Algemene vermogensrechtelijke bepalingen van boek 3 vallen in twee groepen uiteen:
1. Algemene bepalingen: van belang voor het gehele vermogensrecht (goederen +
verbintenissen)
• Begripsbepalingen 3.1.1
• Rechtshandelingen en volmacht 3.2 - 3.3
• Rechtsvorderingen 3.11
2. Bepalingen van goederenrechtelijke aard
• Verkrijging van en verlies van goederen 3.4
• Invulling van bepaalde goederenrechtelijke rechtsverhoudingen 3.5 - 3.10
Afdeling 3.1.1 = begripsbepalingen
- Goederen Art. 3:1
- Zaken Art. 3:2 - 5
- Vermogensrechten Art. 3:6 - 8
- Enkele bijzondere goederen Art. 3:9 - 10
Nadere uitwerking van enige vermogensrechtelijke beginselen: 3:11 - 14
- Goede trouw Art. 3:11
- Redelijkheid en billijkheid Art. 3:12
- Misbruik van bevoegdheid Art. 3:13
- Strijd met regels van publiekrecht Art. 3:14
Art. 3:15 = schakelbepaling = de artikelen 3:11 - 14 worden rechtstreeks buiten het
vermogensrecht van toepassing verklaard, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich
daartegen niet verzet.
Goederen = alle actieve vermogensbestanddelen. Onderscheiding in:
1. Zaken: voor menselijke beheersing vatbare sto elijke objecten. Dieren zijn principieel bezien
geen zaken, maar worden voor de wetstoepassing aan zaken gelijkgesteld. Iedere zaak is een
goed, maar niet iedere goed is een zaak.
• Onroerend: grond, nog niet gewonnen delfsto en, met de grond verenigde beplantingen,
gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd (rechtstreeks of door
verbinding met andere gebouwen of werken).
• Roerend: alle zaken die niet onroerend zijn.
2. Vermogensrechten: moet aan tenminste 1 van de in Art. 3:6 genoemde criteria voldoen.
Registergoederen = goederen voor welker overdracht of vestiging inschrijving in daartoe
bestemde openbare registers noodzakelijk is Art. 3:89 BW.
Art. 3:11 BW goede trouw
Op verschillende plaatsen wordt voor het intreden van een bepaald rechtsgevolg de goede trouw
van een persoon vereist. Wanneer iemand niet te goeder trouw is:
- Wanneer hij de feiten of het recht waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben kende.
- Wanner hij de feiten of het recht weliswaar niet kende, maar hij deze feiten of het recht in de
gegeven omstandigheden wel behoorde te kennen. Dit tweede element berust op de gedachte
dat van een ieder een zeker onderzoek mag worden gevergd. Het zal van omstandigheden
afhangen hoe ver dit onderzoek moet gaan. In dit kader zijn van belang;
- De mate waarin aanleiding voor twijfel bestond
- Het gewicht van de verrichte handeling
- De eventuele druk waaronder de handeling werd verricht
Iemand die tot goede reden twijfel had kan ook bij onmogelijkheid tot onderzoek worden
aangemerkt als iemand die de feiten of het recht behoorde te kennen.
Art. 3:12 BW redelijkheid en billijkheid
ffff
,= de regels van het ongeschreven recht die debiteur en crediteur jegens elkaar in acht hebben te
nemen. Er zijn drie gezichtspunten waarmee bij het zoeken naar ongeschreven recht rekening
moet worden gehouden:
- Algemeen erkende rechtsbeginselen
- De in Nederland levende rechtsovertuigingen (volk/kring van betrokkenen)
- Maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het geval zijn betrokken
Voor cassatie is van belang dat de rechter in zijn uitspraak zal moeten aangeven op welke regels
van ongeschreven recht hij zijn beslissing heeft gebaseerd.
Rechtshandeling = handeling die gekenmerkt wordt door het ermee beoogde rechtsgevolg.
- Eenzijdige rechtshandelingen > gericht / ongericht
- Meerzijdige rechtshandelingen > eenzijdig / wederkerig
Partijen in een rechtshandeling zijn degenen die haar tot stand brengen. Bij een eenzijdige
rechtshandeling is slechts één partij betrokken, een meerzijdige rechtshandeling wordt tot stand
gebracht door twee of meer partijen.
