Werkgroep module 3
Inhoudsopgave
3.1 Anatomie en fysiologie tractus respiratorius in en buiten zwangerschap ....................... 2
3.2 O2 en CO2 transport en zuur-base-evenwicht ............................................................... 13
3.3 Spieren ............................................................................................................................ 23
3.4 Foetale circulatie en placentaire gaswisseling ............................................................... 28
3.5 Op gang komen baring ............................................................................................. 37
3.6 Ontsluiting ................................................................................................................ 46
3.7 Pijn ............................................................................................................................ 54
3.8 De uitdrijving ............................................................................................................ 72
3.9 Placentair en postplacentair tijdperk ....................................................................... 89
3.10 Neonatale circulatie ................................................................................................... 108
3.11 Algemeen lichamelijk onderzoek van de pasgeborene en veel voorkomende
huidafwijkingen .................................................................................................................. 115
3.12 Borstvoeding en veel voorkomende fysiologische problemen ............................... 125
3.13 Bevordering van de fysiologie in het kraambed, neonatale screening en de
preventie van wiegendood ................................................................................................. 136
3.14 Hechting ................................................................................................................. 146
3.15 Seksualiteit postpartum en de nacontrole ............................................................. 155
3.16 Anticonceptie .......................................................................................................... 164
Aantal vragen per werkgroep:
,3.1 Anatomie en fysiologie tractus respiratorius in en buiten zwangerschap
Anatomie tractus respiratorius
Bovenste luchtwegen:
• Cavitas nasi (neusholte)
- Linker- en rechterdeel, wordt gescheiden door het septum nasi
- Bekleed met vaatrijk cilinderepitheel
- 4 neusbijholten → de neusholte staat in verbinding met de neusbijholtes, dit zijn
met lucht gevulde holten die het gewicht van de schedel verminderen.
o Sinus maxillares
o Sinus frontales
o Sinus sphenoïdales
o Sinus ethmoïdales
• Cavitas ori (mondholte)
- Grenzen van de mondholte
o Palatum durum (harde gehemelte)
o Palatum molle (zachte gehemelte)
Lingua (tong)
o
o Spieren mondbodem
o Uvula (huig)
• Farynx (keelholte)
- Nasofarynx: nasale deel, achter neusholte
- Orofarynx: orale deel, achter mondholte
- Laryngofarynx: laryngeale deel, onder orofarynx , achter
larynx, het gaat over in de oesophagus
• Larynx (strottenhoofd)
- Verbindt farynx en trachea
- Ligt ventraal ten opzichte van oesophagus
Bestaat uit:
-
o Os hyoïdeum (tongbeen)
o Kraakbbeenelementen
o Elastische ligamenten
o Membranen
o Strottenhoofdspieren
,Onderste luchtwegen:
• Trachea (luchtpijp)
- C-vormige kraakbeenringen
- Binnenbekleding: cilinderepitheel met trilharen en slijmbekercellen
- Glad spierweefsel → afstelling van de diameter van de trachea
• Pulmones (longen)
- Rechterlong heeft 3 kwabben/lobi en linkerlong 2 kwabben/lobi
- Linker en rechter hoofdbronchus → kleinere bronchie → Bronchioli
→ Alveoli
Naarmate de bronchiën zich splitsen, verandert de structuur:
o Geen kraakbeen meer aanwezig op het niveau van de bronchioli
→ wordt vervangen door glad spierweefsel
o Trilhaarepitheel (cilinderepitheel) wordt vervangen door niet-trillend epitheel
(plaveiselepitheel) en slijmbekercellen verdwijnen.
• Alveoli (longblaasjes)
- Eindstation van de vertakkingen binnen de longen
- Per vertakking zitten de alveoli bij elkaar als een trosje druiven met elk een eigen
wand.
o Dit maakt dat er over een groot oppervlak uitwisseling van zuurstof en
koolstofdioxide kan plaatsvinden → gaswisseling
- De alveoli zijn omgeven door dunne elastische vezels en pulmonaire capillairen.
