Staten-Generaal = eerste kamer + tweede kamer
• Eerste kamer wordt verkozen door de leden van de provinciale staten : art. 50 en 51 GW
• Tweede kamer wordt rechtstreeks verkozen door het volk
Beide kamers maken gebruik van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging : art. 53 lid 1
GW
Beide kamers moeten instemmen om een wetsvoorstel of begroting aanvaard te krijgen, ze zijn
echter niet volledig gelijkwaardig: de TK heeft recht van initiatief (mag wetsvoorstellen doen) en
recht van amendement (mag wetsvoorstellen wijzigen).
Eerste Kamer
• 75 leden, iedere 4 jaar verkozen door de Provinciale Staten.
• Heroverweegt het proces van het wetsvoorstel; kijkt naar kwaliteit, rechtmatigheid en
uitvoerbaarheid van de wetgeving > systeem van checks and balances.
• Mag elk willekeurig wetsvoorstel verwerpen voor elke denkbare reden.
• Neemt de laatste jaren een meer politieke houding aan als voorheen; komt door een toenemend
aantal verwerpingen in wetsvoorstellen en ook worden er meer moties ingediend.
Tweede Kamer
• 150 leden, iedere 4 jaar verkozen door het volk : art. 51 lid 2 GW / art. 54 lid 1 GW.
• De Kamerontbindingsperiode is vier jaar, daarna treden verkozen leden af, zijn wel direct
herkiesbaar.
• TK is onafhankelijk:
➡Reglement van Orde: Kamers stellen dit zelf op, regelen hun werkzaamheden hierin > art. 72
GW. De kamers mogen hier altijd van afwijken, zolang dit niet in strijd is met het Statuut, de
Grondwet of een andere wet > art. 16.3 RVOTK.
➡Parlementaire onschendbaarheid > art. 71 GW : leden mogen niet worden vervolgd voor
hetgeen zij in de vergadering hebben gezegd of schriftelijk hebben overlegd.
➡Leden mogen hun zetels meenemen naar een andere partij > art. 67 GW.
• Op Prinsjesdag wordt door de koning een uiteenzetting gegeven van het te voeren beleid; de
troonrede (art. 65 GW). Daarna beginnen de kamers aan de behandeling van de begrotingen
voor het volgende politieke jaar (art. 105 lid 2 GW).
Personen met de Nederlandse nationaliteit en die ouder zijn dan 18, kunnen verkiesbaar worden
gesteld als kamerlid > art. 56 GW. Een kamerlid mag volgens art. 57 GW niet tegelijkertijd één van
de volgende functies vervullen: kamerlid in de andere kamer, minister, staatssecretaris, lid van de
Raad van State, procureur-generaal en advocaat-generaal van de Hoge Raad.
De fractie
Het recht om een politieke partij op te richten is af te leiden uit het recht van vereniging en
vergadering (art. 8 en 9 GW). De politieke partijen die deelnemen aan de regering heten de
coalitiepartijen. De partijen die niet in de regering zitten, zijn de oppositiepartijen. De oppositie
steunt het kabinetsbeleid niet of slechts deels. Een fractie zijn alle leden van één politieke partij in
een vertegenwoordigend lichaam.
Koninklijk besluit
Art. 89 GW : een besluit van de regering zonder dat medewerking van de SG wordt genomen, het
besluit komt tot stand door de koning en een minister of staatssecretaris. Koninklijke besluiten
worden altijd ondertekend door zowel de koning als de minister > contraseign die zorgt voor
ministeriële verantwoordelijkheid. De meeste koninklijke besluiten berusten op een wet in
formele zin, anders spreekt men van een zelfstandig koninklijk besluit.
• Voorhangprocedure: in sommige gevallen kunnen de EK en TK verlangen dat een koninklijk
besluit wordt goedgekeurd door de SG, als de wet dat bepaalt. Omdat de procedure van een
koninklijk besluit veel tijd kost, wordt in de TK vaak bedloten over de grote lijnen, die worden
gerealiseerd in een ministeriële regeling. De bekendmaking van deze regelingen vindt plaats in
de Staatscourant.
,Thorbecke
Voormalig minister-president van NL, man achter de grote grondwetsherzieningen in 1848 in NL.
