Samenvatting Internationaal Recht
Module 1 Aard en bronnen van internationaal recht
Wat is internationaal publiekrecht?
Internationaal publiekrecht regelt de uitoefening van publiek gezag in de internationale
gemeenschap. Het kent bevoegdheden toe aan entiteiten die publiek gezag uitoefenen (vooral staten
en internationale organisaties) en biedt een juridisch kader waarbinnen zij deze bevoegdheden
uitoefenen.
Achtergrond en kenmerken van internationaal recht
Wereldwijd van toepassing dus omvangrijk, ook door de vele onderwerpen. Belangrijk om
internationaal afspraken te maken want bijvoorbeeld milieuvervuiling stopt niet bij de grens. Het
internationaal recht heeft deelgebieden met daarin subdeelgebieden. Voorbeeld: mensenrechten is
een deelgebied en daaronder valt internationaal vluchtelingenrecht als subdeelgebied. Internationaal
recht is een systeem dat gebouwd/afhankelijk is op instemming van staten. Er is geen centraal
wetgevend orgaan, geen politie, leger of internationale rechter.
Kernbegrippen van het internationale recht:
Soevereiniteit: Staten voeren zelf het hoogste gezag op eigen grondgebied en zijn niet
afhankelijk van anderen.
Territoriale integriteit: Staten hebben het recht hun grenzen te behouden en te beschermen.
Non-interventie: Staten mogen zich niet bemoeien met interne aangelegenheden van andere
staten.
Soevereine gelijkheid: alle staten zijn in beginsel juridisch gelijk.
Het internationaal publiekrecht regelt de uitoefening van publiek gezag in de internationale
gemeenschap. Het doet dit op drie manieren:
1. Toekenning van bevoegdheden
Het internationaal recht bepaalt welke actoren welke taken mogen uitvoeren:
Staten: zij mogen o.a. grenzen vaststellen, verdragen sluiten en (alleen onder strikte
voorwaarden) oorlog voeren (zoals bij zelfverdediging).
Internationale organisaties (zoals VN, EU, NAVO): zij handelen binnen het mandaat dat
lidstaten hun geven, bijvoorbeeld sancties opleggen, vrede handhaven of
defensiesamenwerking organiseren.
2. Uitoefening van publiek gezag
Staten oefenen gezag uit naar hun eigen bevolking.
Internationale organisaties doen dit namens meerdere staten gezamenlijk, binnen de
bevoegdheden die zij hebben gekregen.
3. Het bieden van een juridisch kader
Staten zijn soeverein, maar niet onbeperkt: agressieoorlogen en ernstige
mensenrechtenschendingen zijn verboden.
Internationale organisaties beschikken uitsluitend over de bevoegdheden die hun zijn
toegekend; zij kunnen niet buiten hun mandaat treden (bijv. NAVO is een
defensieorganisatie, geen economische unie).
Kortom: internationaal publiekrecht bepaalt wie mag handelen (Staten, organisaties) én onder welke
beperkingen. Daarnaast kan de betekenis van het begrip internationaal recht worden ontleed in drie
elementen:
Internationaal: tussen Staten en andere internationale actoren.
Publiek: uitoefening van gezag namens een gemeenschap.
Recht: juridisch bindende regels en beginselen.
,Geschiedenis internationaal recht
Het internationaal recht begon op het moment dat onafhankelijke soevereine staten ontstonden. Het
Verdrag van Westfalen in 1648 wordt gezien als het beginpunt. Dit verdrag maakte een einde aan de
Dertigjarige en Tachtigjarige Oorlog, ruim driehonderd politieke eenheden ontworstelden zich aan
het gezag van het Roomse Rijk en het kerkelijke gezag. In dit verdrag werd afgesproken om het
beginsel van territoriale integriteit te respecteren. Hierdoor ontstonden er soevereine staten die met
elkaar rechtsbetrekkingen aangingen. Inmiddels ziet de wereld er anders uit, zo ook internationaal
recht. Het stelsel is complexer en uitgebreider. De basis is nog wel hetzelfde: een staat is soeverein en
is baas binnen haar eigen grenzen, art. 2 lid 4 VN Verdrag.
Bronnen internationaal recht
Het uitgangspunt is art. 38 lid 1 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof 1945.
Formele bronnen (=bindende wetgeving creëren/definiëren):
Verdragen (afspraken tussen staten/IO’s)
o Bindend voor de partijen die ze hebben aanvaard.
o Voorbeeld: de Verdragen van Genève (1949).
