Inleiding – Wat is geschiedenis van de filosofie?
Er is geen exacte afbakening in tijd van de moderne filosofie. Vaak wordt Descartes echter wel vaak als
startpunt gezien, de vader van de moderne filosofie. Zijn filosofie is het resultaat van een beweging in
het denken die al lang aan de gang is. De mens komt centraler te staan in de late Renaissance. Het
nominalisme was de start van de inwaartse wending.
Het einde van de moderne filosofie wordt geplaatst rond de periode van Nietzsche (de filosoof met de
hamer), hij ‘klopt op de metafysische theorieën van zijn voorgangers. Ook bij Frege kan het einde van
de moderne filosofie (of het begin van de hedendaagse filosofie) worden gesitueerd. Hij is de
grondlegger van de formele logica. En ook Hegel thematiseert het einde van de moderne filosofie, hij
betekende het summum van de rationaliteitsfilosofie, volgens hem kan de rationaliteit alles omvatten.
Het eindpunt van de moderne tijd betekent ook het ontstaan van een kloof tussen continentale en
analytische filosofie. Er was dus een duidelijk geografisch te plaatsen breuklijn. Op continentaal Europa
hield men zich vooral bezig met de geschiedenis van filosofie. Bij onder andere de Engelsen ontstond er
een analytische filosofie die zich bezighoudt met logica en het oplossen van problemen. Het eindpunt
van de moderne tijd is dus het begin van een breuk in de filosofie.
Ook de manier van filosoferen veranderde bij de moderne filosofie. Op een bepaald moment in de
moderniteit ontstaat er een zelfinteresse van de filosofie in haar eigen geschiedenis.
Hegel: ‘Je kan niet aan filosofie doen zonder aan geschiedenis van de filosofie te doen.’
Er is dus een interesse in wat filosofie doet en wat het gedaan heeft. Elke filosofie is tegelijk een
antwoord op de vraag: ‘Wat is filosofie?’. Er werd dus een focus gelegd op de grondslagen van de
filosofie. De volledige aard verandert dus.
Met de verandering van middeleeuwse naar moderne filosofie werden er 4 provisoire kenmerken
duidelijk.
Filosofie als manier van leven: In de oudheid en de middeleeuwen was filosofie een
manier van leven of een levenskunst. Plato begreep filosofie als een verwondering of als een liefde
voor wijsheid. Het was ook een uitweg van een maatschappij waarin hij leefde. Volgens Plato wordt
de ziel gedreven naar inzicht (intuïtie). Het intellectuele trekt aan (eros), de grond en wijsheid van
het zijn is het belichten van iets uit verschillende hoeken. In de moderne filosofie is fundering de
grond en waarheid van het zijn. De existentiële dimensie gaat dus verloren. Filosofie wordt gezien als
het kennen van objectieve proposities.
Filosofie en theologie: Tijdens de middeleeuwen waren filosofie en theologie nauw
verweven. Thomas van Aquino stelde dat filosofie en theologie elkaar aanvullen. Hij maakte dus een
grote synthese tussen Aristoteles en het Christelijke geloof. De filosofie heeft als fundering de rede,
en geloof heeft als fundering de openbaring. Willem van Ockham ziet de rede als verzwakt ten
aanzien van de theologie. De rationaliteit heeft geen toegang meer tot de gehele werkelijkheid (het
domein van de theologie). Rationaliteit wordt gezien als instrument, het is niet meer participerend.
Door het nominalisme van Ockham gaat de zekerheid verloren. In de moderniteit is er sprake van
een inwaarts keren van het zelf. De zekerheid wordt dus in het ‘ik’ gezocht. Het subject wordt de
bron en de fundering van de waarheid. Het goddelijke zelf verandert radicaal van natuur ten
opzichte van de christelijke God.
Filosofie als metafysica: De overgang naar een autonomere metafysica in de moderne tijd
hangt nauw samen met het verdwijnen van de rol van de theologie. Metafysica wordt dus autonoom
en gaat een grotere rol spelen. Filosofie wordt hierdoor een zoektocht naar het rationele fundament
van alles (wetenschap, ethiek, ervaring, …). Het model van de positieve wetenschappen wordt dus
enorm bepalend voor de filosofie. De rationaliteit ontwikkelt een preoccupatie met de grond, grenzen
en inhoud van zijn eigen structuren. Het wordt dus een zoektocht naar funderende principes. Tegelijk
reduceert deze overgang de filosofie ook. De band met het dagelijkse leven gaat verloren,
metafysica is niet belangrijk voor de gewone mens. Ook vindt er een reductie van verwondering
plaats tot louter proposities. Er was ook een zoektocht naar een specifieke vorm van zekerheid, het
is een zekerheid over dingen waar vroeger geen zekerheid over nodig was.
Filosofie als systeemdenken: Filosofie in de oudheid en de middeleeuwen was een vorm
van participatie in de rationaliteit. In de moderne tijd wordt filosofie een vorm van constructie.
Filosofie wordt door zijn eigen dynamiek een systeemfilosofie. We gaan van twijfel en onzekerheid
naar zekerheid (Descartes), in plaats van verwondering naar begrijpelijkheid (Plato). De beweging
naar systematiek werd al in gang gezet door Aristoteles, maar wordt nu pas verder tot voltooiing
, gebracht. Er zit dus een construerend vermogen in onszelf, dat vormt de basisbouwstenen. Maar,
soms zet moderne filosofie zich ook net af tegen het systeemdenken (Hume, Nietzsche).
Geschiedenis van de (moderne) filosofie
Er is vanuit de filosofie dus een grote interesse in haar eigen geschiedenis, in tegenstelling tot de
positieve wetenschappen. Ze zoekt naar waarheid door te kijken naar haar eigen reeks aan dwalingen.
Volgens Hegel waren dit echter niet echt dwalingen, maar vulden ze elkaar aan. Het domein van de
filosofie heeft dus het meeste veelvoud aan theorieën en opvattingen. Dit is dus wel moeilijk om de
echte waarheid te vinden. Het is dus een paradoxale stelling: filosofie is opzoek naar waarheid, maar
door de vele theorieën is dat enorm moeilijk.
Een mogelijke oplossing voor deze paradox zou zijn om te beslissen dat de geschiedenis van de filosofie
niet belangrijk is. Hierdoor zou een positief wetenschappelijk model de overhand nemen.
De analytische filosofie legt bijvoorbeeld de nadruk op problemen, in plaats van de
geschiedenis. (Mind-body probleem, persoonsidentiteit, vrije wil versus determinisme, …)
De geschiedenis van de filosofie kan ons volgens deze opvatting hooguit oefenen in het redeneren, of
dienen ter inspiratie.