Kabinet
= de ministers en hun staatssecretarissen. Hebben als belangrijkste taak om Nederland te
besturen en alle wetten uit te voeren. Na elke TK-verkiezing begint de kabinetsformatie, met als
doel een kabinet te vormen dat kan rekenen op de steun van de TK en daarnaast tot een
gezamenlijk beleid kan komen.
• Parlementair meerderheidskabinet: gevormd door politieke partijen die samen een
meerderheid van het aantal zetels in het parlement hebben. De hoofdlijnen van het te voeren
beleid worden vastgelegd in een regeerakkoord.
• Minderheidskabinet: gevormd door partijen die samen geen meerderheid in de TK hebben. Het
is moeilijk om zo beleid te voeren, omdat de oppositie wegens zijn meerderheid makkelijk
kabinetsvoorstellen kan blokkeren.
• Extraparlementair kabinet: geen regeerakkoord tussen fracties, maar een regeringsprogramma.
Dit is een lijst van wat het kabinet tot uitvoering denkt te gaan brengen, terwijl een
regeerakkoord een afspraak is waarbij fracties zich daadwerkelijk hebben gecommitteerd.
Het vormen van een kabinet begint met het aanwijzen van een informateur en formateur door de
TK.
• Informateur: onderzoek instellen naar de mogelijkheden van een te vormen kabinet.
• Formateur: gaat het kabinet daadwerkelijk vormen, met behulp van de info van de informateur.
Wanneer een bepaalde coalitie mogelijk is, moeten de coalitiefracties uiteindelijk instemmen met
het door het nieuwe kabinet te voeren beleid. Daarna wordt gekeken welke partij een minister of
staatsecretaris levert voor welke portefeuille, deze worden uiteindelijk beëdigd door de koning.
• Als een minister of kabinet ontslag heeft ingediend bij de koning, maar dit nog niet is verleend,
is er sprake van een demissionair kabinet. Alleen lopende zaken worden dan nog afgehandeld in
afwachting van het nieuwe kabinet.
Controlemiddelen van de Tweede Kamer
• Inlichtingenrecht art. 68 GW : ministers en staatssecretarissen zijn verplicht de gevraagde info
te verschalen aan de leden van beide kamers (inlichtingenplicht), tenzij zij zich beroepen op het
belang van de Staat. Het biedt de kamers de mogelijkheid over het aan de orde zijnde
onderwerp vragen te stellen en inlichtingen te verzoeken. Dit zorgt ervoor dat de ministers hun
beslissingen goed voorbereiden en alle betrokken belangen zuiver wegen. Verschillende
onderdelen:
• Individueel vragenrecht: alle leden van beide kamers kunnen zowel schriftelijk als
mondeling vragen stellen aan de regering of minister > art. 140 RVOEK / art. 12.1 RVOTK
• Recht van interpellatie: alle leden van beide kamers hebben de mogelijkheid om met een
minister te debatteren over een onderwerp dat nog niet op de vergaderagenda van de kamer
staat. Hiervoor is toestemming van de kamer nodig. In de TK wordt deze toestemming
verleend indien minimaal 30 leden het verzoek steunen (art. 12.6 lid 2 RVOTK), in de EK
wordt deze toestemming verleend indien de meerderheid van de kamer het verzoek steunt
(art. 139 RVOEK).
• Dertigledendebat art. 12.7 RvO TK : wordt gehouden indien minimaal dertig leden van de TK
een voorstel daartoe ondersteunen.
• Mondeling vragenuur art. 12.3 e.v. RvO TK : vindt elke dinsdag plaats, leden van de TK melden
bepaalde onderwerpen en de voorzitter kiest hieruit.
• Openbare hoorzitting art. 7.33 RvO TK : zitting waarbij het parlement verschillende partijen en
belanghebbenden aan het woord laat om hun mening te geven over zaken die nog in
behandeling zijn.
• Motie art. 8.20 RvO TK : kamerleden kunnen een motie indienen wanneer zij niet tevreden zijn
met de beantwoording van de minister over de vragen over een bepaald onderwerp. Een motie
bevat een verzoek, wens of opdracht. De regering is niet verplicht deze uit te voeren, zij kan de
motie naast zich neerleggen met het risico van een motie van wantrouwen.