Besluiten van internationale organisaties
o Wanneer organisaties bevoegd zijn om bindende besluiten te nemen, kunnen deze
verplichtingen scheppen.
o Voorbeeld: VN-Veiligheidsraadresolutie 678 (1990).
Internationale gewoonte
o Ontstaat uit consistente staatspraktijk én de overtuiging dat die praktijk juridisch
verplicht is (opinio juris). Twee criteria:
Algemene rechtspraktijk van Staten die omvangrijk en vrijwel uniform is;
Rechtsovertuiging bij Staten dat zij zich ook aan die praktijk dienen te houden
op grond van het internationale recht.
o Voorbeeld: het folterverbod, dat ook bindt zonder verdrag.
Algemene rechtsbeginselen
Vier typen beginselen:
1. Beginselen inherent aan het concept recht;
2. Algemene ideeën over rechtvaardigheid;
3. De beginselen die de nationale rechtsstelsels gemeen hebben;
4. Beginselen die fundamenteel zijn voor de internationale rechtsorde zelf.
Secundaire bron:
Gerechtelijke beslissingen
Wetenschappelijke geschriften van 'publicisten' (academici en andere internationale
juridische experts)
De formele bronnen zijn van gelijk gewicht en er is geen hiërarchie tussen deze rechtsbronnen. Als er
een conflict is tussen deze bronnen, dan dient er gekeken te worden of de verdragen/besluiten zelf
een regel bevatten over hoe dit opgelost dient te worden. Als dat niet het geval is dan gelden de
volgende conflictregels:
de latere regel heeft voorrang boven de eerdere regels (lex posteriori);
bijzondere regels gaan voor algemene regels (lex specialis);
regels van dwingend recht (jus cogens) hebben voorrang.
Internationaal recht in Nederland
Er bestaat een formele scheiding tussen internationale en nationale rechtsorde. Nationale rechtsorde
wat voor rechtsgevolgen de internationale rechtsorde heeft in de nationale rechtsorde. Hierbij kun je
twee systemen onderscheiden:
, Monisme: de internationale en nationale rechtsorde worden gezien als één systeem.
Internationale rechtsgevolgen hebben dus direct gevolg voor de nationale rechtsorde.
Dualisme: de internationale en nationale rechtsorde worden gezien als twee strikt
gescheiden systemen. Hierbij moeten internationale rechtsregels worden omgezet naar
nationale wetgeving om effect te hebben in de nationale rechtsorde.
Nederland zit hier ergens tussenin, ook wel gematigd monistisch genoemd, art. 90 t/m 95 Gw:
Geldigheid, transformatie/omzetting is niet vereist, maar wel bekendmaking art. 93 en 95
Gw.
Rechtstreekse werking: de rechter mag een ieder verbindende bepaling direct toepassen, art.
93 Gw.
Voorrang: nationale wettelijke voorschriften vinden geen toepassing indien zij strijdig zijn met
(een ieder verbindende) bepalingen van internationaal recht, art. 94 Gw.
Belangrijke vraag hierbij is: wanneer is een bepaling een ieder verbindend? De regering kan
hierover een advies geven bij de bekendmaking van de regel. De rechter zal kijken naar de
bedoelingen van de partijen in het verdrag. Rechter neemt hierin het advies van de regering mee,
maar neemt wel een eigen eindoordeel.
PCIJ: Case of the S.S. Lotus (France v. Turkey), PCIJ Rep., Ser. A, No. 10 (1927) (in sourcebook).
ICJ: Legality of the Threat or Use of Nuclear Weapons, [1996] ICJ Rep. 66, paras. 64-87 (in
sourcebook).
ICJ: North Sea Continental Shelf (F.R. Germany v. Denmark; F.R. Germany v. Netherlands), [1969] ICJ
Rep. 3, esp. paras. 60-83 (in sourcebook).
ICJ: Military and Paramilitary Activities in and against Nicaragua (Nicaragua v. United States), Merits,
[1986] ICJ Rep. 14, paras. 175-179 (in sourcebook).