Een alternatief voor deze oplossing is om filosofie te bekijken als literatuur. Hierdoor zou men wel
gedeeltelijk de strikte waarheidsclaim moeten loslaten. Sommige filosofen zijn natuurlijk al zeer
retorisch of literair. Het zou ook rekenschap geven van de bijdrage van literatuur. Veel filosofen zijn
namelijk ook vaak geïnteresseerd in literatuur.
De paradox is eigenlijk maar op te lossen vanuit een antwoord op de vraag wat die geschiedenis van de
filosofie werkelijk is. Is het een sub-domein, naast alle anderen, volgens de visie van analytische
filosofen? Of is het eerder een onderwerp zoals ecofilosofie, feministische filosofie, …?
Op de vraag of geschiedenis van de filosofie zelf filosofie is, is er een veelvoud aan antwoorden.
Analytische filosofen en neo-Kantianen vinden radicaal van niet. Volgens een aantal anderen kan de
geschiedenis van de filosofie als hulpmiddel worden gezien (Nussbaum, Bernard Williams, …). Het kan
ons helpen filosofische problemen te zien en biedt ons conceptuele kaders om problemen op te lossen.
Volgens Hegel is filosofie per definitie historisch. Hij brengt de geschiedenis binnen in de filosofie. De
geschiedenis van de filosofie is de rationaliteit die op zichzelf reflecteert.
Het is dus pas met Hegel dat geschiedenis van de filosofie als filosofie de traditie binnenkomt. Het is
dus een moderne uitvinding. In de oudheid waren eerdere filosofen vooral een bron van wijsheid. Of ze
waren figuren om te weerleggen. Mensen sloten zich aan bij een bepaalde school met een eigen
geschiedenis. Tijdens de middeleeuwen maakte men een selectie van relevante materialen om te
gebruiken in een synthese. Ze grijpen dus wat goed uitkomt (cherry picking). Ook kwam tijdens de
middeleeuwen de traditie van ‘commentaren’ schrijven binnen. Vanaf Descartes tot Kant werd er vaak
opnieuw begonnen en was er dus geen gebruik van geschiedenis. Eerdere ideeën worden enkel
sporadisch opgenomen waar relevant. Kant ziet de aanzet tot eerdere ideeën als voorbereiding op zijn
eigen synthese. In het begin van de moderne filosofie doceerden filosofen wel vaak de geschiedenis en
vormden ze parallellen met wat ze zelf doen. Bij Hegel komt de eigen opvatting bij geschiedenis binnen
in de filosofische traditie.
Geschiedenis van de filosofie of ideeëngeschiedenis?
De ideeëngeschiedenis bestudeert ideeën vanuit het verleden en de invloed daarvan op politiek,
samenleving, cultuur, economie, … Ze bestuderen dus hoe ideeën functioneren in de samenleving. In
de traditie van de ideeëngeschiedenis ontstond er ook het concept van een encyclopedie. Een boek
waarin men ideeën en hun definities kan geven en de geschiedenis er van kan schrijven. Er is een idee
van vooruitgangsdenken, er kan een tegenstelling worden gemaakt van wat vooraf ging. Er kan een
tegenstelling worden gemaakt tussen de waarheid en wat vroeger waarheid was en nu niet meer. De
rationaliteit wordt hierbij dus ook belangrijker. De ideeëngeschiedenis zorgt er feitelijk voor dat er
ideeën zijn waarvan de uitwerking in de werkelijkheid mogelijk is. Dit was niet mogelijk in de oudheid
en middeleeuwen. De ideeën worden losgekoppeld van hun originele bron. Dit kan wel een gevaar zijn.
Andersom zijn ideeën ook afgeleiden van de ervaring.
De filosofiegeschiedenis heeft als kern de interne ontwikkeling van het filosofische denken zelf.
Sommige ideeën hebben geen invloed buiten de filosofie zelf. De conceptuele ontwikkeling en
,coherentie zijn in deze traditie dus primair. Filosofie wordt gezien als een opeenvolging van filosofische
begrippen en/of denkbeelden. Toch zijn grote filosofen niet los te denken van hun tijd (bijvoorbeeld
burgeroorlogen, totstandkoming van de moderne fysica, …). Filosofie is het verstaan van de
samenleving. Die samenleving leeft altijd in spanning tussen zijn concrete bestaan en de waarheid van
dit bestaan. Filosofie is dus zelf een deel van het zelf-verstaan of zelf-articulatie van een samenleving.
Moderne filosofie neemt dus een heel eigen positie en rol in. Het zorgt voor het ontstaan van een
vooruitgangsdenken en het verdwijnen van transcendentie.
De periode van de moderne filosofie
Van 1350 tot 1550 vond de Renaissance plaats, met nadruk op het humanisme. Vanaf 1550 ging de
vroegmoderne filosofie van start, tot 1700. De verlichtingsfilosofie liep van 1700 tot 1830. Uiteindelijk
eindigde de laatmoderne filosofie in 1900. De centrale lijn in deze geschiedenis was het stijgen van het
belang van de persoon. De oorsprong van de waarheid werd in het zelf gevonden. Het constructieve
element van het denken werd bestudeerd. De voorafgaande grond hiervan was het nominalisme, hier
zaten alle denkers mee en vertrok hun filosofie uit.
Soms wordt de moderniteit sterk geïdentificeerd met de Verlichting of spreekt men van
verlichtingsdenken. Immanuel Kant stelde de vraag: Wat is verlichting? Hij zag het als een bevrijding uit
een soort van onmondigheid. Dit is duidelijk door zijn uitspraak ‘Sapere Aude’ (durf te denken). De
noodzakelijke voorwaarde van vrijheid is het gebruik mogen maken van de rede. Er is dus een
vrijheidsideaal. De Verlichting is geen unitair gegeven, wel een familie van intellectuele projecten. De
Verlichting is een soort ‘catch all synthese’. De nadruk werd gelegd op de rede. Er was een kritiek van
traditie en autoriteit. Ook autonomie, dat voor de moderne filosofie onbekend was, werd nu benadrukt
en nagestreefd. In het algemeen kon men dus spreken van een vooruitgangsideaal. De Verlichting kan
opgedeeld worden in drie ‘soorten’.