Type alveolaire cellen
➔ Type 1 alveolaire cel
➔ Type 2 alveolaire cel → produceren surfactant
➔ Zorgt ervoor dat de spanning van het laagje water dat zich aan de
oppervlakte van de alveolus bevindt wordt verlaagd
(oppervlaktespanning).
➔ Macrofagen zijn betrokken bij het filteren van de binnenkomende lucht
Respiratoire membraan → via dit membraan vindt de gaswisseling plaats.
Longpleura (vliezen)
Beide longen zijn omgeven door een vlies dat dubbel geplooid om de longen zit
• Pleura visceralis = het binnenste gedeelte
o Gelegen op het longoppervlak
o Vergroeid met longweefsel
• Pleura pariëtalis = het buitenste gedeelte
o Vergroeid met binnenzijde thorax, oesophagus en pericard
Tussen beide pleura bevindt zich de pleuraholte → gevuld met vocht
• In de pleura holte (negatieve druk) ten opzichte van buitenlucht
o Dankzij dit kunnen de longen tijdens ademhaling bewegen zonder wrijving en
liggen ze uitgeklapt in de thoraxholte.
, Ademhaling en ademhalingsspieren
• Normale inspiratie (ademhaling)
o Aanspannen diafragma → 70% van de inademing
o Aanspannen M. intercostales externi (externe tussenribspieren)
• Normale expiratie (uitademing)
o Ontspannen van diafragma en M. intercostales externi
• Maximale inspiratie
Ook de hulpademhalingsspieren zijn betrokken
o Halsspieren: M. sternocleidomastoideus en M. scaleni (trekken aan sternum)
o Borstspier: M. Pectoralis minor (trekken aan ribben)
• Maximale inspiratie
Ook de hulpademhalingsspieren nodig
o M. intercostales interni (interne tussenribspieren) → trekken ribben naar
beneden en inwaarts
o Buikwandspieren → compressie buikorganen, diafragma meer omhoog
Fysiologie van de tractus respiratorius
Functies van de tractus respiratorius
- Voorziening zuurstof
- Uitscheiding CO2
- Reguleren de pH samen met de nieren
- Geluidvorming door de stembanden → liggen in de larynx
- Bescherming tegen micro-organismen
Route van de ingeademde lucht:
1. Cavitas nasi (neusholte)
In de neusholte wordt de ingeademde lucht opgewarmd
- Door goede doorbloeding van de slijmvliezen
- Hogere temperatuur geeft betere diffusie
De lucht wordt bevochtigd zodat de slijmvliezen niet uitdrogen. De lucht wordt gefilterd
voor schadelijke deeltjes en micro-organismen door slijmvliezen en trilharen.
2. Pharynx (keelholte)
Doorgang voor lucht via neus en mond en doorgang voor voedsel via de mond.
- De ingeademde lucht wordt verder opgewarmd en bevochtigd
Uvula : sluit de neusholte af tijdens het slikken (geen eten in de neusholte)
Epiglottis : sluit de larynx af tijdens het slikken (geen eten in onderste luchtweg)
3. Trachea (luchtpijp)
Zorgt voor het verwijderen van vuildeeltjes uit de luchtwegen
- Ze drijven dit omhoog naar de larynx → daar wordt het doorgeslikt of opgehoest
Constrictie trachea (vernauwen)
o Parasympatisch zenuwstelsel, Acetylcholine op cholinerge receptoren
Dilatatie trachea (verwijden)
o Sympathisch zenuwstelsel, Noradrenaline op B2-adrenerge receptoren
4. Onderste luchtwegen
Uitvoeringszone : Hier wordt de binnenkomende lucht gefilterd, opgewarmd en
verzadigd met waterdamp. Loopt vanaf de trachea -> terminale bronchioli.
Respiratoire zone : Hier vindt de gaswisseling plaatst.