Module 2 Rechtspersoonlijkheid – Staten en internationale organisaties
Rechtssubjecten
Rechtssubjecten zijn de personen of entiteiten die de bekwaamheid bezitten om deel te nemen aan
het rechtsverkeer in de internationale orde. Het duidt dus op de status die het mogelijk maakt om
deel te nemen aan het rechtsverkeer. In het internationale recht zijn de rechtssubjecten:
Staten
Internationale organisaties
De facto-regimes (en bevrijdingsbewegingen)
Individuen
Criteria voor rechtssubjectiviteit
Een entiteit wordt als rechtssubject gezien wanneer zij internationale bevoegdheden, rechten of
plichten heeft.
Effectiviteit
Omdat er geen wereldregering bestaat die regels overal kan afdwingen, kijkt het
internationaal recht vooral naar feitelijke macht en gezag.
o Dit bepaalt bijvoorbeeld welke staten aanspraak kunnen maken op grondgebied en
wie als rechtssubject wordt gezien.
o Feitelijke uitoefening van bestuur en gezag is daarbij een belangrijke aanwijzing.
, Erkenning door staten
Het is vaak niet duidelijk of een entiteit voldoet aan de klassieke criteria zoals grondgebied,
bevolking, bestuur en het vermogen om internationale verplichtingen aan te gaan. Daarom
speelt het oordeel van andere staten een grote rol.
o Palestina wordt door sommige staten erkend als staat en door andere niet.
o Kosovo kent ook verdeelde erkenning.
De juridische bekwaamheid om deel te nemen binnen de internationale rechtsorde kan op de
volgende manieren:
Internationale rechtshandelingen verrichten, zoals het sluiten van verdragen;
Internationale rechten bezitten;
Rechten op internationaal niveau af bijvoorbeeld in een procedure voor een internationaal
tribunaal;
Internationale verplichtingen hebben;
Op internationaal niveau aansprakelijk worden gesteld voor schending van verplichtingen.
Niet alle rechtssubjecten nemen op dezelfde manier deel aan het rechtsverkeer. Volledige
rechtssubjectiviteit is alle hiervoor genoemde manieren en beperkte rechtssubjectiviteit een aantal
maar niet alle hiervoor genoemde manieren. Alleen aan de staat komt volledige rechtssubjectiviteit
toe. Als vuistregel kun je onthouden dat iemand rechtssubjectiviteit bezit al je internationale
bevoegdheden, rechten of plichten bezit.
Staten
Staten zijn de belangrijkste subjecten in het internationaal recht. Belangrijkste kenmerk van staten is
dat zij onafhankelijk van andere staten, publiek gezet uitoefenen over een grondgebied en de daar
levende bevolking.
Wanneer is een staat onder internationaal recht een staat?
Verdrag van Montevideo inzake de rechten en plichten van staten van 1933. Dit verdrag
(verder uitgekristalliseerd naar gewoonterecht) wordt beschouwd als het uitgangpunt. Niet
uitputtend maar worden universeel geaccepteerd als minimumcriteria voor de soevereiniteit
(=formeel onafhankelijk van andere staten):
1. Vaste bevolking: een staat moet beschikken over een stabiele kernpopulatie met
een sterke band of loyaliteit aan de staat, meestal in de vorm van een
nationaliteit.
2. Gedefinieerd grondgebied: een staat moet wettig ononderbroken bezit en
controle over een bepaald kerngebied hebben. Dit sluit entiteiten uit die slechts
tijdelijk territorium besturen, zoals rebellengroepen. Het sluit ook entiteiten uit
die grondbezit hebben verkregen door middel van een onwettige gewapende
macht of annexatie. Het IGH heeft duidelijk gemaakt dat er geen internationale
rechtsregel bestaat waarbij de landgrenzen van een staat volledig moeten
worden afgebakend. Aantal grondslagen om grondgebied vast te stellen (als twee
of meer staten aanspraak maken op hetzelfde gebied): ontdekking, effectieve
bezetting en verdragsbepalingen.
3. (Effectief) gezagsstructuur: een staat heeft een geheel van instellingen die publiek
gezag uitoefenen over de daarop wonende bevolking. Internationaal recht zegt
niets over de wijze waarop een staat georganiseerd moet worden. Als een entiteit
lid wil worden van een internationale organisatie of verdrag dan kunnen er wel
eisen gesteld worden aan de interne organisatie van een staat.
4. Het Verdrag van Montevideo noemt nog een vierde voorwaarde, namelijk het
vermogen om buitenlandse betrekkingen aan te gaan. Echter, dit is geen
zelfstandig element, want dit volgt uit de aanwezigheid van de eerste drie
voorwaarden.
