De opkomst van handel en ambacht die de basis legde
voor het herleven van een agrarisch-urbane
samenleving
Leerdoelen
• Je kent de tijdsbepaling.
• Je kunt uitleggen waardoor de landbouwopbrengsten in de 11e eeuw
toenamen.
• Je kunt de gevolgen van de toegenomen voedselproductie uitleggen.
Tijdsbepaling
Late Middeleeuwen: ca. 1000–1500 n.Chr.
Overgang van de vroege naar de late middeleeuwen
Na de val van het West-Romeinse Rijk was West-Europa vooral een
agrarische samenleving. De meeste mensen woonden en werkten op het
platteland en leefden op zelfvoorzienende (autarkische) domeinen.
Steden, langeafstandshandel en de geldeconomie speelden een veel
kleinere rol dan in de Romeinse tijd. Rond het jaar 1000 begon dit te
veranderen.
Veranderingen rond het jaar 1000
De landbouw werd steeds productiever door verschillende ontwikkelingen:
Meer landbouwgrond
• Bossen werden gekapt en moerassen drooggelegd (ontginningen).
• Hierdoor kwam meer grond beschikbaar voor landbouw.
Betere landbouwmethoden
• De invoering van het drieslagstelsel zorgde ervoor dat de grond beter
werd benut.
• Door verbeterde ploegen en het gebruik van het haam en het hoefijzer
konden paarden efficiënter worden ingezet bij het ploegen.
Hierdoor steeg de voedselproductie aanzienlijk.
, Gevolgen van de grotere voedselproductie
De hogere landbouwopbrengsten hadden belangrijke gevolgen:
• De bevolking groeide sterk.
• Er ontstonden voedseloverschotten die op markten konden worden
verkocht.
• Niet iedereen hoefde meer boer te zijn. Hierdoor ontstond specialisatie
in verschillende ambachten.
• Kleine handelsnederzettingen groeiden uit tot steden.
• Handel tussen verschillende gebieden nam toe.
Gevolgen van de oplevende handel
Door de groei van de handel veranderde de economie ingrijpend.
Belangrijke gevolgen:
• De Hanze ontstond: een samenwerkingsverband van handelssteden
rond de Noordzee en Oostzee. De Hanze beschermde de handel en
bevorderde de samenwerking tussen steden.
• De geldeconomie werd weer belangrijker.
• Oude Romeinse steden groeiden opnieuw en er werden nieuwe steden
gesticht.
• Er ontstond een nieuwe groep inwoners: de stedelijke burgerij, die een
steeds belangrijkere economische rol ging spelen.
Samenvatting
De verbeteringen in de landbouw zorgden voor meer voedsel en een
groeiende bevolking. Hierdoor namen handel en ambacht toe en
ontstonden nieuwe steden. West-Europa veranderde geleidelijk van een
vrijwel volledig agrarische samenleving in een agrarisch-urbane
samenleving, waarin landbouw, handel en steden naast elkaar een
belangrijke rol speelden.