> de voor iedere rechtshandeling geldende bepalingen zijn bijeengebracht in titel 3:2 BW
(rechtshandelingen).
Art. 3:33 BW : een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een
verklaring heeft geopenbaard. In Art. 3:35 BW wordt waarde toegekend aan het bij de wederpartij
opgewekte vertrouwen. Totstandkoming van de rechtshandeling wordt dus op een dubbele
grondslag gebaseerd:
1. De geopenbaarde wil > Art. 3:33
2. Het opgewekte vertrouwen > Art. 3:35
> de geopenbaarde wil is de primaire grondslag voor totstandkoming. Opgewekt vertrouwen
speelt een subsidiaire rol; het kan de rechtshandeling tot stand doen komen in gevallen waarin de
wil ontbreekt.
Art. 3:37 BW vorm en werking der verklaring
De rechtshandeling komt tot stand op het moment waarop de wilsverklaring haar werking
verkrijgt; bv moment van wilsuiting, verzending, ontvangst of overneming.
- Ontvangsttheorie: de verklaring heeft werking vanaf het moment dat deze de wederpartij heeft
bereikt. Een niet tot een bepaald persoon gerichte verklaring werkt reeds vanaf het moment van
de wilsuiting.
- Nuance: een verklaring die de wederpartij niet of niet tijdig heeft bereikt, heeft desondanks
werking, indien dit voor risico van de geadresseerde komt.
- Gaat dit om een aanvaarding, dan wordt de overeenkomst geacht tot stand te zijn
gekomen op het tijdstip waarop zonder de storende omstandigheid de verklaring zou zijn
ontvangen > Art. 6:224 BW
De bewijslast rust op de afzender, die stelt dat zijn verklaring de ander heeft bereikt (sub a) of dat
zich één van de uitzonderingsgevallen voordoet (sub b). Ivm worden belangrijke brieven vaak
aangetekend verzonden.
- Een reeds verzonden verklaring kan door een tweede verklaring worden ingetrokken, mits deze
tweede verklaring de geadresseerde eerder of gelijktijdig met de eerste verklaring bereikt.
De verklaring en wil dienen bij een aanbod overeen te komen. Volgens Art. 3:33 BW is dan de
rechtshandeling tot stand gekomen. Discrepantie kan voorkomen, bv vanwege geestelijke
stoornis, verspreking, dubbelzinnig woordgebruik, misverstand, etc. Degene die zich op het
bestaan van een dergelijke discrepantie beroept zal dit moeten bewijzen. De geestelijke stoornis
wordt geregeld in Art. 3:34 BW. In dergelijke gevallen kan totstandkoming van de rechtshandeling
niet op Art. 3:33 BW worden gebaseerd, en komt de rechtshandeling dan ook niet tot stand.
- TENZIJ: de totstandkoming wordt gerechtvaardigd door Art. 3:35 BW gerechtvaardigd
vertrouwen.
- Art. 3:37 BW : 1 uitzondering op toepasselijkheid van Art. 3:35 BW : als een verklaring
onjuist is overgebracht door een door de ontvanger aangewezen communicatiemiddel, dan
geldt het ontvangene niet als verklaring van de afzender. De ontvanger kan zich dan niet op
de bescherming van Art. 3:35 BW beroepen.
, Art. 3:35 BW is een beschermingsbepaling > beschermde hoeft hier geen gebruik van te maken.
Besluit deze persoon geen beroep te doen op zijn gerechtvaardigd vertrouwen, dan kan de ander
het ontbreken van zijn wil wel degelijk inroepen, en zal de rechtshandeling als niet tot stand
gekomen worden beschouwd, op basis van de eerste grondslag en onbenutting van de tweede
grondslag.
Nadeel als gezichtspunt bij Art. 3:35 BW
Het over en weer te lijden nadeel kan een rol hebben in bepaling of de ontvanger van een niet-
gewilde verklaring recht heeft op bescherming door 3:35.