Module 1 Aard en bronnen van internationaal recht
Wat is internationaal publiekrecht?
Internationaal publiekrecht regelt de uitoefening van publiek gezag in de internationale
gemeenschap. Het kent bevoegdheden toe aan entiteiten die publiek gezag uitoefenen (vooral staten
en internationale organisaties) en biedt een juridisch kader waarbinnen zij deze bevoegdheden
uitoefenen.
Achtergrond en kenmerken van internationaal recht
Wereldwijd van toepassing dus omvangrijk, ook door de vele onderwerpen. Belangrijk om
internationaal afspraken te maken want bijvoorbeeld milieuvervuiling stopt niet bij de grens. Het
internationaal recht heeft deelgebieden met daarin subdeelgebieden. Voorbeeld: mensenrechten is
een deelgebied en daaronder valt internationaal vluchtelingenrecht als subdeelgebied. Internationaal
recht is een systeem dat gebouwd/afhankelijk is op instemming van staten. Er is geen centraal
wetgevend orgaan, geen politie, leger of internationale rechter.
Kernbegrippen van het internationale recht:
Soevereiniteit: Staten voeren zelf het hoogste gezag op eigen grondgebied en zijn niet
afhankelijk van anderen.
Territoriale integriteit: Staten hebben het recht hun grenzen te behouden en te beschermen.
Non-interventie: Staten mogen zich niet bemoeien met interne aangelegenheden van andere
staten.
Soevereine gelijkheid: alle staten zijn in beginsel juridisch gelijk.
Het internationaal publiekrecht regelt de uitoefening van publiek gezag in de internationale
gemeenschap. Het doet dit op drie manieren:
1. Toekenning van bevoegdheden
Het internationaal recht bepaalt welke actoren welke taken mogen uitvoeren:
Staten: zij mogen o.a. grenzen vaststellen, verdragen sluiten en (alleen onder strikte
voorwaarden) oorlog voeren (zoals bij zelfverdediging).
Internationale organisaties (zoals VN, EU, NAVO): zij handelen binnen het mandaat dat
lidstaten hun geven, bijvoorbeeld sancties opleggen, vrede handhaven of
defensiesamenwerking organiseren.
2. Uitoefening van publiek gezag
Staten oefenen gezag uit naar hun eigen bevolking.
Internationale organisaties doen dit namens meerdere staten gezamenlijk, binnen de
bevoegdheden die zij hebben gekregen.
3. Het bieden van een juridisch kader
Staten zijn soeverein, maar niet onbeperkt: agressieoorlogen en ernstige
mensenrechtenschendingen zijn verboden.
Internationale organisaties beschikken uitsluitend over de bevoegdheden die hun zijn
toegekend; zij kunnen niet buiten hun mandaat treden (bijv. NAVO is een
defensieorganisatie, geen economische unie).
Kortom: internationaal publiekrecht bepaalt wie mag handelen (Staten, organisaties) én onder welke
beperkingen. Daarnaast kan de betekenis van het begrip internationaal recht worden ontleed in drie
elementen:
Internationaal: tussen Staten en andere internationale actoren.
Publiek: uitoefening van gezag namens een gemeenschap.
Recht: juridisch bindende regels en beginselen.
,Geschiedenis internationaal recht
Het internationaal recht begon op het moment dat onafhankelijke soevereine staten ontstonden. Het
Verdrag van Westfalen in 1648 wordt gezien als het beginpunt. Dit verdrag maakte een einde aan de
Dertigjarige en Tachtigjarige Oorlog, ruim driehonderd politieke eenheden ontworstelden zich aan
het gezag van het Roomse Rijk en het kerkelijke gezag. In dit verdrag werd afgesproken om het
beginsel van territoriale integriteit te respecteren. Hierdoor ontstonden er soevereine staten die met
elkaar rechtsbetrekkingen aangingen. Inmiddels ziet de wereld er anders uit, zo ook internationaal
recht. Het stelsel is complexer en uitgebreider. De basis is nog wel hetzelfde: een staat is soeverein en
is baas binnen haar eigen grenzen, art. 2 lid 4 VN Verdrag.
Bronnen internationaal recht
Het uitgangspunt is art. 38 lid 1 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof 1945.
Formele bronnen (=bindende wetgeving creëren/definiëren):
Verdragen (afspraken tussen staten/IO’s)
o Bindend voor de partijen die ze hebben aanvaard.
o Voorbeeld: de Verdragen van Genève (1949).