• Recht van enquete art. 70 GW : wordt opgedragen aan een speciale commissie, wanneer een
of beide kamers door het stellen van vragen of parlementair onderzoek niet tot de nodige
gegevens kunnen komen voor de beoordeling van een situatie. Elke Nederlander is verplicht
medewerking te verlenen aan dit onderzoek. Dit recht is nader geregeld in de Wpe.
,• Begrotingsrecht art. 105 GW : kamerleden kunnen tijdens de jaarlijkse behandeling van de
Rijksbegroting de ministers aan de tand voelen.
• Commissies : voor contact tussen bewindspersonen en kamerleden. De vaste commissies
staan uit kamerleden uit verschillende fracties die zich op het desbetre ende beleidsterrein
hebben gespecialiseerd. Zij hebben de taak om de wetsvoorstellen te onderzoeken en kunnen
met de betrokken minister bepaalde beleidsproblemen behandelen.
• Parlementaire controle op de EU (subsidiariteitstoets) art. 5 lid 3 VEU : de EU mag optreden
als de landen situaties zelf niet goed genoeg kunnen oplossen, zo blijven de besluiten zo dicht
mogelijk bij de burger. Ook kunnen de nationale parlementen bezwaar indienen tegen de EU-
voorstellen, met genoeg bezwaar wordt het voorstel opnieuw bekeken.
• Motie van wantrouwen : wanneer het vertrouwen van het parlement in het kabinet is
opgegeven, dienen de betrokken ministers en of staatssecretarissen of het hele kabinet hun
ontslag aan te bieden bij de koning. De TK kan door de motie van wantrouwen een minister
indirect dwingen tot het aanbieden van ontslag. Bij een motie van afkeuring is het aanblijven
van de minister niet in strijd met dit ongeschreven staatsrecht. De minister kan er ook voor
kiezen om zelf ontslag aan te bieden, bv wanneer een wetsvoorstel wordt verworpen.
Kamerontbinding
Bij koninklijk besluit kan de regering een of beide kamers van het parlement ontbinden (art. 64
GW). Hiervan is sprake bij:
• Vervroegde verkiezingen: ministers hebben ontslag aangeboden en het kabinet is demissionair
geworden in afwachting van een nieuw kabinet.
• Grondwetherziening: bij een wijziging van de Grondwet moet de TK worden ontbonden.
WK1) ARRESTEN
Arubaanse verkiezingsafspraak
• Partij PDA sloot een overeenkomst waarin was bepaald dat een te behalen zetel in de
Eilandsraad zou worden aangemerkt als toebehorend aan de PDA. Na de verkiezingen werden
Oduber en Thijssen verkozen, maar zij weigerden hun zetels af te staan aan de PDA.
• Het GEA wees de vordering tot afstaan van de zetels af, omdat het over een politieke afspraak
ging die niet civielrechtelijk afdwingbaar is. Ook in hoger beroep werd vordering afgewezen.
• HR: de afspraak betrof bij uitstek een politieke kwestie, partijen hadden niet beoogd een
civielrechtelijke verbintenis te creëren die via het privaatrecht afdwingbaar is, de rechter moet
zich onthouden van inmenging in het democratische proces en dus kan geen civielrechtelijk
rechtsgevolg worden verbonden aan de niet-nakoming van de afspraak.
• De afspraak tussen een politieke partij en een lid van een volksvertegenwoordiging is een
politieke aangelegenheid en niet civielrechtelijk afdwingbaar. Daarnaast is het parlement
onafhankelijk; een persoon wordt verkozen en niet de partij.
ff
, WK2)
EU is een supranationale organisatie tussen lidstaten, waaraan afzonderlijke staten een deel van
hun bevoegdheden hebben overgedragen. Het Verdrag betre ende de Europese Unie (VEU) en
het Verdrag betre ende de werking van de Europese Unie (VwEU), vormen de basis van het
primaire EU-recht. In het VEU staan de waarden waar de EU en alle lidstaten zich aan moeten
houden en de belangrijkste doelstellingen van de EU. In de VwEU staan de bevoegdheden van de
EU en op welke manier de EU die bevoegdheden kan uitoefenen. Het secundaire EU-recht vinden
we terug in veroveringen, richtlijnen, besluiten, aanbevelingen en adviezen.
