Inhoudsopgave
Blok 1: algemeen ............................................................................................................................................ 2
Blok 2: migranten en grensarbeiders ............................................................................................................... 5
Blok 3: detachering ......................................................................................................................................... 8
Blok 4: werken in meerdere landen ............................................................................................................... 11
Blok 5: Richtlijn 2020/1057 – detachering in wegtransport ............................................................................ 15
1
,Blok 1: algemeen
Algemeen
Binnen de EU bestaan drie belangrijke toegangsporten voor vrije insta-EU arbeidsmobiliteit:
- Vrij verkeer van werknemers (ar/kel 45 VWEU).
Koninklijke route: gaat uit van het arbeids- en sociale zekerheidsrecht van het werkland.
Centraal ligt het verbod op discrimina@e (art. 45 lid 2 VWEU).
o Art. 7 Vo 492/11
o Art. 8 en 9 Rome I Vo
o Art. 11 lid 3 sub a Vo 883/04
- De vrijheid van dienstverlening (ar/kel 56 VWEU).
Vooral van belang bij detachering en werken in meerdere lidstaten.
o Detacheringsrichtlijn
o Handhavingsrichtlijn
o Art. 12 en 13 Vo 883/04
- De vrijheid van ves/ging (ar/kel 49 VWEU).
Tradi@oneel gezien voor grote ondernemingen, maar afgelopen 10-15 jaar ook ontdekt door
(schijn)zelfstandigen zonder personeel (= zzp’ers) en ‘brievenbusbedrijven’.
o Richtlijn 2006/123/EC
o Art. 4 lid 2 Handhavingsrichtlijn 2014/67
Toepasselijk recht
Rome I Vo bepaalt welk na@onaal recht van toepassing is op contractuele verbintenissen in
grensoverschrijdende situa@es. Rome I Vo is van toepassing als:
- Materieel: Er is sprake van een interna@onale arbeidsovereenkomst (art. 1 lid 1 Rome I).
- Formeel: Het geschil komt voor de rechter van een lidstaat waar Rome I geldt (art. 2 Rome I).
- Temporeel: Overeenkomsten gesloten vanaf 17 december 2009 (art. 28 Rome I).
Rechtskeuze
- Ar/kel 3 Rome I Vo: De hoofdregel is dat par@jen vrij zijn in hun rechtskeuze. Dit kan
uitdrukkelijk zijn opgenomen in de overeenkomst maar ook s@lzwijgend door bijvoorbeeld de
cao of een uitbetaling in muntsoort.
- Ar/kel 8 lid 1 Rome I Vo: Maar deze keuze mag de werknemer niet de bescherming
ontnemen waarop hij recht zou hebben gehad onder het objec@eve toepasselijke recht à =
guns7gheidsbeginsel:
o HvJ EU Gruber Logis/cs: er was een rechtskeuze voor Roemeens recht maar de
werknemers wilden het minimumloon van Duitsland en Italië omdat zij daar feitelijk
werkten. De rechter stelde drie vragen aan het Hof:
1. Hoe verhoudt het gekozen recht zich tot het objec@ef toepasselijk recht?
2. Vallen bepalingen over minimumloon onder dwingend recht in de zin van art.
8 lid 1 Rome I?
3. Is een dwingende rechtskeuze toelaatbaar?
Hof: dwingende bepalingen uit het objec@ef toepasselijk recht kunnen de
rechtskeuze aan de kant schuiven als de werknemer daarmee ruimere bescherming
krijgt. Dit geldt ook voor minimumloon. Ten aanzien van de derde vraag oordeelde
het Hof dat een rechtskeuze vrij moet zijn: een opgelegde rechtskeuze is
onverenigbaar met par@jautonomie. Maar vooraf onderhandelen is hierbij niet
vereist.
Objec7ef toepasselijk recht
2
, Als er geen rechtskeuze is gemaakt, wordt het toepasselijke recht bepaald via art. 8 Rome I Vo:
- Lid 2: het recht van het land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht. Ook als de
werknemer @jdelijk in een ander land werkt.
® Let op: het begrip ‘gewoonlijk werkland’ is zeer ruim. Voor transportmedewerkers of
ander mobiel personeel zijn factoren zoals de thuisbasis, begin- en eindpunt van de
werkzaamheden en stelling van de voertuigen relevant.
- Lid 3: als geen werkland aanwijsbaar is, is het recht van het land van de ves@ging die de
werknemer in dienst hee_ genomen van toepassing.
® Let op: het begrip ‘gewoonlijk werkland’ is zo ruim dat hier al7jd sprake van is. Je
komt dus op het tentamen nooit uit op lid 3.
- Lid 4: bij een nauwere band met een ander land, geldt dat recht.
® Let op: deze correcte kan alleen bij duidelijke aanwijzingen. Criteria zoals waar de
inkomstenbelas7ngen, heffingen, sociale zekerheidsstelsel, ziektekostenverzekering en
het pensioenstelsel plaatsvinden zijn relevante criteria (HvJ Schlecker).
Voorrangsregel en samenloop
Ar@kel 9 Rome I bevat dwingende bepalingen.
- Lid 2: de rechter moet eigen na@onale dwingende bepalingen toepassen.
- Lid 3: de rechter mag bepalingen toepassen van het land waar de arbeid wordt verricht, ook
al is dat niet het toepasselijk recht.
Bevoegde rechter
Hiervoor wordt teruggeworpen op Brussel I-bis Vo.
Hoofdregel: de rechter van de woonplaats van de gedaagde is bevoegd. Deze regeling is van
toepassing op overeenkomsten vanaf 10 januari 2015.
Bij arbeidsgeschillen zijn alterna@eve bevoegdheidsregels van toepassing:
• Art. 22 lid 1: als werknemer de gedaagde is, geldt de hoofdregel en is de rechter van zijn
woonplaats bevoegd.
• Art. 23: een forumkeuze biedt de werkgever zeer beperkte mogelijkheden.
• Art. 21 lid 1 sub b: als de werkgever gedaagde is, kan de werknemer kiezen voor de
bevoegde rechter van:
o Zijn gewoonlijk werkland.
o Het land waar de ves@ging bevindt die hem in dienst hee_ genomen.
Stappenplan
Stap 1 – HeeU de arbeidsovereenkomst een interna/onaal karakter?
• Ja: Rome I is van toepassing.
• Nee: na@onaal recht bepaalt zelf welk recht geldt.
Stap 2 – Is er een rechtskeuze gemaakt (art. 3 & 8 lid 1 Rome I)?
• Ja: Ga naar stap 3.
• Nee: Ga naar stap 5.
Stap 3 – Is de rechtskeuze geldig en toegestaan?
• Ja, maar alleen als deze de werknemer niet beroo_ van guns@ger bescherming uit objec@ef
toepasselijk recht (HvJ EU Gruber Logis/cs).
Stap 4 – Pas het guns/gheidsbeginsel toe
• Per onderwerp (bijv. loon, arbeids@jden, opzegtermijn): vergelijk gekozen recht met
objec@eve recht.
• Toepassen wat het guns/gst is voor de werknemer.
Stap 5 – Bepaal het objec/ef toepasselijke recht (art. 8 lid 2-4 Rome I)
• Lid 2: Gewoonlijk werkland? → dat recht geldt.
3