Leereenheid 0: Voorkennis
0.1 Inleiding
Bronnen
Literatuur
● A/V, hoofdstukken I, II (par. 1–3), III, IV, XI.
Arresten
1. C-300/89 Titaandioxide, ECLI:EU:C:1991:2
2. C-376/98 Tabaksreclame, ECLI:EU:C:2000:544
3. C-26/62 Van Gend en Loos, ECLI:C:1963:1
4. C-6/64 Costa/ENEL, ECLI:EU:C:1964:66
5. C-129/96 Inter-Environment, ECLI:EU:C:1997:628
● Belangrijk uitgangspunt: de EU is een eigen rechtsorde met eigen
rechtsbronnen, beginselen en besluitvormingsprocedures.
Onderwerpen leereenheid 0
● Europese integratie: primair en secundair recht.
● Institutionele actoren en besluitvormingsprocedures.
● Rechtsbeginselen.
● Doorwerking: voorrang en rechtstreekse werking.
0.2 Europese integratie: primair en secundair recht
Bronnen
● A/V, hoofdstuk I (secundair recht).
Kernbegrippen
● Europese integratie
● Primair recht
● Secundair recht
Europese integratie
● Ontstaan na WOII, doel: duurzame vrede en beperking Duitse macht.
● Marshallplan koppelde hulp aan Europese samenwerking.
● Belangrijke stappen: Schumanplan (1950) → EGKS → EEG en Euratom →
interne markt als kern.
, ● Kenmerkend: supranationale structuur (Hoge Autoriteit boven lidstaten, breuk
met klassiek intergouvernementeel model zoals Raad van Europa, 1949).
● Start met 6 oprichters (FR, DE, IT, BE, NL, LU). Nu 27 lidstaten (VK uitgetreden in
2020).
Primair recht
● Juridisch fundament van de EU.
● Tot primair recht behoren:
o Het Verdrag betreffende de Europese Unie - VEU – institutionele en
ideologische basis (instellingen, toetreding, waarden, buitenlands beleid).
o Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie - VWEU –
concreet dagelijks beleid (interne markt, landbouw, milieu, mededinging,
sociale zaken, bevoegdheden).
o Handvest van de Grondrechten – fundamentele rechten (waardigheid,
privacy, non-discriminatie, sociale rechten). Sinds Verdrag van Lissabon
(2009) gelijke juridische waarde als VEU/VWEU (art. 6 lid 1 VEU).
● Functie: legt bevoegdheden, doelstellingen en grondrechten van de EU vast.
Secundair recht
● Afgeleid van primair recht; vastgesteld door EP, Raad en Commissie.
● Bronnen: art. 288 VWEU.
● Rechtsinstrumenten:
o Verordeningen → direct bindend en toepasselijk in lidstaten (bv. AVG
2016/679).
o Richtlijnen → moeten worden omgezet in nationale wetgeving (bv.
Arbeidstijdenrichtlijn 2003/88/EG, Consumentenrichtlijn 2011/83/EU).
o Besluiten → bindend voor specifieke adressaten (bv. Google-boete 2017).
o Aanbevelingen en adviezen → niet-bindend, wel richtinggevend.
● Let op: secundair recht staat meestal niet in de collegebundel, omdat het buiten
nationaal wetgevingsproces tot stand komt.
0.3 Institutionele actoren en besluitvorming
Bronnen
Literatuur
● A/V, hoofdstuk IV (besluitvormingsprocedures).
Kernbegrippen
● Instellingen, organen en instanties
● Europees Parlement (EP)
● Europese Raad
● Raad van Ministers
● Europese Commissie (EC)
● Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU)
● Gewone wetgevingsprocedure
, ● Bijzondere wetgevingsprocedure
Institutioneel kader
● Instellingen (art. 13 lid 1 VEU): EP, Europese Raad, Raad van Ministers, EC,
HvJEU, ECB, Rekenkamer.
● Organen/instanties: o.a. Ombudsman, adviesorganen.
● Agentschappen: EMA, EEA, Frontex, Europol → ondersteunen uitvoering.
● Bevoegdheden gebaseerd op attributiebeginsel en loyale samenwerking (art.
13 lid 2 VEU).
● Verdrag van Lissabon (2007) versterkte rol instellingen en maakte Handvest
bindend.
