Palliatieve zorg is gericht op het verbeteren van de kwaliteit van leven van patiënten
en hun naasten, wanneer genezing niet meer mogelijk is. Palliatieve zorg begint niet
pas in de laatste weken van het leven. Het begint al op moment dat duidelijk is dat
een ziekte niet meer te genezen is. De focus verschuift van ‘het lichaam beter
maken’ naar ‘zo goed mogelijk leven met de ziekte’.
Palliatieve zorg richt zich op 4 dimensies: somatisch, psychisch, sociaal, zingeving.
Overlijden wordt officieel vastgesteld door een arts, dit wordt gedaan door schouwen.
- Autonome interventies: die kan een verpleegkundige uitvoeren op eigen
verantwoordelijkheid.
- Participatieve interventies: die een verpleegkundige moet overleggen met een
arts.
Curatieve zorg: richt zich op genezing. Het doel is om de ziekte te elimineren.
Palliatieve zorg: zorg gericht op kwaliteit van leven. Het doel is comfort.
Deze vormen van zorg bieden sluiten elkaar niet uit, je kunt tegelijk curatief en
palliatief behandeld worden. Naarmate de ziekte vordert, verschuift de balans steeds
meer richting palliatief.
De 4 fasen van palliatieve zorg
Palliatieve zorg verloopt in fasen. Elke fase heeft een andere focus en vraagt andere
verpleegkundige interventies.
Fase 1: ziektegericht palliatie:
- wat: de ziekte wordt nog actief behandeld, maar genezing is niet meer het
doel. Het doel is de ziekte afremmen en klachten verminderen.
- Focus: levensverlening en kwaliteit van leven.
- Verpleegkundig: bijwerkingen van behandelingen opvangen, voorlichting
geven, ACP starten.
- Voorbeeld: patiënt met uitgezaaide borstkanker krijgt nog hormonale therapie
om de tumor te remmen, maar de arts zegt dat genezing niet meer mogelijk is.
Fase 2: symptoomgerichte palliatie:
- Wat: er wordt geen levensverlengende behandeling meer gegeven. Alle zorg
is gericht op het verlichten van klachten: pijn, benauwdheid, misselijkheid,
vermoeidheid.
- Focus: kwaliteit van leven, comfort.
- Verpleegkundig: symptomen monitoren, pijnmedicatie toedienen, naasten
begeleiden, wensen bespreken.
- Voorbeeld: patiënt stopt met chemotherapie omdat het te zwaar is. Hij krijgt
morfine voor de pijn en bezoek van een geestelijk verzorger.
Fase 3: palliatie in de stervensfase:
- Wat: de laatste dagen tot maximaal 1-2 weken van het leven. Het overlijden is
onafwendbaar en nabij. De focus verschuift van kwaliteit van leven naar
kwaliteit van sterven.
- Focus: waardig en pijnvrij overlijden.
- Verpleegkundig: onnodige medicatie staken, comfort bieden, naasten
begeleiden bij afscheid nemen, toedieningsvorm aanpassen (oraal -->
subcutaan).
, Fase 4: nazorg:
- Wat: zorg na het overlijden.
- Focus: rouwverwerking, afsluiting.
- Verpleegkundig: naasten opvangen, condoleren, wijzen op
rouwondersteuning, teambespreking na overlijden, moreel beraad bij ethische
vragen.
ACP (advanced care planning)
Dit is het vooraf bespreken en vastleggen van toekomstige medische wensen. Het
doel hiervan is dat artsen en naasten weten welke zorg de patiënt zou willen als
hij/zij dit niet meer kan vertellen.
Pijn in de palliatieve fase
Er zijn verschillende soorten van pijn:
Nociceptieve pijn:
- Wat: pijn die ontstaat door weefselbeschadiging. Het zenuwstelsel werkt
normaal, maar reageert op een schadelijke prikkel. Dit is de ‘normale’ pijn die
iedereen kent.
- Somatisch: pijn in de huid, spieren of botten.
- Visceraal: pijn in organen. Moeilijk te lokaliseren.
Voorbeeld: bot pijn door uitzaaiing in de wervelkolom is somatisch nociceptief:
scherp, goed aanwijsbaar. Buikpijn door een lever vol uitzaaiingen is visceraal:
vaag, drukkend.
Neuropatische pijn:
- Wat: pijn door beschadiging van het zenuwstelsel zelf. Het zenuwstelsel geeft
pijnsignalen af terwijl er geen weefselschade is. De pijn zit in de zenuw.
- Kenmerken: brandend, schrijnend, tintelend, stekend. Kan spontaan optreden.
- Behandeling: neuropatische pijn reageert slecht op gewone pijnstillers. Er zijn
aanvullende middelen nodig: antidepressiva of anti-epileptica.
Voorbeeld: een patiënt na chemotherapie heeft een brandend, tintelend gevoel in
handen en voeten. Dit is chemotherapie geïnduceerde neuropathie.
Doorbraakpijn:
- Wat: plotselinge, tijdelijke verergering van pijn bij iemand die al chronische pijn
heeft en al pijnmedicatie gebruikt.
- Spontane doorbraakpijn: komt zonder aanleiding, is onvoorspelbaar.
- Voorspelbare doorbraakpijn: treedt op bij een bepaalde activiteit: bewegen,
hoesten.
- Behandeling: snelwerkende pijnstillers. Bij voorspelbare pijn: preventief
toedienen voor de activiteit.
Voorbeeld: een patiënt met botpijn heeft morfine 2x per dag. Bij elke
verpleegkundige handeling tijdens de ADL schiet de pijn omhoog. De
verpleegkundige geeft 30 min van tevoren de snelwerkende morfine.