Besluiten van internationale organisaties
o Wanneer organisaties bevoegd zijn om bindende besluiten te nemen, kunnen deze
verplichtingen scheppen.
o Voorbeeld: VN-Veiligheidsraadresolutie 678 (1990).
Internationale gewoonte
o Ontstaat uit consistente staatspraktijk én de overtuiging dat die praktijk juridisch
verplicht is (opinio juris). Twee criteria:
Algemene rechtspraktijk van Staten die omvangrijk en vrijwel uniform is;
Rechtsovertuiging bij Staten dat zij zich ook aan die praktijk dienen te houden
op grond van het internationale recht.
o Voorbeeld: het folterverbod, dat ook bindt zonder verdrag.
Algemene rechtsbeginselen
Vier typen beginselen:
1. Beginselen inherent aan het concept recht;
2. Algemene ideeën over rechtvaardigheid;
3. De beginselen die de nationale rechtsstelsels gemeen hebben;
4. Beginselen die fundamenteel zijn voor de internationale rechtsorde zelf.
Secundaire bron:
Gerechtelijke beslissingen
Wetenschappelijke geschriften van 'publicisten' (academici en andere internationale
juridische experts)
De formele bronnen zijn van gelijk gewicht en er is geen hiërarchie tussen deze rechtsbronnen. Als er
een conflict is tussen deze bronnen, dan dient er gekeken te worden of de verdragen/besluiten zelf
een regel bevatten over hoe dit opgelost dient te worden. Als dat niet het geval is dan gelden de
volgende conflictregels:
de latere regel heeft voorrang boven de eerdere regels (lex posteriori);
bijzondere regels gaan voor algemene regels (lex specialis);
regels van dwingend recht (jus cogens) hebben voorrang.
Internationaal recht in Nederland
Er bestaat een formele scheiding tussen internationale en nationale rechtsorde. Nationale rechtsorde
wat voor rechtsgevolgen de internationale rechtsorde heeft in de nationale rechtsorde. Hierbij kun je
twee systemen onderscheiden:
, Monisme: de internationale en nationale rechtsorde worden gezien als één systeem.
Internationale rechtsgevolgen hebben dus direct gevolg voor de nationale rechtsorde.
Dualisme: de internationale en nationale rechtsorde worden gezien als twee strikt
gescheiden systemen. Hierbij moeten internationale rechtsregels worden omgezet naar
nationale wetgeving om effect te hebben in de nationale rechtsorde.
Nederland zit hier ergens tussenin, ook wel gematigd monistisch genoemd, art. 90 t/m 95 Gw:
Geldigheid, transformatie/omzetting is niet vereist, maar wel bekendmaking art. 93 en 95
Gw.
Rechtstreekse werking: de rechter mag een ieder verbindende bepaling direct toepassen, art.
93 Gw.
Voorrang: nationale wettelijke voorschriften vinden geen toepassing indien zij strijdig zijn met
(een ieder verbindende) bepalingen van internationaal recht, art. 94 Gw.
Belangrijke vraag hierbij is: wanneer is een bepaling een ieder verbindend? De regering kan
hierover een advies geven bij de bekendmaking van de regel. De rechter zal kijken naar de
bedoelingen van de partijen in het verdrag. Rechter neemt hierin het advies van de regering mee,
maar neemt wel een eigen eindoordeel.
PCIJ: Case of the S.S. Lotus (France v. Turkey), PCIJ Rep., Ser. A, No. 10 (1927) (in sourcebook).
ICJ: Legality of the Threat or Use of Nuclear Weapons, [1996] ICJ Rep. 66, paras. 64-87 (in
sourcebook).
ICJ: North Sea Continental Shelf (F.R. Germany v. Denmark; F.R. Germany v. Netherlands), [1969] ICJ
Rep. 3, esp. paras. 60-83 (in sourcebook).
ICJ: Military and Paramilitary Activities in and against Nicaragua (Nicaragua v. United States), Merits,
[1986] ICJ Rep. 14, paras. 175-179 (in sourcebook).
