Bowlby, Ainsworth & de vier hechtingsstijlen
Dit document is een origineel geschreven samenvatting bedoeld als ondersteunend studiemateriaal bij het vak
Hechtingstheorie / Ontwikkelingspsychologie (HBO/WO, eerstejaars niveau). De inhoud behandelt de klassieke
hechtingstheorie van Bowlby en Ainsworth en is niet gebaseerd op één specifiek verplicht studieboek. De vier
hechtingsstijlen zijn geverifieerd tegen actuele bronnen.
Inhoud: 1. Wat is hechting — 2. De hechtingstheorie van Bowlby — 3. Drie kernprocessen — 4. Ainsworth en
de vreemdesituatietest — 5. Veilige hechting — 6. Onveilig-vermijdende hechting — 7. Onveilig-ambivalente
hechting — 8. Gedesorganiseerde hechting — 9. Interne werkmodellen — 10. Hechting bij volwassenen — 11.
Begrippenlijst — 12. Oefenvragen
1. Wat is hechting?
Hechting is de emotionele band die een kind ontwikkelt met een of meerdere primaire verzorgers, en
wordt binnen de hechtingstheorie beschouwd als een van de meest basale menselijke behoeften: de
behoefte aan zekerheid en het zich veilig voelen.
De aangeboren behoefte om zich te hechten blijft gedurende het hele leven bestaan, en breidt zich
uit van de vroege ouder-kindrelatie naar het duidelijk kunnen communiceren van behoeften en
gevoelens, en het adequaat kunnen uiten van emoties richting hechtingsfiguren gedurende de gehele
levensloop.
, 2. De hechtingstheorie van Bowlby
John Bowlby ontwikkelde de hechtingstheorie in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw, en
presenteerde deze in de jaren zestig in zijn hechtingstrilogie als een allesomvattend model voor
menselijke relaties.
Bowlby verwierp de psychoanalytische verklaring van Freud, waarin de band tussen kind en moeder
werd gezien als voortkomend uit behoeftebevrediging (de moeder voedt het kind). In plaats daarvan
stelde Bowlby dat hechting een evolutionair noodzakelijke, primaire levensbehoefte is — 'van wieg tot
graf' — en geen teken van afhankelijkheid of regressie, maar een natuurlijke, gezonde functie die ook
in het volwassen leven blijft bestaan.