Leereenheid 1
Leerdoelen LEH 1
Na bestudering van deze leereenheid heeft u kennis van en inzicht in:
de verschillende causaliteit theorieën;
Conditio sine qua non verband
Elke gedraging die niet weggedacht kan worden zonder dat het gevolg wegvalt, kan als
strafrechtelijke relevante veroorzaker van een gevolg worden gezien.
Causa proxima-theorie
Het gaat om het meest rechtstreekse verband tussen de gedraging en het gevolg.
Voorzienbaarheidsleer
De dader wordt alleen voor die gevolgen van zijn gedrag strafrechtelijk aansprakelijk gesteld waarvan
het intreden in het algemeen waarschijnlijk of voorzienbaar was.
De leer van de redelijke toerekening
De vraag of e gedraging redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend.
de geldende causaliteitscriteria;
Eerste stap: is er sprake van een conditio sine qua non-verband?
Was de gedraging een noodzakelijke factor in de keten van gebeurtenissen ?
Het CSQN-verband is niet altijd met zekerheid vast te stellen. Dit kan bijvoorbeeld komen door
alternatieve causaliteit. Dit zal zich voordoen wanneer niet kan worden uitgesloten dat het intreden
van het gevolg onafhankelijk van de gedragingen van de verdachte is veroorzaakt. Dit is alternatieve
causaliteit. Dit houdt in de mogelijkheid dat een andere omstandigheid tot het delict gevolg heeft
geleid.
Dan is de vraag: is (desondanks) redelijke toerekening mogelijk? Er moeten nadere criteria om (toch)
tot redelijke toerekening te kunnen komen (Groninger HIV 2012)
vastgesteld moet worden dat de gedraging van de verdachte een onmisbare schakel in de
gebeurtenissen die tot het delictgevolg hebben geleid kan hebben gevormd; én
aannemelijk moet zijn dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door
de verdachte is veroorzaakt.
Of sprake is van een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid hangt af van de concrete
omstandigheden van het geval (Groninger HIV 2012)
Over de omstandigheden van het geval zegt de Hoge Raad: ‘Bij de beoordeling daarvan kan als
hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging van de verdachte naar haar aard
geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat
zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van het gevolg (…). Daarbij kan ook
worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan
de gedraging van de verdachte gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg
hebben geleid.’
,Overval op juwelier arrest
In dit arrest worden de criteria uit het Groninger HIV-arrest bevestigd. Het ging in casu erom dat de
juwelier een licht hartinfarct had. Het was niet uit te sluiten dat dit de oorzaak was, maar dit stond
niet in de weg aan redelijke toerekening. Het is dus niet vereist dat de alternatieve oorzaken volledig
kunnen worden uitgesloten. Wel moet aannemelijk zijn dat die andere mogelijke oorzaken
hoogstwaarschijnlijk niet tot het gevolg hebben geleid.
wederrechtelijkheid als element en als bestanddeel;
Een eerste betekenis van wederrechtelijkheid is dat gedragingen die geen onrecht behelzen en
evenmin anderszins afkeurenswaardig zijn, niet als strafwaardig kunnen worden aangemerkt en
daarom niet strafbaar dienen te worden gesteld, dit is wederrechtelijkheid als beginsel.
Een verdere uitwerking hiervan dienen gedragingen die binnen het bereik van een strafbaarstelling
vallen niet tot strafrechtelijke aansprakelijkheid te leiden als het gedrag in concreto is
gerechtvaardigd, dit is wederrechtelijkheid als element.
Tot slot kan wederrechtelijkheid op uiteenlopende wijze tot uiting komen in delictsomschrijving, dit
is wederrechtelijkheid als bestanddeel.
Formele wederrechtelijkheid -> overtreding van de delictsomschrijving
Materiele wederrechtelijkheid -> een rechtsgoedschending of -gevaarzetting die ook in concreto
ontoelaatbaar wordt geacht en waartegen het strafrecht zich beoogt te richten.
de verschillende verschijningsvormen van wederrechtelijkheid als bestanddeel;
Naast het genoemde art. 138 lid 1 Sr (wederrechtelijk binnendringen of vertoeven in een woning) zijn
bekende voorbeelden art. 350 (opzettelijk en wederrechtelijk enig goed vernielen), art. 282 lid 1
(opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden) en art. 284 Sr
(wederrechtelijk dwingen). Ook een bestanddeel als ‘mishandeling’ (art. 300) omschrijft
wederrechtelijkheid en er is daarvan eveneens een spoor te vinden in bijvoorbeeld opruiing (art. 131)
Deze voorbeelden geven goed aan bij welk type delicten wederrechtelijkheid als bestanddeel
wenselijk is: strafbaarstellingen die zonder dat bestanddeel een te ruim bereik zouden hebben,
omdat de overige delict bestanddelen regelmatig op een niet-wederrechtelijke en niet strafbaar te
achten wijze worden vervuld. Denk aan een aannemer die met instemming van de rechthebbende
vernielt, aan justitie die met een geldige titel verdachten en veroordeelden opsluit, aan justitie die
met een geldige titel verdachten en veroordeelden opsluit en aan ‘mishandeling’ door de tandarts.
