Hoofdstuk 1
1.1
De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk en
strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot
regeling van bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten (art. 107 Gw)
Dit heeft geresulteerd in het Wetboek van Stafrecht en het Wetboek van
Strafvordering
Het materiële strafrecht = regelt in welke gevallen een persoon vanwege
de staat kan worden gestraft en welke sancties dan mogen worden
opgelegd; tot het materiele strafrecht behoren dan in elk geval de
verbodsbepalingen en de strafbedreigingen
Het formele strafrecht = heeft betrekking op de wijze waarop in een
concreet geval moet worden vastgesteld of de strafwet is overtreden en of
een bepaald persoon dan dient te worden gestraft
Bij het formele strafrecht gaat het in bijzonder om de te volgen
procedure, de bevoegdheden van de bij de strafrechtspleging
betrokken overheidsorganen en om de rechten van de verdachte
Het ne bis in idem-beginsel, wat inhoudt dat iemand niet twee keer voor
hetzelfde feit mag worden vervolgd, vloeit voort uit zowel art. 68 Sr als art.
255 SV
Het recht met betrekking tot de tenuitvoerlegging van opgelegde
straffen en maatregelen is verdeeld over beide wetboeken, maar er is
ook een nader uitgewerkte regeling, namelijk de Penitentiaire
beginselenwet
Krachtes art. 107 Gw mag de formele wetgever ook bepaalde
onderwerpen in afzonderlijke (bijzondere) wetten regelen
Enkele wetten zijn:
De Opiumwet
De Wet Wapens en Munitie
Wegenverkeerswet 1994
Misdrijven mogen alleen worden geformuleerd in wetten in formele
zin, terwijl overtredingen ook door lagere wetgevers mogen worden
geformuleerd
Echter, de wet in formele zin vormt de basis voor regelingen van
lagere orde waarin overtredingen zijn opgenomen
De wet bepaalt de op te leggen straffen (art. 89 lid 2 Gw)
,Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven
krachtens de wet. Dergelijke voorschriften mogen dus worden gegeven
mits deze door de formele wetgever is gedelegeerd aan de Kroon (art. 89
lid 2 Gw)
1.2
Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane
wettelijke strafbepaling (art. 16 Gw)
Bestraffing op grond van gewoonterecht wordt dus uitgesloten,
omdat er uitdrukkelijk en louter een wettelijke strafbepaling vereist is
Op de wet gebaseerd strafbaarheid mag wel op grond van ongeschreven
recht worden ingeperkt ( beginsel van geen straf zonder schuld)
Ook internationale verdragen vormen een belangrijke rechtsbron voor het
Nederlandse strafrecht
Hierbij kan men denken aan:
De rechtstreeks werkende mensenrechtenverdragen
o Het EVRM en het IVBPR
o Art. 7 EVRM en art. 15 IVBRP bevatten de internationale versie
van het nulla poena-beginsel
Verdragen die Nederland verplichten tot het strafbaar
stellen van bepaalde feiten
o De overeengekomen delictsomschrijvingen moeten door de
wetgever in de nationale wetgeving worden geïncorporeerd
(dit is iets anders dan richtlijnen)
Verdragen waarbij Nederland een deel van zijn
strafrechtelijke autonomie prijsgeeft
o Dit wordt ook wel supranationaal strafrecht genoemd
o De Herziene Rijnvaartakte
Op vele terreinen beïnvloedt het Unierecht het nationale strafrecht
Wat betreft het materiele strafrecht heeft de EU de bevoegdheid bij
richtlijnen “minimumvoorschriften” vast te stellen betreffende de
bepaling van strafbare feiten en sancties op een breed terrein van
criminaliteit
Nederland moet er dus voor zorgen dat de strafwetgeving aan de in
deze richtlijnen opgenomen voorschriften voldoet
Positieve invloed nationale wetgeving moet voldoen aan EU-wetgeving
Negatieve invloed nationale wetgeving, dus ook strafwetgeving, mag
geen inbreuk maken op de vrije verkeersrechten
De nationale rechter toetst nationale wetgeving aan EU-recht en laat in
geval van strijd de nationale wetgeving buiten toepassing (art. 94 Gw)
,Niet al het internationale recht heeft een verdragsrechtelijke basis,
want er zijn ook ongeschreven regels en beginselen van het
volkenrecht
1.3
Het strafrecht heeft dus een algemeen deel en een bijzonder deel (de
bijzondere wetten)
Misdrijven bevinden zich in Boek 2 Sr, terwijl overtredingen zich bevinden
in Boek 3 Sr
De plaatsing van het strafbare feit (in het tweede of in het derde
boek) is dus beslissend voor de vraag of men met een misdrijf of
overtreding te doen heeft
Het merendeel van de misdrijven wordt gevormd door de klassieke of
commune misdrijven
Klassieke misdrijven = commune misdrijven; overtreding van normen die
hecht verankerd zijn in de positieve moraal, zoals: moord, doodslag,
verkrachting, mishandeling, vrijheidsberoving, diefstal en oplichting
Het Wetboek van Strafrecht bevat geen verbodsbepalingen, maar
delictsomschrijvingen
Delictsomschrijving = er worden feiten (gedragingen) omschreven die tot
bestraffing aanleiding kunnen geven
In die strafbaarstelling ligt impliciet besloten dat het gedrag verboden
(wederrechtelijk) is
In de bijzondere wetten treft men juist wél verbodsbepalingen
Bij bijzondere wetten zijn de verbods- of gebodsbepalingen gescheiden
van de strafbepaling
De bepalingen van de Titels I-VIII A van dit Boek zijn ook toepasselijk op
feiten waarop bij andere wetten of verordeningen straf is gesteld, tenzij de
wet anders bepaalt (art. 91 Sr)
Op grond van dit artikel vinden dus de bepalingen van het Eerste Boek ook
toepassing ten aanzien van strafbare feiten die niet in het wetboek zelf
zijn opgenomen
Voorbeeld: bij overtreding van de Opiumwet mag een beroep worden
gedaan op overmacht, wat geregeld is in art. 40 Sr
Echter kan de bijzondere wetgever anders bepalen (“tenzij de wet
(wifz) anders bepaalt”)
De lagere regelgevers mogen dus geen regels geven die met de regels
van Boek 1 in strijd zijn
, Art. 91 Sr zondert titel IX van Boek 1 van de algemene toepassing uit,
dus kan de bijzondere wetgever zich hierop niet beroepen en kunnen
lagere regelgevers hiervan afwijken
Hoofdstuk 2
2.1
Strafrechtelijke sancties kunnen worden onderscheiden in:
Straffen
o Primair doel is het toebrengen van leed