De EU heeft invloed op het nationale recht door het Hof van Justitie van de Europese Unie; art. 19
VEU / art. 251-281 VWEU. De prejucidiële beslissingen vinden we terug in art. 267 VwEU.
Doorwerking van het EU-recht vinden we terug in het arrest van Gend en loos: hieruit kwam een
nieuwe supranationale Europese rechtsorde voort, waarin lidstaten hun soevereiniteit hebben
begrensd. Dit heeft voor rechten en plichten voor lidstaten en hun onderdaden gezorgd. Het EU-
recht is voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk en heeft daardoor rechtstreekse werking. Dit
leidt tot:
• Een vervanging van de nationale regelgeving
• Een onderlinge afstemming tussen nationale wetten (harmonisatie)
• Parlementaire controle door de Staten-Generaal
• Secundair EU-recht moet soms worden omgezet in wetgeving (richtlijnen)
• Indien de omzetting niet tijdig plaatsvindt, is rechtstreekse werking ook al mogelijk
Belangrijkste organen binnen de Europese Unie
• Europese Raad art. 15 VEU: samengesteld uit de afgevaardigde staatshoofden en
regeringsleiders van de lidstaten, de voorzitter van de Europese Raa en de voorzitter van de
Europese Commissie. Bepalen samen het algemene politieke beleid en de prioriteiten van de
EU. Ook ingewikkelde of gevoelige zaken, die niet kunnen opgelost op lager regeringsniveau.
• Raad van de Europese Unie art. 16 VEU: bestaat uit 1 minister uit elk EU-land, welke ministers
dit zijn is afhankelijk van het te bespreken onderwerp. Zij vertegenwoordigen de regeringen van
de lidstaten, stellen EU-wetgeving vast en coördineren het EU-beleid.
• Europese Commissie art. 17 VEU: een politiek onafhankelijke, uitvoerende tak van de EU.
Samengesteld uit een team van commissarissen, een uit elk EU-land, benoemd door de
Europese Raad. De commissie heeft als enige EU-instelling het recht op initiatief, waardoor zij
wetsvoorstellen kunnen doen. Daarnaast houden zij zich bezig met het uitoefenen van toezicht
op de naleving van het EU-recht, het beheren van EU-beleid, het toewijzen van EU- nanciering
en het onderhandelen/spreken namens de EU. Indien het Europees Parlement en motie van
afkeuring over het beleid van de commissie aanneemt, moet de commissie ontslag nemen in
zijn geheel.
• Europees Parlement art. 14 VEU: wetgevend orgaan van de EU. Bestaat uit leden die elke vijf
jaar rechtstreeks worden gekozen. Houden zich bezig met het keuren van de EU-wetgeving op
basis van voorstellen van de Europese Commissie. Zij beslissen ook over internationale
overeenkomsten en toetredingen van nieuwe lidstaten, en houden toezicht op alle EU-
instellingen.
➡Triloog: informeel overleg waarin de Europese Commissie, Europees Parlement en de Raad
onderhandelen over wetsvoorstellen.
• Hof van Justitie art. 19 VEU: ziet erop toe dat de wetgeving van de EU in alle landen van de EU
op dezelfde wijze wordt geïnterpreteerd en toegepast. Behandelt verzoeken van nationale
rechtbanken. Een van de belangrijkste bevoegdheden is het beantwoorden van prejudiciële
vragen van nationale rechterlijke instanties; met als doel een EU-rechtsregel te verduidelijken en
daardoor de eenheid van het EU-recht te bevorderen.
• Europese Centrale Bank art. 282 EU-Werkingsverdrag: beheert de euro. Hierbij hoort het
stabiel houden van de prijzen, het economisch en monetair beleid van de EU uitstippelen en
toezicht houden op de banken.
• Rekenkamer art. 285 EU-Werkingsverdrag: controleert of de middelen van de EU correct
worden geind en besteed en helpt het nancieel beheer van de EU te verbeteren.
ff fi ff fi