de invulling van de wederrechtelijkheid in de jurisprudentie;
Dreigbrief arrest
Art 317 Sr was ten laste gelegd. De verdachte heeft brieven gestuurd naar twee slachtoffers. In die
brieven worden zij gesommeerd geldbedragen over te maken naar de bankrekening van verdachte.
Als zij dit niet doen, dreigt de verdachte met geweld. De verdachte wordt door de politie
aangehouden en door OM vervolgd voor afpersing.
De twee verdenkingen van poging tot afpersing zoals ten laste is gelegd, moeten worden bewezen.
Afpersing is strafbaar gesteld in art 317 Sr. De strafbepaling bevat het bestanddeel “wederrechtelijk”.
Indien op correctie wijze ten laste gelegd, moet bij dit delict dus worden bewezen dat de verdachte
de afpersingsgedraging verricht met als doel (oogmerk) om zichzelf of iemand anders
wederrechtelijk te bevoordelen.
,De raadsman voerde als verweer dat de verdachte in zijn recht stond om geld van de slachtoffers te
eisen. Verdachte zou zijn bestolen door de zoon van een slachtoffer. Van het bestanddeel oogmerk
wederrechtelijk bevoordeling was volgens de raadsman dus geen sprake van.
Het hof is van oordeel dat wel degelijk sprake is van een ‘oogmerk van wederrechtelijke
bevoordeling’. Wat de beslissing ook mag zijn van een beweerlijk recht van verdachte op het geld van
het slachtoffer, wegens de wijze waarop verdachte had geprobeerd het slachtoffer tot afgifte van het
geld te bewegen was hier toch sprake van een oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling.
De HR oordeelt dat het bestanddeel wederrechtelijk kan zijn vervuld en kan worden bewezen
verklaard indien het handelen van verdachte van zodanige aard is of op zodanige wijze geschied, dat
hij moet hebben beseft dat hij met zijn handelen de grenzen van de maatschappelijke betamelijkheid
verre overschreed. Dat is het criterium uit de rechtspraak die wij moeten kennen.
Met deze overweging krijgt het bestanddeel wederrechtelijk bij het delict afpersing een ruime
invulling. Dit betekent dat ook als de verdachte redelijkerwijs kon en mocht menen dat hij wel recht
had op geld dat hij door middel van afpersing heeft verkregen, dan nog kan de rechter tot een
bewezenverklaring komen van de wederrechtelijk. En wel vanwege de afpersing, in casu ging het om
dreigen met geweld. Dit geldt ook voor andere vermogensdelicten, zo heeft de HR in verschillende
arresten bepaald.
Hiermee komen we tot de conclusie dat wederrechtelijk als bestanddeel bij vermogensdelicten een
ruime invulling krijgt.
de leer van de facetwederrechtelijkheid;
Van Veen heeft een interpretatie per delict bepleit en aan die opvatting de bekend geworden
benaming facetwederrechtelijkheid gegeven: per delictsomschrijving waarin de wederrechtelijkheid
voorkomt, zou dan moeten worden onderzocht welke, eventueel specifieke inhoud aan dit
bestanddeel moet worden gegeven. Een nadeel van deze leer is dat de kans op verwarring en
onduidelijkheid groter is.
de invulling die wordt gegeven aan het leerstuk van ‘de locus delicti’ in de rechtspraak.
De locus delicti is de plaats waar het strafbare feit zich heeft afgespeeld. Is dit om meerdere reden
van belang, bijvoorbeeld de plaatsaanduiding in de TLL.
De vraag waar een delict is geweest, is niet altijd eenvoudig te beantwoorden. In eerste plaats ligt
het voor de hand om naar de delictsgedraging te kijken: daar waar de dader het zijne heeft gedaan of
heeft nagelaten, wordt het delict geacht te zijn begaan (leer van de lichamelijke gedraging). Voorts
kan bij werking van een door de dader gebruikt middel worden aangeknoopt (leer van het
instrument) of kan van belang worden toegekend aan de plaats waar het gevolg van de gedraging
zich openbaar (de leer van het gevolg). Men spreekt van de ubiquiteitsleer wanneer meerdere
plaatsen van een delict mogelijk worden geacht.