- Of er sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen kan slechts met inachtneming van de
omstandigheden worden beantwoord. De ontvanger kan mogelijk een zekere onderzoeksplicht
hebben. Als deze onderzoeksplicht van kracht is maar niet uitgevoerd door de betrokkene, zal
niet aan de eis van gerechtvaardigd vertrouwen zijn voldaan. Naarmate de verklaring voor de
handelende nadeliger is, zal eerder grond bestaan om een onderzoeksplicht van de ander aan
te nemen.
- Ook als op zichzelf aan de eisen van 3:35 zijn voldaan, kan een beroep op dat artikel in strijd
zijn met redelijkheid en billijkheid, met name als de rechtshandeling voor de niet-willende
nadelig is, terwijl de ander van het uitblijven van bescherming geen nadeel zou ondervinden.
Art. 3:34 BW geestelijke stoornis
Persoon die beroep wilt doen op dit artikel moet het volgende bewijzen:
- Het bestaan van een tijdelijke of blijvende stoornis van geestvermogens op het moment van
a egging van de verklaring.
- Verband tussen stoornis en verklaring: de stoornis belette een redelijke waardering van de
betrokken belangen OF de verklaring werd onder invloed van de stoornis gedaan.
- De verklaring wordt vermoed onder invloed van de stoornis te zijn gedaan, indien de
rechtshandeling voor de gestoorde nadelig was. Dit vermoeden is weerlegbaar als de ander
aantoont dat dit nadeel destijds, redelijkerwijs niet was te voorzien.
Als stoornis en verband zijn bewezen wordt de wil (onweerlegbaar) geacht te hebben ontbroken >
de rechtshandeling is dan vernietigbaar. Uitzondering: een eenzijdige niet-gerichte
rechtshandeling is nietig.
Mogelijke situaties bij totstandkoming rechtshandeling:
1. Wil en verklaring stemmen overeen > de rechtshandeling komt tot stand krachtens Art. 3:33
BW.
2. Wil en verklaring stemmen niet overeen, maar de ontvanger van de verklaring doet een
geslaagd beroep op zijn gerechtvaardigd vertrouwen. De rechtshandeling komt tot stand
krachtens Art. 3:35 jo. 3:33.
3. Wil en verklaring stemmen niet overeen, de ontvanger van de verklaring heeft geen beroep op
Art. 3:35 BW of laat dit beroep achterwege. Er komt in geheel geen rechtshandeling tot stand.
• Uitzondering: een rechtshandeling van een geestelijk gestoorde komt wel tot stand, maar is
vernietigbaar volgens Art. 3:34.
Art. 3:32 BW handelingsonbekwaamheid
= de op grond van een wettelijke bepaling bestaande algemene ongeschiktheid om eigen
rechtshandelingen te verrichten. Handelingsonbekwamen hebben een wettelijke
vertegenwoordiger, die hen zowel in als buiten rechte vertegenwoordigt. Wanneer deze
vertegenwoordiger namens de onbekwame een rechtshandeling verricht, wordt de onbekwame in
deze rechtshandeling een partij volgens Art. 3:66 lid 1 BW jo. 3:78 BW.
- Minderjarigen (onder 18) Art. 1:234 lid 1 BW. Een moeder die nog geen 18 jaar is, kan door de
kinderrechter als meerderjarig worden verklaard volgens Art. 1:253 BW. Als hij met
toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger handelt, is de minderjarige wel bekwaam.
Deze toestemming wordt verondersteld te zijn verleend bij gebruikelijke handelingen.
- Onder curatele gestelden Art. 1:381 lid 2 BW. = iemand kan niet meer zelfstandig
beslissingen nemen en wordt dus ‘onder curatele gesteld’. Hierbij dient
handelingsonbekwaamheid te worden onderscheiden van:
- De feitelijke ongeschiktheid om een rechtshandeling te verrichten. Daar gaat het namelijk
om een feitelijke discrepantie, bij handelingsonbekwaamheid gaat het over een algemene
wettelijke ongeschiktheid. De gevolgen hiervan treden in werking, ongeacht of de
fl
, wederpartij de onbekwaamheid kende of behoorde te kennen. Art. 3:35 BW is hier dan
ook niet van toepassing.