De Franse Verlichting is misschien wel het meest stereotype. Er is een duidelijk antiklerikaal en
politiek radicale traditie. Dit zal uiteindelijk ook leiden tot de Franse Revolutie. Secularisatie,
rationaliteit en politieke emancipatie komen hier samen. Jean-Jacques Rousseau kwam bijvoorbeeld
met het idee van volkssoevereiniteit. Hij sprak van de volonté générale, de algemene wil. Zijn
politiek ideaal was dus zelfwetgeving. Ook Montesquieu kan gedacht worden binnen de idee van de
Franse Verlichting. Hij bracht het idee van de scheiding der machten binnen. Er was dan ook een
evenwicht en wederzijdse controle van de macht. Hij ziet vrijheid als veiligheid tegen
machtsmisbruik. Montesquieu had dus het idee van institutionele vrijheid.
De Britse Verlichting had een andere dynamiek dan de Franse Verlichting. Het vertrouwen in de
rede is minder groot, er is dus geen triomf van de rede, wel een disciplinering. De rede is dus
empirisch ingebed, de kennis vertrekt vanuit de ervaring en niet vanuit ideeën. John Locke startte
met het idee van tabula rasa. De geest is een leeg blad dat gevuld wordt door ervaringen. De rede
ordent wel de ervaring, maar de ervaring blijft primair. Locke ontwikkelde ook een sociale
contracttheorie. David Hume zegt dat de rede niet almachtig is, wel de gewoonte, verwachting en de
menselijke natuur. Ook Adam Smith is te plaatsen in de idee van de Britse Verlichting. Hij ziet dat de
sociale orde gevormd wordt vanuit interactie, niet vanuit een rationeel plan. De Britse Verlichting is
in het algemeen dus minder revolutionair dan de Franse Verlichting.
De Duitse Verlichting vormde een kritiek van de rede. Hij zorgde voor een overgang van de
begrenzing van de rede naar culminatie van de rationaliteitsfilosofie. De politiek was op filosofisch
vlak zeer conservatief. Immanuel Kant doet onderzoek naar de grenzen van de rede en vraagt zich af
waarom de exacte wetenschappen zo succesvol zijn, in tegenstelling tot de filosofie. Hij onderzoekt
ook de structuur van de rationaliteit zelf. Gotthold Ephraim Lessing vond niet dat religie irrationeel is,
maar het is niet bewijsbaar. Hij heeft wel een religieuze tolerantie, geen enkele religie heeft een
monopolie op de waarheid. Hieruit volgt dus een openheid naar religie. Er is dus bij hem wel een
besef van verschillende religies, maar die zijn niet bewijsbaar. Georg Wilhelm Friedrich Hegel vindt
zelf dat rationaliteit historisch is. De staat is een resultaat van een historische ontwikkeling van de
rede, een verwerkelijking van de vrijheid. Volgens Hegel ordenen ‘primaire religies’ de andere
religies. Die primaire religies zijn volgens hem wel niet van deze streken.
Na de Verlichting was er een wantrouwen in de rede, en een onmogelijkheid van fundering. Horkheimer
en Adorno vinden zelf dat alle slechte dingen die hebben plaatsgevonden in de 20 e eeuw (fascisme,
Stalinisme, massaconsumptie, …) een resultaat waren van die Verlichting. Het postmodernisme
,markeer het einde van grote filosofische verhalen en theorieën (Jean-Francois Lyotard: ‘La fin des
grands récits’). De rede kan niet alles begrijpen. Het project van de Verlichting leidt ook tot een
onmogelijk moreel ideaal. Er zouden universele morele wetten moeten zijn, maar er is geen gedeelde
morele praktijk. Volgens Alasdair MacIntyre (After Virtue) begrijpen we onze eigen moraal niet meer.
De Verlichting is ook kritisch. Het is een kritiek op bestaande structuren en traditie. Maar ook velt het
een oordeel over de reikwijdte of een begrenzing van de rationaliteit (Kritiek van de zuivere rede –
Kant). De Verlichting vraagt zich dus af hoever menselijke kennis gaat. Het Verlichtingsdenken is dus
vooronderstellingsloos. Volgens Hans-Georg Gadamer (Wahrheit und Methode) vindt de Verlichting zelf
een vooroordeel. Kritiek moet gefundeerd zijn in traditie. Er is ook geen absolute rationaliteit. Het idee
van ‘weg te doen met alle vooronderstellingen’ is zelf een vooronderstelling.
Voor de moderne filosofie begon verloor de rede haar verankering in een kenbare orde. Universalia
bestaan niet meer, er is dus sprake van nominalisme. Universalia verdubbelen enkel onnodig de
werkelijkheid (Willem van Ockham). Het nominalisme breekt de verstaanbare band tussen de bron van
de werkelijkheid en zijn effect.
“European culture rests on a relatively small number of ideas. One of them is the assumption
that reality as we observe or experience it does not coincide with the principles that justify it.” (Louis
Dupré, The Enlightenment & the Intellectual Foundations of Modern culture)
Voorheen bevatte het wezen van dingen iets algemeen. De werkelijkheid was geordend en begrijpelijk.
Die universalia hadden dus hun bron in het goddelijke. Volgens het nominalisme bestaan deze
universalia dus niet werkelijk, enkel in naam en taal. De rationaliteit is volgens Willem van Ockham niet
in staat om op basis van universalia begrippen in de werkelijkheid te ordenen. De band tussen het
goddelijke (de bron) en zijn effect (de werkelijkheid zelf) werd voorheen gemedieerd door de
universalia, nu niet meer.
De innerlijke wending
De wereld van Plato en Thomas van Aquino wordt onverstaanbaar zonder universalia. De band met de
werkelijkheid zal dus opnieuw moeten worden opgebouwd. De universalia moeten terug volledig van
het begin worden bewezen. We zoeken dan de bron binnenin onszelf, in de persoon zoeken naar
essentie waardoor we toegang zouden krijgen tot de werkelijkheid. We kunnen dus spreken van een
innerlijke wending, de bron kan niet meer buitenaf worden gezocht, enkel in de persoon zelf. Dit heeft
een enorme impact want alles wat logisch te onderscheiden is, bestaat onafhankelijk. De menselijke
natuur is bijvoorbeeld onafhankelijk van de samenleving. Hierdoor vindt er een verschuiving in de
politieke filosofie plaats. Het individu komt centraal te staan. De mens is dus ook geen politiek en
sociaal wezen want je kan de mens logisch onderscheiden.
Er worden nieuwe universalia ‘ontdekt’, bewezen. Bij Descartes zal het cogito het uitgangspunt worden
van waaruit vertrokken wordt. Het cogito is het minst deelbare in zichzelf. Het zelfbewustzijn wordt de
innerlijke bouwsteen, de nieuwe bron van zekerheid. Het is echter wel een andere soort van universalia
dan bij Plato en Aristoteles. In de oudheid bevatte het universele alle particuliere mogelijkheid. Vanaf
Descartes wordt het universele een formeel, leeg, a priori.
