J.L. van de Streek & S.A.W.J. Strik
1
,Inhoudsopgave
Belastingplicht....................................................................................................................................... 3
Onttrekkingen en ondernemingskosten..................................................................................................... 6
Renteaftrekbeperking: art. 10a ............................................................................................................... 8
Deelnemingsvrijstelling ........................................................................................................................ 10
Bedrijfsfusie ........................................................................................................................................ 18
Splitsing ............................................................................................................................................. 21
Juridische fusie.................................................................................................................................... 25
Fiscale eenheid .................................................................................................................................... 27
Verliesverrekening ............................................................................................................................... 34
Voorlopige aanslagen en voorheffingen .................................................................................................. 36
Fiscale beleggingsinstelling ................................................................................................................... 37
Vrijgestelde beleggingsinstelling ............................................................................................................ 38
2
, Belastingplicht
1.0.1 De subjectieve belastingplicht
De Vpb wordt volgens art. 1 geheven van de in art. 2 en 3 vermelde lichamen
Functie van Vpb; het treffen van ondernemingswinsten die als zodanig niet rechtstreeks in de IB
worden betrokken
De term lichamen fungeert in art. 2 en 3 als de verzamelnaam voor die maatschappelijke entiteiten
waarvan de winst niet rechtstreeks aan individuele deelgerechtigden kan worden toegerekend
De volgende groepen entiteiten worden als lichamen aan de Vpb onderworpen:
o Rechtspersonen
o Rechtsassociaties zonder rechtspersoonlijkheid waarbij de participaties van de individuele
deelgerechtigden volgens bepaalde criteria vrij verhandelbaar zijn
Art. 2:5 BW geeft als gemeenschappelijk kenmerk voor rechtspersonen aan dat zij wat het
vermogensrecht betreft, in beginsel gelijk staan met natuurlijke personen
o Rechtspersonen kunnen eigenaar zijn van vermogen, schuldenaar zijn en aan hen kunnen
vermogensrechten toebehoren
In art. 2 worden de lichamen opgesomd die als binnenlandse belastingplichtigen aan de heffing van
Vpb zijn onderworpen de subjectieve belastingplicht berust op het domiciliebeginsel
o De naar Nederlands recht opgerichte lichamen worden ingevolge art. 2 lid 4 voor de
toepassing van de meeste bepalingen uit de Vpb steeds geacht in Nederland gevestigd te zijn
Art. 3 noemt de niet feitelijk in Nederland gevestigde lichamen die als buitenlandse belastingplichtigen
aan de heffing van Vpb zijn onderworpen omdat zij Nederlands inkomen genieten oorsprongbeginsel
De binnenlandse belastingplicht van een lichaam hangt onder meer af van de vraag of dat lichaam
feitelijk is gevestigd in Nederland moet worden beantwoord aan de hand van art. 4 lid 1 AWR; naar
de omstandigheden
o Een lichaam is fiscaalrechtelijk gevestigd op de plaats waar zich de werkelijke leiding van het
lichaam bevindt die werkelijke leiding bevindt zich op de plaats van het werkelijke bestuur
van het lichaam
Voor de heffing van Vpb wordt de vestigingsplaats van naar Nederlands recht opgerichte lichamen in
beginsel beheerst door een fictie deze fictie geldt voor alle naar Nederlands recht opgerichte
lichamen als zijn bedoeld in art. 2; art. 2 lid 4
De Vpb van binnenlandse belastingplichtigen kent een dubbel aspect; zij is een subjectieve belasting
van lichamen, maar tevens is zij een objectieve heffing van ondernemingen
Subjectieve belastingplicht voor de Vpb ontstaat:
o Zodra een in art. 2 lid 1 onderdelen a t/m d genoemd lichaam in zijn relevante rechtsvorm is
geconstitueerd, dan wel een fonds voor gemene rekening in het leven is geroepen
De oprichting van een rechtspersoon kan ook plaatsvinden in het kader van een
juridische fusie of splitsing
o In bepaalde gevallen van omzetting van de rechtspersoon op de voet van art. 2:18 BW de
betrokken rechtspersoon verandert daarbij de rechtsvorm
o Op het tijdstip waarop een in art. 2 lid 1 onderdeel g bedoeld lichaam haar onderneming
aanvangt, dan wel waarop een direct of indirect overheidsbedrijf wordt aangevangen
o Bij vestiging in Nederland van een naar vreemd recht opgericht lichaam dat voldoet aan de
omschrijving van art. 2
o Bij vestiging van de feitelijke leiding van een lichaam op de BES-eilanden, terwijl het lichaam
geen vestigingsbeschikking heeft ex art. 5.2 Belastingwet BES
o Door het niet langer van toepassing zijn van een subjectieve vrijstelling als bedoeld in art. 5,6
en 6a
De verbreking van een fiscale eenheid heeft geen gevolgen voor de subjectieve belastingplicht van de
desbetreffende lichamen
Subjectieve belastingplicht voor de Vpb eindigt:
o Zodra een in art. 2 lid 1 onderdelen a t/m d bedoeld lichaam, dan wel fonds voor gemene
rekening, wordt ontbonden c.q. zijn vereffening is voltooid
o Door het verdwijnen van een rechtspersoon in het kader van een juridische fusie of door een
zuivere juridische splitsing
o In bepaalde gevallen van omzetting op voet van art. 2:18 BW
o Op het tijdstip waarop een in art. 2 lid 1 onderdeel e bedoeld lichaam zijn onderneming
staakt, dan wel waarop een direct of indirect overheidsbedrijf wordt beëindigd
3