Module 2 Rechtspersoonlijkheid – Staten en internationale organisaties
Rechtssubjecten
Rechtssubjecten zijn de personen of entiteiten die de bekwaamheid bezitten om deel te nemen aan
het rechtsverkeer in de internationale orde. Het duidt dus op de status die het mogelijk maakt om
deel te nemen aan het rechtsverkeer. In het internationale recht zijn de rechtssubjecten:
Staten
Internationale organisaties
De facto-regimes (en bevrijdingsbewegingen)
Individuen
Criteria voor rechtssubjectiviteit
Een entiteit wordt als rechtssubject gezien wanneer zij internationale bevoegdheden, rechten of
plichten heeft.
Effectiviteit
Omdat er geen wereldregering bestaat die regels overal kan afdwingen, kijkt het
internationaal recht vooral naar feitelijke macht en gezag.
o Dit bepaalt bijvoorbeeld welke staten aanspraak kunnen maken op grondgebied en
wie als rechtssubject wordt gezien.
o Feitelijke uitoefening van bestuur en gezag is daarbij een belangrijke aanwijzing.
, Erkenning door staten
Het is vaak niet duidelijk of een entiteit voldoet aan de klassieke criteria zoals grondgebied,
bevolking, bestuur en het vermogen om internationale verplichtingen aan te gaan. Daarom
speelt het oordeel van andere staten een grote rol.
o Palestina wordt door sommige staten erkend als staat en door andere niet.
o Kosovo kent ook verdeelde erkenning.
De juridische bekwaamheid om deel te nemen binnen de internationale rechtsorde kan op de
volgende manieren:
Internationale rechtshandelingen verrichten, zoals het sluiten van verdragen;
Internationale rechten bezitten;
Rechten op internationaal niveau af bijvoorbeeld in een procedure voor een internationaal
tribunaal;
Internationale verplichtingen hebben;
Op internationaal niveau aansprakelijk worden gesteld voor schending van verplichtingen.
Niet alle rechtssubjecten nemen op dezelfde manier deel aan het rechtsverkeer. Volledige
rechtssubjectiviteit is alle hiervoor genoemde manieren en beperkte rechtssubjectiviteit een aantal
maar niet alle hiervoor genoemde manieren. Alleen aan de staat komt volledige rechtssubjectiviteit
toe. Als vuistregel kun je onthouden dat iemand rechtssubjectiviteit bezit al je internationale
bevoegdheden, rechten of plichten bezit.
Staten
Staten zijn de belangrijkste subjecten in het internationaal recht. Belangrijkste kenmerk van staten is
dat zij onafhankelijk van andere staten, publiek gezet uitoefenen over een grondgebied en de daar
levende bevolking.
Wanneer is een staat onder internationaal recht een staat?
Verdrag van Montevideo inzake de rechten en plichten van staten van 1933. Dit verdrag
(verder uitgekristalliseerd naar gewoonterecht) wordt beschouwd als het uitgangpunt. Niet
uitputtend maar worden universeel geaccepteerd als minimumcriteria voor de soevereiniteit
(=formeel onafhankelijk van andere staten):
1. Vaste bevolking: een staat moet beschikken over een stabiele kernpopulatie met
een sterke band of loyaliteit aan de staat, meestal in de vorm van een
nationaliteit.
2. Gedefinieerd grondgebied: een staat moet wettig ononderbroken bezit en
controle over een bepaald kerngebied hebben. Dit sluit entiteiten uit die slechts
tijdelijk territorium besturen, zoals rebellengroepen. Het sluit ook entiteiten uit
die grondbezit hebben verkregen door middel van een onwettige gewapende
macht of annexatie. Het IGH heeft duidelijk gemaakt dat er geen internationale
rechtsregel bestaat waarbij de landgrenzen van een staat volledig moeten
worden afgebakend. Aantal grondslagen om grondgebied vast te stellen (als twee
of meer staten aanspraak maken op hetzelfde gebied): ontdekking, effectieve
bezetting en verdragsbepalingen.
3. (Effectief) gezagsstructuur: een staat heeft een geheel van instellingen die publiek
gezag uitoefenen over de daarop wonende bevolking. Internationaal recht zegt
niets over de wijze waarop een staat georganiseerd moet worden. Als een entiteit
lid wil worden van een internationale organisatie of verdrag dan kunnen er wel
eisen gesteld worden aan de interne organisatie van een staat.
4. Het Verdrag van Montevideo noemt nog een vierde voorwaarde, namelijk het
vermogen om buitenlandse betrekkingen aan te gaan. Echter, dit is geen
zelfstandig element, want dit volgt uit de aanwezigheid van de eerste drie
voorwaarden.