,Oefentoets 54 veel voorkomende tentamenvragen en antwoorden
15 open vragen
Hoofdstuk 1 – Ontwikkeling en de pedagogisch professional
1. Leg uit wat ontwikkelingspsychologie onderzoekt en waarom kennis hiervan belangrijk is
voor een pedagogisch professional.
2. Beschrijf welke verschillende ontwikkelingsgebieden bij kinderen worden onderscheiden en
leg uit waarom deze gebieden niet los van elkaar kunnen worden gezien.
3. Leg uit wat het verschil is tussen observeren en interpreteren. Waarom is het belangrijk dat
een pedagogisch professional deze twee activiteiten van elkaar onderscheidt?
4. Een kind laat in de groep gedrag zien dat afwijkt van wat je gewend bent. Beschrijf hoe je als
pedagogisch professional doelgericht en zorgvuldig zou kunnen observeren voordat je
conclusies trekt.
5. Leg uit op welke manier de omgeving invloed kan hebben op de ontwikkeling van een kind.
Betrek hierbij zowel de directe omgeving van het kind als de interactie met volwassenen en
andere kinderen.
Hoofdstuk 2 – Ontwikkeling van baby tot schoolkind
6. Beschrijf de belangrijkste kenmerken van de ontwikkeling van een baby en peuter op
lichamelijk, cognitief en sociaal-emotioneel gebied.
7. Leg uit waarom de eerste levensjaren van een kind belangrijk zijn voor de verdere
ontwikkeling. Geef daarbij voorbeelden van factoren die deze ontwikkeling kunnen
stimuleren.
8. Beschrijf hoe de cognitieve ontwikkeling van jonge kinderen verandert naarmate zij ouder
worden. Leg uit welke gevolgen dit heeft voor de manier waarop volwassenen met kinderen
communiceren en leren.
9. Leg uit wat de rol van hechting is in de sociaal-emotionele ontwikkeling van een kind. Wat
kan een pedagogisch professional doen om een veilige basis te ondersteunen?
10. Een kleuter heeft moeite met samenspelen en reageert regelmatig boos wanneer andere
kinderen niet doen wat hij wil. Analyseer mogelijke ontwikkelingsaspecten die hierbij een rol
kunnen spelen en beschrijf hoe een professional hiermee pedagogisch kan omgaan.
Hoofdstuk 3 – Ontwikkeling, leren en professioneel handelen
11. Leg uit waarom ontwikkeling bij kinderen niet bij ieder kind op precies dezelfde manier en
hetzelfde moment verloopt. Welke betekenis heeft dit voor het handelen van een leraar of
pedagogisch professional?
12. Beschrijf hoe lichamelijke, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling elkaar kunnen
beïnvloeden. Geef een concreet voorbeeld uit de onderwijs- of kinderopvangpraktijk.
, 13. Een kind presteert op school minder goed dan de leerkracht op basis van eerdere observaties
verwacht. Beschrijf welke factoren je zou onderzoeken voordat je concludeert dat het kind
een leerprobleem heeft.
14. Leg uit waarom het belangrijk is om als pedagogisch professional niet alleen naar het gedrag
van een kind te kijken, maar ook naar de omstandigheden waarin dat gedrag ontstaat.
15. Beschrijf hoe kennis van ontwikkelingspsychologie kan bijdragen aan het afstemmen van
begeleiding en onderwijs op de individuele behoeften van een kind.