Inhoudsopgave
3.1 Anatomie en fysiologie tractus respiratorius in en buiten zwangerschap ....................... 2
3.2 O2 en CO2 transport en zuur-base-evenwicht ............................................................... 13
3.3 Spieren ............................................................................................................................ 23
3.4 Foetale circulatie en placentaire gaswisseling ............................................................... 28
3.5 Op gang komen baring ............................................................................................. 37
3.6 Ontsluiting ................................................................................................................ 46
3.7 Pijn ............................................................................................................................ 54
3.8 De uitdrijving ............................................................................................................ 72
3.9 Placentair en postplacentair tijdperk ....................................................................... 89
3.10 Neonatale circulatie ................................................................................................... 108
3.11 Algemeen lichamelijk onderzoek van de pasgeborene en veel voorkomende
huidafwijkingen .................................................................................................................. 115
3.12 Borstvoeding en veel voorkomende fysiologische problemen ............................... 125
3.13 Bevordering van de fysiologie in het kraambed, neonatale screening en de
preventie van wiegendood ................................................................................................. 136
3.14 Hechting ................................................................................................................. 146
3.15 Seksualiteit postpartum en de nacontrole ............................................................. 155
3.16 Anticonceptie .......................................................................................................... 164
Aantal vragen per werkgroep:
,3.1 Anatomie en fysiologie tractus respiratorius in en buiten zwangerschap
Anatomie tractus respiratorius
Bovenste luchtwegen:
• Cavitas nasi (neusholte)
- Linker- en rechterdeel, wordt gescheiden door het septum nasi
- Bekleed met vaatrijk cilinderepitheel
- 4 neusbijholten → de neusholte staat in verbinding met de neusbijholtes, dit zijn
met lucht gevulde holten die het gewicht van de schedel verminderen.
o Sinus maxillares
o Sinus frontales
o Sinus sphenoïdales
o Sinus ethmoïdales
• Cavitas ori (mondholte)
- Grenzen van de mondholte
o Palatum durum (harde gehemelte)
o Palatum molle (zachte gehemelte)
Lingua (tong)
o
o Spieren mondbodem
o Uvula (huig)
• Farynx (keelholte)
- Nasofarynx: nasale deel, achter neusholte
- Orofarynx: orale deel, achter mondholte
- Laryngofarynx: laryngeale deel, onder orofarynx , achter
larynx, het gaat over in de oesophagus
• Larynx (strottenhoofd)
- Verbindt farynx en trachea
- Ligt ventraal ten opzichte van oesophagus
Bestaat uit:
-
o Os hyoïdeum (tongbeen)
o Kraakbbeenelementen
o Elastische ligamenten
o Membranen
o Strottenhoofdspieren
,Onderste luchtwegen:
• Trachea (luchtpijp)
- C-vormige kraakbeenringen
- Binnenbekleding: cilinderepitheel met trilharen en slijmbekercellen
- Glad spierweefsel → afstelling van de diameter van de trachea
• Pulmones (longen)
- Rechterlong heeft 3 kwabben/lobi en linkerlong 2 kwabben/lobi
- Linker en rechter hoofdbronchus → kleinere bronchie → Bronchioli
→ Alveoli
Naarmate de bronchiën zich splitsen, verandert de structuur:
o Geen kraakbeen meer aanwezig op het niveau van de bronchioli
→ wordt vervangen door glad spierweefsel
o Trilhaarepitheel (cilinderepitheel) wordt vervangen door niet-trillend epitheel
(plaveiselepitheel) en slijmbekercellen verdwijnen.
• Alveoli (longblaasjes)
- Eindstation van de vertakkingen binnen de longen
- Per vertakking zitten de alveoli bij elkaar als een trosje druiven met elk een eigen
wand.
o Dit maakt dat er over een groot oppervlak uitwisseling van zuurstof en
koolstofdioxide kan plaatsvinden → gaswisseling
- De alveoli zijn omgeven door dunne elastische vezels en pulmonaire capillairen.