Zelfstudievragen:
Wat bedoelen we met moderne filosofie? Licht mogelijke begin- en eindpunten toe.
Op welke wijze ontstaat er in de moderne filosofie een expliciete interesse in haar eigen geschiedenis? Leg uit wat dit zegt over het zelfbegrip van de moderne filosofie.
Wat betekent de stelling dat elke filosofie tegelijk een antwoord is op de vraag: “Wat is filosofie?”
Bespreek vier kenmerken van de moderne filosofie.
Wat betekent ‘filosofie als manier van leven’ bij Plato, en op weke wijze verdwijnt die dimensie in de moderniteit?
Wat bedoelen we met de nadruk op fundering in de moderne filosofie, en hoe verschilt dit van filosofie in de Oudheid?
Wat is de ‘paradox van de geschiedenis van de filosofie’?
Is de geschiedenis van de filosofie, filosofie?
Wat is het verschil tussen filosofiegeschiedenis en ideeëngeschiedenis?
Wat typeert de Verlichting en het verlichtingsdenken?
Welke rol speelde het nominalisme voor de moderne filosofie?
Wat bedoelen we met de ‘innerlijke wending’ binnen de moderne filosofie?
EEN WERELD IN VERANDERING
,Er vindt een verandering van mens- en wereldbeeld plaats. Dit wordt de nieuwe achtergrond waartegen
filosofen gaan denken. Deze verandering gebeurt op verschillende domeinen. Op het politiek domein
komt de moderne staat op. In de religie vindt de reformatie en de contrareformatie plaats. Op het
domein van de cultuur stonden het humanisme, de individualisering en de creativiteit centraal. Op
wetenschappelijk domein vond er een mechanisering van het wereldbeeld en een ontwikkeling van een
nieuwe wetenschappelijke methode plaats. Over het algemeen was er dus een verstoring van de
harmonie tussen mens, kosmos en God. De mens keert in zichzelf. De kosmos wordt gezien als een
groot en leeg universum en God wordt steeds meer in vraag gesteld.
Verlichting en moderne cultuur
Er is een verband te trekken tussen het nominalisme en de moderniteit (Louis Dupré). Het individu
wordt onderscheiden als bron van kennis en er is een vernauwing van het individu tot de geest of
‘mind’. In de unitaire Griekse filosofie is er een opdeling in drie domeinen: kosmologie, antropologie en
theologie. Plato stelde dat de orde van de stad analoog is aan de orde van de ziel, en dat die op zijn
beurt analoog is aan de orde van de kosmos. De domeinen worden steeds verder opgesplitst en dat
leidt tot een oneindige verdeling. De rationaliteit wordt vernauwd tot zelfbewustzijn. Het zelfbewustzijn
en reflectie worden een centraal idee. De notie van bewustzijn als filosofisch begrip ontstaat in de
moderne filosofie. Sinds Kant is het idee van de vrijheid gebaseerd op rationaliteit. Het is de enige
manier om de werkelijkheid te kennen dankzij het structurerend vermogen. Volgens Dupré wordt
redelijkheid een constructie van de geest. De structuur van de realiteit wordt de structuur van de geest.
Kenmerken van verandering
Tijdens die verandering gaat men van traditie naar vernieuwing. Er komt een eind aan de veelheid aan
politieke ordes. Men gaat van een feodale orde naar een gecentraliseerde staat. De autoriteit van de
kerk neemt af en het oude wetenschappelijke wereldbeeld staat op zijn kop. Men is niet meer
afhankelijk, maar wordt steeds autonomer. Er is een beperking van de koninklijke macht en de idee van
de scheiding der machten ontstaat. Hierdoor is er ook sprake van het ontstaan van de soevereine staat.
Er ontstond een traditie van observatie, experiment en wiskunde. Er was ook geen hiërarchie meer,
maar een constructie. Er werden sociale contracttheorieën gevormd. De natuur werd begrepen door de
mens die natuurwetten formuleert. De mens construeert dus iets en staat dus ook centraal.
Wereldbeeld
Er vond een mechanisering van het wereldbeeld plaats. De ontdekking van de natuurwetenschappen
ontketenen een revolutie in het denken. De onttroning van de mens werd een feit. Zo werd bijvoorbeeld
het zonnestelsel van Ptolemaeus (de aarde staat in het midden en errond zijn hemellichamen)
omvergeworpen. Copernicus komt met een nieuw wereldbeeld. De mens (of aarde) staat niet meer in
het midden. Er wordt ook meer aandacht besteed aan de impact van hoe over de mens gedacht wordt.
Tegelijk was er ook een instrumenteel wereldbeeld ontstaan. Er was een bevestiging van een nieuw
zelfbewustzijn. Via techniek en berekeningen wordt de mens baas van de natuur, de natuur wordt
beheersbaarder (Descartes: de mens als meester en bezitter van de natuur). De mens kan de natuur
schikken naar zijn eigen wil. Dit roept ook veel vragen op die allemaal neerkomen op hoever de natuur
een menselijke constructie is. Gaat het om feiten of gewoon handige berekeningen?
Ook de rol van handel wordt belangrijker. Er is een nieuwe geografische kennis die navigatie,
cartografie en exacte metingen met zich meebrengt. Door rationeel na te denken kan men dingen in
kaart brengen die het leven gemakkelijker maken, dit is echter geen beschrijving van de werkelijkheid.
Dit verhoogt de kennisuitwisseling en financiert wetenschap. De handel stimuleert ook het rekenend en
metend denken: het ontstaan van dubbel boekhouden, vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
… vindt plaats. De sociale structuren worden gemoderniseerd en veranderen compleet. Adam Smith
komt met het idee dat handel zelf een spontane orde creëert met eigen wetmatigheden. Men gaat dus
vanuit menselijke interactie naar een orde. Als je mensen gewoon laat doen komen er vanzelf de noties
van sympathie en morele inleving binnen. Er wordt dus een orde gestructureerd door mensen die
handel drijven. Er gebeurt dus een analoge beweging in de economie en de natuurwetenschappen.
Copernicus (1473 – 1543) startte een zoektocht naar een accurater wiskundig model om de beweging
van hemellichamen te verklaren. Hij deed dit echter wel op basis van dezelfde data als Ptolemaeus.
