,
, Week 1 – Functies van het bestuursrecht
Definitie en functies van het bestuursrecht
Het bestuursrecht is het geheel van publiekrechtelijke regels dat betrekking heeft op de organisatie,
bevoegdheden en taakuitoefening van bestuursorganen én op de rechtsbescherming van burgers en
andere belanghebbenden tegen overheidshandelen. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) vormt
daarbij het centrale algemene kader. De Awb bevat onder meer regels over bestuursorganen,
besluiten, procedures, handhaving, bezwaar, beroep en klachtbehandeling. De actuele Awb-versie
geldt in 2026 vanaf 1 januari 2026; daarnaast zijn toekomstige wijzigingen voorzien.
Het bestuursrecht vervult traditioneel drie nauw samenhangende functies:
1. Instrumentele functie
Het bestuursrecht geeft de overheid de juridische instrumenten om publieke belangen te behartigen
en wettelijke taken uit te voeren. Bestuursorganen kunnen bijvoorbeeld vergunningen verlenen,
subsidies verstrekken, toezicht houden, handhavend optreden of uitkeringen toekennen.
De overheid mag deze bevoegdheden echter uitsluitend uitoefenen wanneer daarvoor een
wettelijke grondslag bestaat. Dit hangt samen met het legaliteitsbeginsel en het uitgangspunt dat
overheidsbevoegdheden niet onbeperkt zijn.
2. Normerende functie
Het bestuursrecht stelt grenzen aan de wijze waarop bestuursorganen hun bevoegdheden
uitoefenen. Het gaat daarbij zowel om geschreven wettelijke normen als om algemene beginselen
van behoorlijk bestuur.
Belangrijke bepalingen zijn onder meer:
art. 3:2 Awb – zorgvuldigheidsbeginsel: het bestuursorgaan moet de nodige kennis vergaren
over de relevante feiten en de af te wegen belangen;
art. 3:3 Awb – verbod van détournement de pouvoir: een bevoegdheid mag niet worden
gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend;
art. 3:4 Awb – belangenafweging en evenredigheid;
art. 3:46 Awb – een besluit moet deugdelijk worden gemotiveerd;
art. 3:47 Awb – de motivering wordt in beginsel bij de bekendmaking van het besluit
vermeld.
Bij de toepassing van het evenredigheidsbeginsel moet het bestuursorgaan beoordelen of de
gevolgen van een besluit in een redelijke verhouding staan tot de daarmee te dienen doelen. Het
gaat dus niet uitsluitend om de vraag óf een bevoegdheid bestaat, maar ook om de vraag hoe die
bevoegdheid rechtmatig wordt uitgeoefend.