Als achteraf blijkt dat te weinig belasting is voldaan, kan de inspecteur
een nahe ngsaanslag vaststellen.
Aanslagbelasting (H3 AWR) = de materiële belastingschuld wordt door de inspecteur
geformaliseerd dmv een aanslag. De inspecteur wordt daarbij geacht de aangifte van de
belasting- of inhoudingsplichtige te hebben beoordeeld. Er kan een navorderingsaanslag
vastgesteld worden als achteraf blijkt dat er te weinig belasting geheven is.
3. Wat is het object, subject en het tarief van de inkomstenbelasting en de loonbelasting
en wat is de verhouding tussen deze twee he ngen? (Ga enkel kort in op het object in
de IB. Alle boxen met bijbehorende bronnen en de persoonsgebonden aftrekposten
worden in de volgende problemen nader uitgewerkt.)
1. Object
In art. 2.3 Wet IB 2001 worden drie
inkomenscategorieën omschreven:
• Belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1)
• Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2)
• Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3)
> het algemene uitgangspunt van de IB is om
belasting te he en over hetgeen men verdient in het
economische verkeer. Priveactiviteiten en
inkomensbesteding zijn daarom niet relevant.
Bron van inkomen
Er moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan
om sprake te zijn van bron van inkomen:
• Er moet worden deelgenomen aan het economische verkeer
• Er moet sprake zijn van een winstoogmerk
➡Subjectieve toets: het voordeel moet worden beoogd
➡Objectieve toets: het voordeel moet redelijkerwijs te verwachten zijn > een activiteit die naar
verwachting altijd meer zal kosten dan opbrengen, word beschouwd als een besteding van
inkomen (hobby) en niet als bron van inkomen
fiffi
ffi ffiffi ff ffi ffi ffi
, De vraag of er sprake is van een bron van inkomen moet in beginsel worden beoordeeld op basis
van feiten en omstandigheden van het betre ende belastingjaar. Ook feiten en omstandigheden
uit latere jaren mogen volgens jurisprudentie in ogenschouw worden genomen om te beoordelen
of er sprake is van een bron.
2. Subject
Alleen natuurlijke personen zijn belastingplichtig voor de IB. Rechtspersonen worden belast met
vennootschapsbelasting. Art. 2.1 Wet IB 2001 bepaalt wie de subjecten zijn voor de IB. Het zijn
de natuurlijke personen die:
• In Nederland wonen > binnenlands belastingplichtigen
➡Waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld (art. 4 AWR). Uit
jurisprudentie volgt dat het vooral gaat om de feitelijke en werkelijke situatie.
➡Als iemand in werkelijkheid zijn middelpunt van levensbelangen in Nederland heeft, is hij
woonachtig in Nederland en dus belastingplichtig voor de Nederlandse IB.
➡Bij meerdere woonplaatsen bieden verdragen te voorkoming van dubbele belasting een
oplossing.
➡Woonplaats cties (art. 2.2 Wet IB 2001): degene die ophoudt in Nederland te wonen en
binnen een jaar daarna weer in Nederland gaat wonen zonder intussen in een andere
mogendheid of de BES-eilanden te hebben gewoond / de niet in Nederland wonende
diplomatieke of consulaire ambtenaar in dienstbetrekking tot de Nederlandse Staat.
• Niet in Nederland wonen, maar wel Nederlands inkomen genieten > buitenlands
belastingplichtigen
➡Alleen de Nederlandse inkomensbron is belastbaar voor de Nederlandse IB.
➡Limitatieve opsomming van inkomenscategorieën in H7 Wet IB 2001.
➡Regels ter voorkoming van internationale dubbele belasting.
Individuele belastingplicht: in principe is iedere belastingplichtige individueel belastingplichtig
voor al zijn inkomensbestanddelen; uitzonderingen gelden voor inkomsten van minderjarige
kinderen en in bepaalde gevallen voor scale partners.
• Minderjarige kinderen: inkomsten die zij door henzelf verrichte arbeid verweven worden bij de
kinderen zelf belast. Inkomen uit vermogensbestanddelen van een minderjarig kind worden
toegerekend aan de ouder die het gezag over het kind uitoefent. Bij meerdere gezagsdragers
worden deze inkomstenbestanddelen in gelijke delen aan ieder van hen toegerekend (art. 2:15
Wet IB 2001).