Toch kwam hij op een ander model. Copernicus ontwikkelde dus een heliocentrisch model: het is de
hypothese dat de zon in het centrum staat van ons planetenstelsel. Copernicus slaagt dus in zijn opzet
en ontwikkelt een accurater model, niet per se getrouwer (voor Copernicus), maar het is wel een beter
model voor voorspellingen, empirische ontdekking en wiskundige vereenvoudiging.
,Een ware paradigmashift komt pas later dan Copernicus. Johannes Kepler (1571 – 1630) ontdekt dat de
banen van planeten elliptisch zijn en Galileo Galilei (1564 – 1642) bevestigt empirisch het
heliocentrisch model (manen rond Jupiter, fasen van Venus) en bevestigt ook de valwet. Het is dus een
mechanisch model. Het universum wordt dus gezien op basis van universele mechanische wetten op en
buiten aarde. Isaac Newton (1643 – 1723) schrijft in 1687 de Philosophiae Naturalis Principia
Mathematica. Hier onderscheidt hij drie bewegingswetten en vindt hij een universele kracht,
zwaartekracht.
1e wet: een object in rust of in uniforme beweging blijft zo, tenzij een kracht ingrijpt?
2e wet: kracht = massa x versnelling (F = ma)
3e wet: actie = reactie
Newton brengt dus drie domeinen samen: aardse mechanica, hemelse mechanica en wiskunde. De
ontwikkeling van zijn theorie roept ook een complex metafysisch probleem op: Wat is een kracht?
Uit Newtons theorie kan men een aantal filosofische implicaties of vooronderstellingen trekken. De
natuur is mathematisch geordend en kan dus berekend en voorspeld worden. Descartes trekt dit ook
door naar de ethiek. Alles is materie in beweging en dus gedetermineerd. Wetten hebben geen pijl van
de tijd. Alles wordt deterministisch: als je de eerste positie weet, weet je de rest ook. Alles is dus
materie die in gang is gezet. Er is een universele wetmatigheid en uniformiteit van de natuur. Er is
sprake van een absolute tijd en ruimte. Er ontstaat ook een nieuwe metafysische categorie van kracht:
krachten bestaan, we kunnen ze mathematisch beschrijven, ze werken oorzakelijk. Newton weet zelf
echter niet wat een kracht precies is en hij heeft daar ook geen hypothese voor. Later zal Hegel zeggen
dat een kracht een rationele constructie is en dus niet van de werkelijkheid.
Met dank aan Newton ziet het klassieke wereldbeeld de natuur als mechanisch systeem. Het zorgt voor
de verklaarbaarheid door middel van materie, beweging, krachten en wetmatigheden. Het volgt een
ideaal van voorspelbaarheid en is dus volledig deterministisch. Het onderscheid tussen geest en natuur
is groot en vormt dus geen probleem voor de ‘vrije wil’. Er ontstaat ook een sterke scheiding tussen feit
(natuur, empirie- en waarde (ethiek, religie).
Breuken met het wereldbeeld
De eerste breuk vindt plaats bij het ontwikkelen van de relativiteitstheorie. Dit gebeurt pas na de
moderniteit. In 1905 vindt ontdekt men de speciale relativiteit en in 1915 de algemene relativiteit. Men
ontdekt dat niets sneller kan gaan dan de snelheid van het licht. De lengte en tijd worden afhankelijk
van zwaartekracht en snelheid en de tijd en ruimte worden relatief aan de toestand van de waarnemer.
De structuur van ruimte en tijd is gebogen/vervormd door massa. Iets dat valt is in rust: de ontologie
verandert en het kracht-begrip verliest in zekere zin zijn waarheid. Zwaartekracht bestaat niet in de zin
zoals Newton dit begreep. Dingen werken op aarde, maar niet in het kosmologische. Natuurwetten
blijven, maar de ontologische interpretatie verandert.
De tweede breuk ontstaat bij de kwantummechanica. Er is geen consensus over de ontologie, over wat
de mens aan het berekenen is. De berekeningen zijn namelijk correct, maar men weet niet wat ze
berekenen. Kwantummechanica bestaat uit probabilistische wetten. Vanaf het moment dat iets
gemeten of waargenomen wordt, verandert het systeem/patroon. Er is dus een probleem met het
onderscheid tussen waarnemer en object. De mathematische benadering blijft, maar de verwijzing naar
de ‘objecten’ is niet meer eenduidig. Men beschrijft structuren en relaties, en niet noodzakelijk ‘wat er
echt is’. Hierdoor moet men iets opgeven wat hij niet wil opgeven.
De tweede wet van thermodynamica zorgt voor entropie. Het is de maat voor wanorde of aantal
mogelijke microtoestanden. Een staat van wanorde is vaak gemakkelijker dan een staat van orde (je
kan makkelijk een glas laten vallen, maar het is moeilijk om het te herstellen). Op partikelniveau is alles
omkeerbaar, maar niet op macroniveau. Entropie neemt steeds meer toe, het is onomkeerbaar en niet
symmetrisch in tijd. De pijl van de tijd wordt dus geïntroduceerd.
Het heliocentrisch model van Copernicus was in eerste instantie onproblematisch voor de paus en de
kerk, het was louter een mathematisch model. Dat wordt later wel problematisch bij Galilei. Hij neemt
de polemische persoonlijkheid over en bevestigt de waarheid van zijn observaties van de realiteit.
Hierdoor stelt men de vraag over religie nog nodig is. Copernicus vindt van wel, wiskunde maakt
sommige zaken gewoon makkelijker. Galilei vindt dat religie niet meer nodig is. De zon staat in het
midden en wij staan errond. Er vindt dus een verandering in de symbolische orde plaats. Tegelijk geeft
de perfectie van de metafysica ook aanleiding tot wat wij nu het argument of design noemen voor het
bestaan van God. Het universum is te perfect dus moet er wel een intelligente ontwerper zijn.
,Er wordt een onderscheid gemaakt tussen primaire en secundaire kenmerken, dat terug gaat op Galilei.
Primaire kenmerken zijn observeerbare feiten die je wiskundig kan uitdrukken (meetbaar,
mathematisch en kwantificeerbaar. Het zijn zaken zoals grootte, plaats, beweging en dichtheid.
Secundaire kenmerken zijn kenmerken die ontstaan in de ervaring van de waarnemer. Het zijn zaken
zoals kleur, smaak en geur. Ze hebben dus een andere ontologische status. Dit onderscheid is
natuurfilosofisch en dus niet fenomenologisch. Het gaat dus niet over de ervaring, wel over wat fysisch
echt bestaat.