Instellingen in detail
● Europees Parlement: vertegenwoordigt burgers, gekozen leden; wetgeving en
begroting samen met Raad; geen initiatiefrecht.
● Europese Raad: koersbepalend, bestaat uit staatshoofden/regeringsleiders,
Commissievoorzitter, vaste voorzitter (2025: António Costa). Geen wetgevende
rol.
● Raad van Ministers: vertegenwoordigt regeringen; belangrijkste wetgever samen
met EP; beleidsrol in o.a. GBVB; samenstelling per beleidsterrein.
● Europese Commissie: behartigt algemeen belang, onafhankelijk; dagelijks
bestuur; politiek verantwoordelijk tegenover EP; voorzitter (2025: Ursula von der
Leyen); externe vertegenwoordiging (behalve GBVB).
● HvJEU: bestaat uit Hof van Justitie en Gerecht; rechtsbescherming; nationale
rechters via prejudiciële vragen verbonden; bevoegdheden art. 258 e.v. VWEU.
Besluitvormingsprocedures
● Gewone wetgevingsprocedure (art. 294 VWEU): Parlement en Raad
gelijkwaardige medewetgevers op voorstel Commissie.
● Bijzondere procedures (art. 289 lid 2 VWEU): bijv. GBVB, belastingen, sociaal
beleid; Raad heeft primair gezag, rol EP beperkt.
0.4 Rechtsbeginselen
Bronnen
Literatuur
● A/V, hoofdstuk II, par. 1, 2, 3.1
Arresten
● C-300/89 Titaandioxide, ECLI:EU:C:1991:2
● C-376/98 Tabaksreclame, ECLI:EU:C:2000:544
Kernbegrippen
, ● Algemene rechtsbeginselen
● Constitutieve beginselen
● Attributie
● Subsidiariteit
● Evenredigheid
● Grondbeginselen
● Waardebeginselen
● Exclusieve, gedeelde en ondersteunende bevoegdheden
Algemene rechtsbeginselen
● Creëren normatieve continuïteit in EU-rechtsorde.
● Leggen grenzen aan EU-optreden t.o.v. lidstaten, individuen, derde landen.
● Dienen als toetssteen voor legitimiteit.
● Indeling volgens Ambtenbrink & Vedder:
o Constitutieve beginselen → definiëren EU als juridische actor (attributie,
subsidiariteit, evenredigheid).
o Grondbeginselen → verhouding Unie ↔ lidstaten/burgers (loyale
samenwerking, voorrang, rechtstreekse werking).
o Waardebeginselen → fundamentele waarden (non-discriminatie, gelijkheid).
Constitutieve beginselen
● Attributiebeginsel (art. 5 VEU): EU heeft alleen bevoegdheden die in de verdragen
zijn toegekend.
1. Beleidsterreinen die niet voorkomen in de verdragen kunnen ook geen voorwerp van
bindende besluitvorming door de Europese instellingen zijn;
2. Bevoegdheden moeten worden uitgeoefend met het oog op de vermelde
doelstellingen en de van toepassing zijnde rechtsbasis;
3. Gebruik moet worden gemaakt van de voorgeschreven rechtsinstrumenten;
4. Gebruik moet worden gemaakt van de voorgeschreven besluitvormingsprocedure.
● Verdeling bevoegdheden (art. 3–6 VWEU):
o Exclusief: alleen EU (douane-unie, mededingingsregels interne markt,
monetair beleid eurozone).
o Gedeeld: EU en lidstaten, lidstaten alleen als EU niet optreedt (milieu,
consumentenbescherming, energie).
o Ondersteunend: EU vult nationaal beleid aan, zonder harmonisatie
(onderwijs, jeugd, sport, industrie, cultuur).
● Subsidiariteit (art. 5 VEU): EU treedt alleen op als doelstellingen niet voldoende
door lidstaten kunnen worden bereikt en EU-optreden effectiever is.
● Evenredigheid (art. 5 VEU): EU-optreden mag niet verder gaan dan noodzakelijk
voor verdragsdoelen.
Kort samengevat
Bij elk EU-optreden moet men vragen:
1. Attributie – Heeft de EU een bevoegdheid?
2. Subsidiariteit – Moet de EU gebruikmaken van deze bevoegdheid?