• Partnerregeling: art. 5a AWR bepaalt als hoofdregel wanneer er sprake is van scaal
partnerschap via het geüniformeerde partnerbegrip > kwali ceert men op grond van deze
bepaling als scaal partners, dan geldt deze kwali catie in beginsel voor elke materiële
he ngswet. Volgens dit artikel kwali ceren 1) echtgenoten die niet o cieel van tafel en bed zijn
gescheiden, en 2) ongehuwde samenwoners mits zij zijn ingeschreven op hetzelfde
woonadres in de GBA en indien zij een samenlevingsovereenkomst hebben gesloten. Voor
ongehuwde samenwoners die niet als scaal partner kwali ceren in de zin van artikel 5a, bevat
art. 1.2 lid 1 Wet IB 2001 een aanvullende bepaling die uitsluitend geld voor de Wet IB 2001.
➡Inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn scaal partner worden in aanmerking
genomen bij degene door wie de inkomensbestanddelen zijn genoten of op wie ze drukken
(art. 2.17 lid 1 Wet IB 2001). Gemeenschappelijke bestanddelen en de gemeenschappelijke
grondslag sparen en beleggen worden geacht bij hen op te komen respectievelijk tot hun bezit
te behoren, in de verhouding die zij daarvoor elk jaar bij het doen van aangifte kiezen.
➡Indien twee belastingplichtigen gedurende een deel van het kalenderjaar scaal partner van
elkaar zijn, kunnen zij ervoor kiezen deze inkomensbestanddelen voor het gehele jaar als
gemeenschappelijke inkomensbestanddelen aan te merken.
3. Tarief van de inkomstenbelasting en loonbelasting
Box 1 (art. 2.10 Wet IB 2001)
• Progressief tarief
• €0 - €38.883 : 35,75% (gecombineerd inkomstenbelasting + premies
volksverzekeringen)
• €38.883 - €78.426 : 37,56% (alleen inkomstenbelasting)
• €78.426 > : 49,50% (alleen inkomstenbelasting
ffi fi fi fi ff fi fi fi fi ffi fi fi
,De lengte van de tariefschijven wordt jaarlijks aangepast aan de in atie (art. 10.1 Wet IB 2001).
Nadat de tarieftabel is aangepast, vindt een correctie plaats indien er grondslagverminderende
posten in aftrek zijn gebracht op inkomen dat valt onder het hoogste tarief. De verschuldigde
belasting wordt verhoogd met het percentage van die posten. E ectief leidt dit ertoe dat die aftrek
plaatsvindt tegen het tarief van de tweede schijf.
Inkomen Verminderd met:
Belastbare winst uit onderneming Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld
Belastbaar loon Uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden Persoonsgebonden aftrek
Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen
Belastbare inkomsten uit eigen woning
Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Negatieve persoonsgebonden aftrekposten
Hierover een vraag stellen? Wat wordt er met die laatste zin bedoeld???
Box 2 (art. 2.12 Wet IB 2001)
• Progressief tarief
• Inkomen uit aanmerkelijk belang tot €68.843 : 24,5%
• Meerdere inkomen : 31%
Dit tarief dient te worden bezien in samenhang met de vennootschapsbelasting, die wordt
geheven van het lichaam waarin het aanmerkelijk belang wordt gehouden.
Box 3 (art. 2.13 Wet IB 2001)
• Alle belasting over het belastbare uitkomen uit sparen en beleggen bedraagt 36% , geheven
over het forfaitaire rendement van de rendementsgrondslag
4. Verhouding tussen deze twee he ngen
Loonbelasting is een voorhe ng op de inkomstenbelasting:
• Loonbelasting: wordt direct ingehouden door je werkgever op je salaris. Je krijgt dus je loon al
“netto” uitbetaald. Het is een voorschot op wat je uiteindelijk aan belasting moet betalen.
• Inkomstenbelasting (IB): dit is de de nitieve belasting die je over je totale inkomen betaalt.
Wordt achteraf vastgesteld via je aangifte. Houdt rekening met:
➡al ingehouden loonbelasting
➡andere inkomsten (bijv. winst, vermogen, aanmerkelijk belang)
➡aftrekposten (zoals hypotheekrente)
Wat gebeurt er bij de aangifte?
• Heb je te veel loonbelasting betaald → je krijgt geld terug
• Heb je te weinig loonbelasting betaald → je moet bijbetalen
4. Waarom krijgen sommige mensen (een deel van) de betaalde loonhe ng terug?
De loonbelasting wordt geheven over het loon en kan worden verrekend met de
inkomstenbelasting (art. 9.2 Wet IB 2001). Als er meer inkomstenbelasting verschuldigd is dan er
aan loonbelasting betaald is wordt er een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, wanneer deze
met meer dan 58 euro overtreft (art. 9.4 lid 1 onder a Wet IB 2001). Als er juist meer
loonbelasting is ingehouden dan er aan inkomstenbelasting verschuldigd is, kan om een aanslag
ffi fi ffi ff fl ffi
, inkomstenbelasting worden gevraagd (onder b). Dit leidt tot een teruggaaf als de voorhe ngen
de verschuldigde belasting met meer dan 18 euro te boven gaan (art. 9.4 lid 5 Wet IB 2001).