Francis Bacon (1561 – 1626) schreef Magna Instauratio (Grote vernieuwing) tussen 1620 en 1623. Deel
1 gaat over de waardigheid en verbetering van wetenschappen. Wetenschap wordt gezien als een bron
van vooruitgang voor de mensheid. Wetenschap is bevrijdend en emancipatorisch. Er zijn drie
categorieën aan kennis die overeenkomen met de drie faculteiten van de menselijke geest.
Geschiedenis (geheugen), poëzie (verbeelding) en filosofie (rede). Het tweede deel is het Novum
Organum. Het succes van de wetenschap steunt op observatie van de natuur. De inductieve methode
gaat dus van observatie naar verklarende principes en wetmatigheden. De inductieve werking van
wetenschap is nieuw voor die tijd. Idola zijn drogbeelden, misleiding van de zintuigen en
begoochelingen van de taal en verbeelding. Ze sturen de menselijke geest richting vergissing en
dwaling en zijn dus onwetenschappelijk. Er zijn drogbeelden die eigen zijn aan de mens (idola tribus),
eigen aan de cultuur en opvoeding (idola specus), eigen aan de massa en taal (idola fori) en
drogbeelden die veroorzaakt worden door filosofie en religie (idola theatri). Ervaring, observatie,
experimentele toetsing en inductie vormen de kern van nieuwe wetenschappen. Wetenschappelijke
kennis is dus ware kennis die niet wordt voortgebracht door drogbeelden.
Ook religie ondergaat grote veranderingen in de moderne tijd. In de 2e en 3e eeuw vond er een
institutionalisering van de kerk plaats. In 1517 vond de reformatie plaats met Martin Luthers 95
stellingen. Van 1545 tot 1563 vond, door middel van het Concilie van Trente, de contrareformatie
plaats.
Martin Luther (1483 – 1546) zette zich af tegen de scholastiek. Hij werd beïnvloed door
Augustinus (verdorvenheid van de menselijke wil als oorsprong van het kwaad) en Willem van
Ockham (afwijzing van het natuurrecht van Thomas van Aquino). De rede is zwakker dan de mens
dacht, en is ook eindig. Dit is het gevolg van het afwijzen van universalia. Het nadenken stoot dus op
een limiet. Enkel het geloof kan de mens redden. Het protestantisme legt de nadruk op het geloof en
de Bijbel. God wordt al maar meer transcendent en het geloof verinnerlijkt: er is een uitzuivering van
de ziel, er is geen uitwendige cultus meer.
Johannes Calvijn (1509 – 1564) schreef in 1536 met de Institutio Religionis Christianae een
blauwdruk voor de ware christelijke kerk. Hier legde hij de focus op de predestinatieleer. God heeft
op voorhand al beslist wie verlost wordt en wie niet. Hierdoor wordt God steeds transcendenter.
Gods wil en wijsheid kan niet beïnvloed worden door de mens, maar ondanks dat staat het geloof en
vertrouwen in God centraal. Er ontstaat dus een voluntaristisch (op basis van Gods wil) godsbeeld en
dus niet intellectualistisch.
Max Weber ziet een link tussen het kapitalisme en de setting van het protestantisme. Je kan
niets veranderen aan Gods wil dus moet je hier op aarde gewoon je best doen. Dit zorgt voor een
enorme arbeidsethos en de geest van het kapitalisme.
De contrareformatie was een antwoord op het protestantisme. Het was een poging om de
eenheid van de kerk te behouden, maar dit lukt niet in de praktijk. Het protestantisme splitst zich af
en verzoening is dus niet mogelijk. Erasmus (1466 – 1536) pleitte voor een vernieuwing van de Kerk
(moraliteit, terug naar de Schrift, eenvoud). Het is een kritisch maar binnenkerkelijk idee. Hij wilde
geen breuk. Zijn idee van philosophia Christi stond haaks op Luthers radicalisering.
Er is dus een trend van toenemende transcendentie te trekken. In de scholastiek is God transcendent,
maar wel rationeel benaderbaar. In het nominalisme is God voluntaristisch en is zijn wil dus absoluut. In
het protestantisme is God totaal anders dan de mens en niet benaderbaar via de rede. God wordt
verheven boven de wereld. Marcel Gauchet stelt dat God zo transcendent wordt dat hij niet langer een
actor van de wereld zal zijn. Daardoor wordt religie historisch gezien overbodig. Het christendom heeft
volgens hem dus zelf de kiem van secularisatie in zich. Het brengt telkens het nadenken (interpretatie)
binnen. Hierdoor wordt God onbegrijpbaar en is de basis voor de secularisatie gelegd. De wereld en wil
zelf wordt als maar autonomer als God transcendenter wordt, dit is de start van individuele vrijheid.
Secularisatie zit ingebakken in die beweging en maakt religie overbodig.
De autonomie van de wereld ontwikkelt zich op alle domeinen, God participeert niet meer in de wereld.
In de natuur ontstaan natuurwetenschappen met wetmatigheden. Op politiek vlak is er sprake van een
aardse soeverein. De orde in de wereld wordt een constructie, geen gegeven. Het fundament moet uit
de mens zelf komen, uit de filosofie.
,In de overgang van de middeleeuwen naar de moderniteit is er ook een overgang van theologie naar
metafysica. In de middeleeuwen is de orde theologisch gefundeerd en valt de rede onder de
openbaring. Het houdt zich vooral bezig met de participatie van God in de wereld. In de moderniteit is
de orde rationeel en natuurwetenschappelijk en is de rede autonoom. Ze vraagt zich of God nodig is om
de wereld te denken. Dit leidt uiteraard tot heel wat turbulentie omtrent de rol van God en religie.
In de overgang van theologie naar metafysica kan men drie ‘strijden onderscheiden. Ze houden zich
bezig met hoe je orde kan denken als God volledig transcendent is. De Pantheïsmestrijd vindt plaats
rond 1785. Jacobi en Mendelssohn gaan over een uitspraak van Lessing omtrent het Spinozisme. Dat
zegt dat de gehele wereld en rationaliteit gelijkgesteld kan worden aan God. De Atheïsmestrijd vindt
plaats in 1798 en wordt vooral geleid door Fichte. God is de morele orde van de wereld zelf en dus geen
zijnde. De natuur is dus autonoom, maar de moraliteit niet. Speculatieve kennis over God wordt dus
ook onmogelijk en morele autonomie wordt als essentieel aanzien. De Theïsmestrijd vraagt zich of men
nog een persoonlijke God kan denken. Het is eigenlijk een poging om God nog te redden na Spinoza,
Kant, Fichte en Hegel.
