Klas: Vwo 5
Stof: Hoofdstuk 4 & Geofysica
, Hoofdstuk 4: Eigenschappen van stoffen en materialen
4.1 Het molecuulmodel
Chemische en fysische eigenschappen
Chemische eigenschappen hangen samen met processen waarbij nieuwe stoffen ontstaan.
Denk hierbij aan verbranden, roesten, reacties met zuren en basen. Fysische eigenschappen
gaan over processen waarbij materialen wel veranderen maar geen nieuwe stoffen ontstaan.
Zoals het smelten van ijs.
Temperatuur en warmte
Als een stof van temperatuur verandert kan je zeggen dat het energie uitwisselt. Die
uitgewisselde energie noem je warmte. Het symbool van warmte is Q met als eenheid J
(joule). Warmte verplaatst zich spontaan van plaatsen met een hoge temperatuur naar
plaatsen met een lage temperatuur.
Molecuulmodel
Het molecuulmodel bestaat uit een aantal ideeën:
Stoffen bestaan uit kleine deeltjes, de moleculen.
Tussen de moleculen zit ruimte.
In een stof bewegen de moleculen voortdurend.
Moleculen trekken elkaar aan.
Om stoffen te verwarmen moet je energie toevoeren. Daardoor neemt de energie in de stof
toe. Je kunt deze energie verdelen in twee soorten.
De bewegende moleculen hebben bewegingsenergie of kinetische energie. Hoe
groter de snelheid van een molecuul, des te groter is de kinetische energie van het
molecuul. De gemiddelde kinetische energie van de moleculen van een stof is een
maat voor de temperatuur van de stof.
De meeste stoffen zetten uit als je ze verwarmt. Het kost dus energie om de afstand
tussen de moleculen te vergroten. Deze energie het potentiële energie.
De som van de kinetische energie en de potentiële energie noem je de inwendige energie.
Fasen van een stof
Een stof kan voorkomen in de vaste fase, de vloeibare fase en de gasvormige fase.