Voorlopige teruggaaf
Als een werknemer bepaalde aftrekposten heeft en de aanslag IB niet wilt afwachten kan deze
ook de belastingdienst verzoeken om een voorlopige teruggaaf van IB (art. 13 lid 2 AWR). De
belastingplichtige zal dan rond de 15e van elke maand een 12e deel van de voorlopige teruggaaf
gestort krijgen. Voor de daaropvolgende jaren rekent de belastingdienst op basis van de
gegevens van het voorliggende jaar zelf het bedrag van de voorlopige teruggaaf uit.
Twee vormen eindhe ng
• Feitelijke eindhe ng / eindhe ng in materiële zin: als de loonbelasting als voorhe ng
voldoende is om de verschuldigde IB te voldoen. De wettelijke systematiek is dat deze
toereikendheid wordt verondersteld, behalve in de situaties waarin een verplichte aanslag IB is
voorgeschreven.
• Eindhe ng in formele zin: in een aantal limitatief opgesomde situaties wordt de loonbelasting
dmv eindhe ng gegeven (art. 27a Wet LB 1964). In dat geval wordt het betre ende
loonbestanddeel aangemerkt als eindhe ngsbestanddeel (art. 31 Wet LB 1964). Dergelijke
loonbestanddelen zijn vrijgesteld voor de IB (art. 3.84 Wet IB 2001), en kan dan ook niet als
voorhe ng worden verrekend.
5. Wat kun je doen als je het niet eens bent met een belastingaanslag?
1. Bezwaar
In het belastingrecht kan niet tegen elke scale, materiële beschikking bezwaar worden gemaakt.
Er is sprake van een gesloten stelsel van rechtsbescherming, op de volgende wijze vormgegeven.
Op grond van art. 8:1 lid 1 Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij
de rechtbank. In art. 26a AWR is echter bepaald dat tegen een ingevolge de belastingwet
genomen besluit slechts beroep kan worden ingesteld als het betreft:
• Een belastingaanslag (art. 2 lid 3 onder e AWR) en de verrekening van voorlopige aanslagen en
voorhe ngen (art. 26 lid 1 onder a AWR).
• Een als zodanig aangeduide voor bezwaar vatbare beschikking
• De voldoening of afdracht op aangifte dan wel de inhouding door een inhoudingsplichtige van
een bedrag als belasting (art. 26 lid 2 AWR).
2. Beroep
H8 Awb en bijzondere procesrechtelijke bepalingen in de AWR beheersen de beroepsfase in het
scale procesrecht. Ingevolge art. 26 lid 1 AWR oordelen de bestuurssectoren van de
rechtbanken over beroepen in belastingzaken. Voor beroepen inzake rijksbelastingen is dat
geconcentreerd bij 5 rechtbanken (Gelderland, Noord-Nederland, Noord-Holland, Den Haag,
Zeeland-West Brabant , art. 8:7 lid 2 Awb). Voor beroepen inzake lokale he ngen zijn alle 11
rechtbanken bevoegd. In de uitspraak op bezwaar noemt de inspecteur bij welke bevoegde
rechtbank binnen 6 weken een beroepschrift kan worden ingediend (art. 6:23 en 6:7 Awb). De
formele eisen zijn vergelijkbaar met de voormelde eisen aan een bezwaarschrift (art. 6:5-6:11
Awb). Er kan een pro-formabezwaarschrift of -beroepschrift worden ingediend, waarbij de
motivering later pas wordt ingevuld, binnen een door de inspecteur respectievelijk de rechtbank
gestelde nadere termijn op stra e van niet-ontvankelijkverklaring (behalve bij verschoonbare
termijnoverschrijding, art. 6:11 Awb).
3. Hoger beroep
Er kan appèl worden ingesteld bij de gerechtshoven, gevestigd in Amsterdam, Arnhem-
Leeuwarden, Den Haag en Den Bosch (art. 27h AWR). De belangrijkste functie van het hoger
beroep is te voorzien in een herkansing. De behandeling wijkt dan ook niet wezenlijk af van de
eerste beroepsbehandeling. Het gerechtshof kan de behandeling volledig overdoen. Wel wordt de
rechtsstrijd beperkt door de door de appellerende partij geformuleerde gronden van het hoger
beroep. De andere partij kan bij haar verweerschrift zelf alsnog incidenteel hoger beroep instellen
(art. 8:110 Awb).
fi
ffi
ffi ffi ffi ffi ffffi ffi
fi ffi ff ffi ffi