De grondslag van de ethiek wordt problematisch in de moderne filosofie, het goddelijke fundament
fundeert niet meer. Men moet dus terug op zoek naar een grond en een fundament. Het ethisch
relativisme viert hoogdagen maar de eis van het moreel goede doen is tegelijk wel groter dan ooit.
“We live in an oddly equivocal time, alternatively blasé in its ethical relativism and intense in its
moral earnestness. Being blasé and being earnest are perhaps not entirely unrelated. One
sometimes wonders if both are faces turned away from what might be called the incognito of the
good.” (William Desmond in Ethics and Between)
In de pre-moderne ethiek maakte Thomas van Aquino een synthese van ethiek en recht. Er is één
morele orde. Volgens Thomas van Aquino zijn er vier soorten van ‘wetmatigheden’. Het goddelijke
recht, dat is geopenbaard, het eeuwig recht, de goddelijke rede, het natuurrecht (menselijke
participatie in die goddelijke rede) en het menselijk recht (door mensen gemaakt, uit natuurrecht of
determinatio).
“En zo, aangezien wij iets vooral wet noemen omdat het ordent naar het gemeenschappelijk
goed, heeft elk ander voorschrift met betrekking tot particuliere handelingen slechts het karakter
van wet voor zover het ordent naar het gemeenschappelijk goed. En daarom is elke wet geordend op
het gemeenschappelijk goed.”
In de moderne ethiek raakt de theorie van Thomas van Aquino in diskrediet. De vraag naar de grond en
het fundament van de ethiek komt naar de voorgrond. Het is de tijd van de grote ethische theorieën en
de normatieve stromingen. Kant zoekt naar de grond van de ethiek in de rationaliteit zelf. Shaftesbury
maakt gebruik van natural affections en moral intuitions. Objectieve morele oordelen zijn mogelijk en
we bekomen ze dankzij een soort van natuurlijke genegenheid. Een morele intuïtie is een gevoel voor
het moreel juiste.
Zelfstudievragen:
Waarom kan men stellen dat er in de moderne tijd een verstoring optreedt van de harmonie tussen mens, kosmos en God?
Leg uit wat bedoeld wordt met de overgang van hiërarchie naar constructie en van afhankelijkheid naar autonomie.
Waarom was het model van Copernicus niet problematisch voor de Kerk? Wat verandert er bij Galilei?
Wat zijn de metafysische vooronderstellingen van Newtons Principia Mathematica?
Welke gelijkenis bestaat er op ontologisch vlak tussen het project van Copernicus en de
hedendaagse kwantummechanica?
Wat is het verschil tussen primaire en secundaire kenmerken?
Hoe verandert het godsbeeld bij Luther en Calvijn ten opzichte van de middeleeuwen?
Waarom kan men de religieuze ontwikkelingen vanaf het einde van de middeleeuwen beschouwen
als een beweging richting secularisatie?
Wat staat er filosofisch op het spel in de Pantheismusstreit, de Atheismusstreit en de
Theismusstreit?
Waarom wordt de vraag naar het fundament zo urgent in de moderne filosofie?
RENÉ DESCARTES
René Descartes leefde in de 17e eeuw en wordt gezien als de vader van de moderne filosofie. Hij
maakte eigenlijk een synthese van het denken. In 1619 had Descartes drie dromen. Die kwamen neer
,op het inzicht dat de wiskunde als model kan dienen voor een radicale vernieuwing van alle
wetenschappen. Hij kreeg dus het besef van een levensopdracht. Wiskunde kon dus ook het model
worden van de filosofie, van de metafysica.
Een jaar eerder had hij Isaac Beeckman ontmoet in Brede, die hem aanmoedigde tot een exploratie van
de fysische wereld vanuit een mathesis universalis. Het is een strikte methode van onderzoek om de
natuur te doorgronden via wiskunde (geometrie en aritmetica). Dit wil hij toepassen op alle domeinen.
Descartes beseft dus dat hij die methode kan uitbreiden naar metafysica als de eerste filosofie. Dat is
dus een breuk met het scholastieke model van wetenschap en de Aristotelische methode. Die zag
metafysica niet als de grond van de filosofie, Descartes wel. Daaruit volgt dus metafysica als de eerste
filosofie. Hierop kan een wondere wetenschap worden uitgewerkt die de mens ‘heer en meester van de
natuur’ maakt. De mens kan de natuur dus omvormen naar het menselijke en de ‘nuttigheid verhogen’.
Descartes heeft dus het fundament gevonden voor de wondere wetenschap. Wiskunde is dus machtig
en Descartes heeft dus het beeld van een betere wereld op basis van het wiskundig model.
Descartes werd dus geboren in 1596, net voor de 17e eeuw. In 1623 tot 1625 verbleef hij in Italië. In die
jaren werkte hij aan de Regulae ad directionem Ingenii. Die beschreef een nieuwe methode voor de
filosofie en metafysica. Dit werk is echter nooit afgewerkt geweest. In 1637 schrijft hij ‘Discours de la
méthode’ (over de methode). Die wordt gepubliceerd, samen met de traktaten ‘Dioptrique’, ‘Météores’
en ‘Géométrie’. In 1641 schrijft hij de eerste editie van ‘Meditationes de prima philosophia, in qua Dei
existentia et animae immortalitas demonstratur’ (Meditaties over de eerste filosofie in welke het
bestaan van God en de onsterfelijke ziel worden bewezen). De meditaties geven de fundering van de
metafysica. In 1642 verscheen de tweede editie.
Context en intellectueel project (mathesis universalis, hervorming van wetenschap, nieuwe
methode en vermogens van de geest)
Mathesis universalis
Regulae ad directionem Ingenii wil de methode van de wiskunde op alle kennis toepassen. Dit vormen
de kiemen van zijn latere denken. Het deelt de observatie of het probleem op in enkelvoudige, direct
begrijpelijke onderdelen, naar het model van Euclidische geometrie. Men kan dus zaken opdelen
dankzij de Euclidische geometrie. Men kan machines ontleden, en kan dat dus ook doen met het
denken. Hierin vind je duidelijk het idee van de mechanisatie van de wereld. Het intellect kan
aangescherpt worden door te ontleden wat anderen ontdekt en gemaakt hebben. In de Regulae
ontleedt Descartes de rol van cognitieve faculteiten: intellect, verbeelding (imaginatio), zintuiglijke
waarneming, geheugen. Het zijn dus delen van ons denkvermogen, ontdekt door de exploratie van het
‘ik’. Descartes stelt de vraag: Hoe interageren de zintuigen met het denken? De waarheid is een
kwestie van methode, niet van traditie of autoriteit.