- Handelingsonbevoegdheid: hiervan spreekt men als een handelingsbekwaam persoon
een bepaalde rechtshandeling niet geldig kan verrichten Art. 3:43 BW.
- Beschikkingsonbevoegdheid: iemand is niet bevoegd om een bepaald goed te
vervreemden of bezwaren (verkopen/beslag op leggen). Hier gaat het dus bv om een dief
of iemand die failliet is verklaard.
Handelingsonbekwaamheid ziet slechts toe op het verrichten van eigen rechtshandelingen, en
heeft dus geen gevolgen voor (1) de mogelijkheid om op naam van een ander rechtshandelingen
te verrichten Art. 3:63 lid 1 BW, of (2) de mogelijkheid om door feitelijke gedragingen
rechtsgevolgen in het leven te roepen, bv door pleging van een onrechtmatige daad Art. 6:162
BW.
Ontstaan van verbintenissen:
Verbintenissen kunnen pas ontstaan zodra dit uit de wet voortvloeit > het is voldoende als het
ontstaan op enigerlei wijze op de wet is terug te voeren. Ontstaansbronnen;
1. De wet zelf
• Onrechtmatige daad Art. 6:162 BW
• Zaakwaarneming Art. 6:198 BW
• Onverschuldigde betaling Art. 6:203 BW
• Ongerechtvaardigde verrijking Art. 6:212 BW
• Intreden ontbindende voorwaarde en ontbinding wegens contractschending Art. 6:24 BW /
Art. 6:271 BW
• Tekortkoming in de nakoming van een verbintenis Art. 6:74 BW
• Diverse gevallen waarin een regresrecht wordt toegekend (voorbeelden: 6:::36)
2. Bronnen waarnaar de wet verwijst
• De wilsverklaringen van bij een rechtshandeling betrokken partijen 3:::248 lid 1
• Gewoonte Art. 6:248 lid 1 BW
• Regels van ongeschreven privaatrecht:
• Redelijkheid en billijkheid 6:::12
• Regels van de moraal bij de natuurlijke verbintenis Art. 6:3 lid 2 sub b BW
• Rechterlijke uitspraken 3:53 lid :::258
3. Het stelsel van de wet
Overeenkomst = een meerzijdige rechtshandeling, waarbij door op elkaar aansluitende
wilsverklaringen van partijen tussen hen rechtsgevolgen ontstaan.
- Obligatoire overeenkomst Art. 6:213 BW = meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer
partijen jegens een of meer andere partijen een verbintenis aangaan. Oftewel een afspraak die
zorgt voor rechten en plichten aan beide kanten.
- Voorbeeld: je koopt een ets in de winkel > jij hebt plicht te betalen, winkel heeft plicht de
ets te leveren / jij krijgt recht op de ets, winkel krijgt recht op jouw betaling.
Vrijblijvend aanbod Art. 6:219 lid 2 BW = als aanbod de medeleding “vrijblijvend” bevat, bestaat
een ruime herroepingsmogelijkheid. Dit kan zelfs nog onverwijld na de aanvaarding gedaan
worden. = herroepelijk aanbod met een verzwakte werking.
Uitloving Art. 6:220 BW = prijzen uitloven bij een wedstrijd / beloning bij terugbrengen van een
verloren zaak.
- Uitloving voor onbepaalde tijd is een gewoon herroepelijk aanbod
- Uitloving voor bepaalde tijd is een onherroepelijk aanbod. Het bijzondere karakter van een
uitloving brengt echter met zich mee, dat het aanbod wegens gewichtige redenen kan worden
herroepen of gewijzigd. In dat geval kan de rechter een billijke schadeloosstelling toekennen
aan iemand die op grond van de uitloving reeds met de voorbereiding van een gevraagde
prestatie is begonnen.
De aanvaarding van een aanbid us een eenzijdige gerichte rechtshandeling, zij geschiedt in
beginsel vormvrij, haar inhoud wordt bepaald door de wilsvertrouwensleer. Om de
overeenkomst tot stand te laten komen, moet de aanvaarding aan twee eisen voldoen:
fi
fi fi