Causaliteit arresten
Groninger HIV, overval op juwelier.
De kern van dit leerstuk is het oorzaak en gevolg binnen een strafrechtelijk context.
De heersende leer is de leer van de redelijke toerekening. De redelijkheid wordt mede ingevuld met
behulp van andere causaliteitstheorieën. B
Eerste stap: is er sprake van een conditio sine qua non-verband?
Was de gedraging een noodzakelijke factor in de keten van gebeurtenissen ?
Het CSQN-verband is niet altijd met zekerheid vast te stellen. Dit kan bijvoorbeeld komen door
alternatieve causaliteit. Dit zal zich voordoen wanneer niet kan worden uitgesloten dat het intreden
van het gevolg onafhankelijk van de gedragingen van de verdachte is veroorzaakt. Dit is alternatieve
causaliteit. Dit houdt in de mogelijkheid dat een andere omstandigheid tot het delict gevolg heeft
geleid.
Dan is de vraag: is (desondanks) redelijke toerekening mogelijk? Nadere criteria om (toch) tot
redelijke toerekening te kunnen komen (Groninger HIV 2012)
vastgesteld moet worden dat de gedraging van de verdachte een onmisbare schakel in de
gebeurtenissen die tot het delictgevolg hebben geleid kan hebben gevormd; én
aannemelijk moet zijn dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door
de verdachte is veroorzaakt.
Of sprake is van een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid hangt af van de concrete
omstandigheden van het geval (Groninger HIV 2012)
Over de omstandigheden van het geval zegt de Hoge Raad: ‘Bij de beoordeling daarvan kan als
hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging van de verdachte naar haar aard
geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat
zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van het gevolg (…). Daarbij kan ook
worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan
de gedraging van de verdachte gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg
hebben geleid.’
Overval op juwelier arrest
In dit arrest worden de criteria uit het Groninger HIV-arrest bevestigd. Het ging in casu erom dat de
juwelier een licht hartinfarct had. Het was niet uit te sluiten dat dit de oorzaak was, maar dit stond
niet in de weg aan redelijke toerekening. Het is dus niet vereist dat de alternatieve oorzaken volledig
kunnen worden uitgesloten. Wel moet aannemelijk zijn dat die andere mogelijke oorzaken
hoogstwaarschijnlijk niet tot het gevolg hebben geleid.
, Kennisclip LEH 1.3 - Wederrechtelijkheid en facetwederrechtelijkheid dreigbrief arrest
Art 317 Sr was ten laste gelegd. De verdachte heeft brieven gestuurd naar twee slachtoffers. In die
brieven worden zij gesommeerd grldbragen over te maken naar de bankrekening van verdachte.als
zij dit niet doen, dreigt de verdachte met geweld. De verdachte wordt door de politie aangehouden
en door OM vervolgd voor afpersing.
De twee verdenkingen van poging tot afpersing zoals ten laste is gelegd, moeten worden bewezen.
Afpersing is strafbaar gesteld in art 317 Sr. De strafbepaling bevat het bestanddeel “wederrechtelijk”.
Indien op correctie wijze ten laste gelegd, moet bij dit delict dus worden bewezen dat de verdachte
de afpersingsgedraging verricht met als doel (oogmerk) om zichzelf of iemand anders
wederrechtelijk te bevoordelen.
De raadsman voerde als verweer dat de verdachte in zijn recht stond om geld van de slachtoffers te
eisen. Verdachte zou zijn bestolen door de zoon van een slachtoffer. Van het bestanddeel oogmerk
wederrechtelijk bevoordeling was volgens de raadsman dus geen sprake van.
Het hof is van oordeel dat wel degelijk sprake is van een ‘oogmerk van wederrechtelijke
bevoordeling’. Wat de beslissing ook mag zijn van een beweerlijk recht van verdachte op het geld van
het slachtoffer, wegens de wijze waarop verdachte had geprobeerd het slachtoffer tot afgifte van het
geld te bewegen was hier toch sprake van een oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling.
De HR oordeelt dat het bestanddeel wederrechtelijk kan zijn vervuld en kan worden bewezen
verklaard indien het handelen van verdachte van zodanige aard is of op zodanige wijze geschied, dat
hij moet hebben beseft dat hij met zijn handelen de grenzen van de maatschappelijke betamelijkheid
verre overschreed. Dat is het criterium uit de rechtspraak die wij moeten kennen.
Met deze overweging krijgt het bestanddeel wederrechtelijk bij het delict afpersing een ruime
invulling. Dit betekent dat ook als de verdachte redelijkerwijs kon en mocht menen dat hij wel recht
had op geld dat hij door middel van afpersing heeft verkregen, dan nog kan de rechter tot een
bewezenverklaring komen van de wederrechtelijk. En wel vanwege de afpersing, in casu ging het om
dreigen met geweld. Dit geldt ook voor andere vermogensdelicten, zo heeft de HR in verschillende
arresten bepaald.
Hiermee komen we tot de conclusie dat wederrechtelijk als bestanddeel bij vermogensdelicten een
ruime invulling krijgt.