Impliciet staat de leer van de lichamelijke gedraging bijna steeds voorop: een strafbaar feit wordt
daar gepleegd, waar de dader het zijnde doet.
Bij medeplichtigheid is de lotus delicti niet alleen de plaats waar de medeplichtigheidshandelingen
werden verricht, maar óók de plaats waar het gronddelict werd gepleegd. Voor de poging komt
vooral in aanmerking de plaats die als locus delicti van de uitvoeringshandeling kan gelden.
De tijdsbepaling is steeds belangrijk in verband met het verbod van terugwerkende strafwetgeving
en met mogelijk overgangsrecht. Dat geldt ook voor verjaring. Sommige delicten hebben ook een
tijdsvereiste, zoals art. 312 lid 2 sub 1. In strafvorderlijke zin vereist de inkleding van de
tenlastelegging in ieder geval een gespecificeerde tijdsaanduiding art. 261 lid 1 Sv.
, Jurisprudentie Causaliteit
HR 23 december 1980, NJ 1981, 534, r.o. 5 (Aortaperforatie)
De Hoge Raad moest oordelen over de vraag of er een causaal verband was tussen de messteek en
de dood van het slachtoffer. De advocaat van de verdachte voerde namelijk aan dat het slachtoffer
niet was overleden als gevolg van de messteek, maar doordat de arts in het ziekenhuis de
aortaperforatie over het hoofd had gezien.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Voor de
causaliteit was beslissend dat de dood een redelijkerwijs toe te rekenen gevolg was van de messteek
die op zichzelf al tot de dood zou hebben geleid.
HR 7 mei 1985, NJ 1985, 821, r.o. 5.2.2 en 5.2.3 (Haarlemse doodslag)
Om tot een veroordeling voor doodslag te komen, moet er sprake zijn van causaal verband tussen de
gedraging van de verdachte en het overlijden van het slachtoffer. Het overlijden van het slachtoffer
moet te wijten zijn aan de handelingen van de verdachte.- Bij opzettelijke delicten kan het overlijden
van het slachtoffer in redelijkheid toe te rekenen zijn aan de gedragingen van de verdachte. Oftewel,
op grond van de leer van redelijkheid kan worden gekeken of de gevolgen bij een opzettelijk delict te
wijten zijn aan de gedragingen van de verdachte.
HR 25 juni 1996, NJ 1997, 563, r.o. 5.3 tot en met 5.4.2 (Niet-behandelde longinfectie)
De beslissing om de door de schotwond veroorzaakte longinfectie niet te behandelen staat er
daarom niet aan in de weg, dat de als gevolg van die infectie ingetreden dood aan de handelswijze
van verdachte wordt toegerekend. De opgelopen longinfectie was namelijk een rechtstreeks gevolg
van het letsel dat was veroorzaakt door de verdachte.
HR 20 september 2005, NJ 2006, 86, r.o. 3.5 (Hevige emoties II)
De RB, het Hof en de HR oordelen dat hier naar de leer van de redelijke toerekening een causaal
verband kan worden aangenomen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat hevige
emoties bij bejaarden dikwijls fatale gevolgen hebben. Op grond daarvan alsmede op grond van het
deskundigenrapport van de patholoog-anatoom kon de dood van de vrouw redelijkerwijze als gevolg
van het door de dader gepleegde feit aan de verdachte worden toegerekend.
HR 13 juni 2006, NJ 2007, 48 , r.o. 3.4 (Bloedvergiftiging)
Een hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid van een alternatieve gang van zaken staat niet aan de
bewezenverklaring van het causaal verband in de weg
HR 27 maart 2012, NJ 2012, 301, r.o. 2.4.1 tot en met 2.4.4 (Groninger HIV)
Causaliteitsleer van HR: leer van de redelijke toerekening
- Was de gedraging van een verdachte een CSQN-verband
- Nadere criteria om (toch) tot redelijke toerekening te kunnen komen (als CSQN verband
lastig is om vast te stellen):
- Vastgesteld moet worden dat de gedraging van de verdachte een onmisbare schakel in het
gebeurtenis die tot het delictgevolg hebben geleid kan worden gevorm; en
- Aannemelijk moet zijn dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door
de verdachte is veroorzaakt.
- Of sprake is van een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid hangt af van de concrete
omstandigheden van het geval.
Jurisprudentie wederrechtelijkheid
HR 9 februari 1971, NJ 1972, 1 (Dreigbrief)
Indien men een onbehoorlijk middel gebruikt om een voordeel na te streven kan er sprake zijn van
wederrechtelijke bevoordeling, ook al is de bevoordeling op zichzelf niet wederrechtelijk.