Vermogens van de geest
Hoe kunnen we wiskunde gebruiken als model voor de metafysica? Vanaf 1630 vond er een
metafysische wending plaats, een zoektocht naar absolute zekerheid in de metafysica of eerste
filosofie. Dit kwam door een verlies van vertrouwen in het scholastieke model dat leidt tot het
scepticisme. Descartes wil het model van wiskunde gebruiken om het scepticisme te bestrijden en een
grondslag te geven aan de ‘boom der wetenschappen’.
De vermogens van de geest bij Descartes zijn: zuivere rede (kennis, het intellect), zintuiglijke
voorstellingen (zintuigen + verbeelding, imaginatio) en praktisch handelen (passies + de wil, moraal en
beslissingen). Die eerste twee wekken de vraag op hoe de waarheid van de zintuiglijke waarneming
gegarandeerd kan worden. De zuivere rede en de zintuiglijke voorstelling interageren met elkaar.
De breuk met het aristotelisme (kennis niet gefundeerd in zintuigen, primaire vs.
secundaire kwaliteiten, intellect boven imaginatio)
Descartes versus het Aristotelische model
Hoe moet men de waarheid van de zintuigen garanderen? Aristoteles en Thomas van Aquino stellen dat
kennis het product is van een cognitieve activiteit van een zintuiglijk gedisponeerde geest (‘Niets is in
het intellect dat niet eerst via de zintuigen kwam.). Abstracte kennis is, voor Aristoteles, afgeleid uit de
zintuiglijke voorstelling, er is geen activiteit van het intellect mogelijk zonder imaginatio. Het intellect
, vat de vormen van substantie en accident. Dit is het metafysisch realisme van Aristoteles. Descartes
wijst deze kenleer van Aristoteles en Thomas van Aquino af.
Primaire en secundaire kwaliteiten
Secundaire kwaliteiten (kleur, smaak, geluid, …) corresponderen voor Aristoteles met kwaliteiten in het
object zelf. Descartes ontwikkelt een theorie van perceptie/waarneming in termen van corpusculair
atomisme. Alleen primaire kwaliteiten (grootte, positie, vorm, beweging) zijn reëel. De kleur-perceptie
ontstaat door beweging van lichtdeeltjes die het retina ‘raken’ en een hersenproces activeren. Hierdoor
leveren zintuigen vaak duistere en verwarde ideeën op. Zintuigen zijn vaak verward want ze zijn niet
voor iedereen hetzelfde. Hierdoor komt men tot foutieve voorstellingen.
Proces van zintuiglijkheid
Voor Descartes ontstaat ervaring van de buitenwereld via zintuiglijke voorstelling, maar de kennis ervan
steunt uiteindelijk op het intellect en Gods waarachtigheid. Het intellect maakt een classificatie door
middel van primaire kwaliteiten. Het proces gaat zo: het lichaam wordt beïnvloed waardoor er een
voorstelling (imaginatio), een beeld ontstaat. Het intellect kan daarover oordelen. Het intellect kan
‘illusies’ van de imaginatio overstijgen. Het juiste oordeel ontstaat wanneer de wil instemt met wat het
helder inziet. Het intellect oordeelt dus wat correct is en denkt erover na waardoor illusies worden
vermeden. Het intellect doet echter wel meer dan nadenken over de ervaring. Het bevat de a priori
idee van materiële uitgebreidheid. Dat is een zuiver intelligibel inzicht in de noties van vorm, grootte,
positie, beweging, van de wiskunde dus. Dit leidt tot de conclusie dat er iets is buiten onszelf dat we
niet kunnen kennen door de zintuigen.
De zoektocht naar absolute zekerheid (zintuigen leveren duistere ideeën, de rede zoekt een
onbetwijfelbaar fundament, methodische twijfel)
Zuivere rede
De kennis van het intellect is zuivere rede. Het intellect kan nadenken, onafhankelijk van de zintuigen.
Niet alle ideeën worden dus afgeleid uit de ervaring (wiskunde en materiële uitgebreidheid) en er zijn
dus ideeën die behoren tot het denken zelf. Wiskunde is dus louter rationeel, maar wat is het
waarheidscriterium? Wat is noodzakelijk in het zoeken naar waarheid? Deze ideeën zijn helder en
welonderscheiden (claire et distincte). Helder, in de geest, en welonderscheiden, niet vermengt met
andere ideeën. Deze ideeën zijn de kleinste bouwsteen en dus de grond van kennis. Er zijn niet veel
van deze ideeën, maar alle andere ideeën moeten hier van gededuceerd worden.
Om wiskunde te kunnen inzetten op alle domeinen, moet je een zekerheid hebben over wat daarbuiten
is. Descartes moet bewijzen dat er een wereld is die voldoet aan de natuurwetenschappelijke wetten.
Het proces van zuivere kennis zoekt naar de basisbouwstenen van alles. Om tot kennis te komen moet
hij een perceptie hebben van een zuiver geestelijke idee, uitgebreidheid. Zekerheid ontstaat wanneer
de wil instemt met wat het intellect helder en welonderscheiden inziet. Dat leidt tot absoluut zekere en
heldere kennis. Het object van metafysica zijn die heldere en welonderscheiden ideeën. De metafysica
die ontwikkeld is in de Meditaties, Over de meditatie en in de Principiae Philosophiae bestaat uit ideeën
van cogito, God en de materiële wereld. Metafysische kennis kan opgebouwd worden door de methode
van analyse (ontleding tot intuïtieve zekerheiden) en synthese (opbouw naar complexere inzichten).
Een nieuwe metafysica
De metafysica van Descartes moet de fysica begronden. Zo geeft de metafysica stevige wortels aan de
boom der wetenschappen. Dit is dus een omkering van de oudheidsfilosofie. De inzet van Descartes
filosofie is als volgt. Hij wil het fundament leveren voor de scienza nuova en de menselijke geest
bevrijden van dwaling. Hierdoor ontstaat er een nieuwe mensheid met het ideaal van zelfbepaling, de
mens komt centraal te staan. Descartes start dus een zoektocht naar de waarheid.
“En nog altijd was het mijn enige wens om waar van onwaar te leren onderscheiden teneinde te
weten wat ik moest doen en in zekerheid verder te leven.”
Methodische twijfel
De methodische twijfel is de start van Descartes theorie. In de eerste meditatie onderzoekt hij de
voorstellingen van de geest, en weigert instemming te geven aan alles wat betwijfelbaar is. Hij stelt dat