Type alveolaire cellen
➔ Type 1 alveolaire cel
➔ Type 2 alveolaire cel → produceren surfactant
➔ Zorgt ervoor dat de spanning van het laagje water dat zich aan de
oppervlakte van de alveolus bevindt wordt verlaagd
(oppervlaktespanning).
➔ Macrofagen zijn betrokken bij het filteren van de binnenkomende lucht
Respiratoire membraan → via dit membraan vindt de gaswisseling plaats.
Longpleura (vliezen)
Beide longen zijn omgeven door een vlies dat dubbel geplooid om de longen zit
• Pleura visceralis = het binnenste gedeelte
o Gelegen op het longoppervlak
o Vergroeid met longweefsel
• Pleura pariëtalis = het buitenste gedeelte
o Vergroeid met binnenzijde thorax, oesophagus en pericard
Tussen beide pleura bevindt zich de pleuraholte → gevuld met vocht
• In de pleura holte (negatieve druk) ten opzichte van buitenlucht
o Dankzij dit kunnen de longen tijdens ademhaling bewegen zonder wrijving en
liggen ze uitgeklapt in de thoraxholte.
, Ademhaling en ademhalingsspieren
• Normale inspiratie (ademhaling)
o Aanspannen diafragma → 70% van de inademing
o Aanspannen M. intercostales externi (externe tussenribspieren)
• Normale expiratie (uitademing)
o Ontspannen van diafragma en M. intercostales externi
• Maximale inspiratie
Ook de hulpademhalingsspieren zijn betrokken
o Halsspieren: M. sternocleidomastoideus en M. scaleni (trekken aan sternum)
o Borstspier: M. Pectoralis minor (trekken aan ribben)
• Maximale inspiratie
Ook de hulpademhalingsspieren nodig
o M. intercostales interni (interne tussenribspieren) → trekken ribben naar
beneden en inwaarts
o Buikwandspieren → compressie buikorganen, diafragma meer omhoog
Fysiologie van de tractus respiratorius
Functies van de tractus respiratorius
- Voorziening zuurstof
- Uitscheiding CO2
- Reguleren de pH samen met de nieren
- Geluidvorming door de stembanden → liggen in de larynx
- Bescherming tegen micro-organismen
Route van de ingeademde lucht:
1. Cavitas nasi (neusholte)
In de neusholte wordt de ingeademde lucht opgewarmd
- Door goede doorbloeding van de slijmvliezen
- Hogere temperatuur geeft betere diffusie
De lucht wordt bevochtigd zodat de slijmvliezen niet uitdrogen. De lucht wordt gefilterd
voor schadelijke deeltjes en micro-organismen door slijmvliezen en trilharen.
2. Pharynx (keelholte)
Doorgang voor lucht via neus en mond en doorgang voor voedsel via de mond.
- De ingeademde lucht wordt verder opgewarmd en bevochtigd
Uvula : sluit de neusholte af tijdens het slikken (geen eten in de neusholte)
Epiglottis : sluit de larynx af tijdens het slikken (geen eten in onderste luchtweg)
3. Trachea (luchtpijp)
Zorgt voor het verwijderen van vuildeeltjes uit de luchtwegen
- Ze drijven dit omhoog naar de larynx → daar wordt het doorgeslikt of opgehoest
Constrictie trachea (vernauwen)
o Parasympatisch zenuwstelsel, Acetylcholine op cholinerge receptoren
Dilatatie trachea (verwijden)
o Sympathisch zenuwstelsel, Noradrenaline op B2-adrenerge receptoren
4. Onderste luchtwegen
Uitvoeringszone : Hier wordt de binnenkomende lucht gefilterd, opgewarmd en
verzadigd met waterdamp. Loopt vanaf de trachea -> terminale bronchioli.
Respiratoire zone : Hier vindt de gaswisseling plaatst.